Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1067

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
200806350/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) het verzoek van [appellante], alsmede haar vennoten [vennoot A] en [vennoot B] (hierna tezamen: [verzoekers]) om in verband met de tijdelijke sluiting op last van de burgemeester van de [coffeeshop], gevestigd aan de [locatie] te [plaats], ontheffing te verlenen voor 27 werknemers van het verbod van werktijdverkorting, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806350/1.

Datum uitspraak: 15 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], alsmede haar vennoten [vennoot A] en [vennoot B], gevestigd, onderscheidenlijk wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 augustus 2008 in zaak nr. 07/1214 in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) het verzoek van [appellante], alsmede haar vennoten [vennoot A] en [vennoot B] (hierna tezamen: [verzoekers]) om in verband met de tijdelijke sluiting op last van de burgemeester van de [coffeeshop], gevestigd aan de [locatie] te [plaats], ontheffing te verlenen voor 27 werknemers van het verbod van werktijdverkorting, afgewezen.

Bij besluit van 16 juli 2007 heeft de minister het door [verzoekers] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 augustus 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [verzoekers] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 september 2008.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2009, waar [verzoekers], vertegenwoordigd door mr. A.L. van den Bergh, advocaat te Maastricht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.M. Speear, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (hierna: het BBA 1945) is het de werkgever verboden de werktijd van de werknemer op minder dan 48 uur per week te stellen of gesteld te houden.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan van het bepaalde in het eerste lid door of vanwege de minister voor bepaalde werknemers of groepen van werknemers voorwaardelijk of onvoorwaardelijk ontheffing worden verleend.

In beleidsregel 1 van de Beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2004 (Stcrt. 2004, nr. 199, pag. 13; hierna: beleidsregel 1) is vermeld dat op verzoek van de werkgever een ontheffing als bedoeld in artikel 8, derde lid, van het BBA 1945 wordt verleend voor de bij die ontheffing aan te wijzen werknemers of groepen van werknemers, indien gedurende ten minste 2 kalenderweken en gedurende ten hoogste 24 kalenderweken, ten minste 20% van de aan de werkgever ter beschikking staande arbeidscapaciteit niet kan of naar verwachting niet zal kunnen worden benut, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend.

2.2. Ter zitting is namens de minister desgevraagd bevestigd dat de woorden "48 uur per week" in artikel 8, eerste lid, van het BBA 1945 niet zijn gewijzigd, maar dat de minister hieraan thans invulling geeft door in het beleid uit te gaan van "de overeengekomen arbeidsduur".

2.3. De minister heeft het verzoek van [verzoekers] afgewezen en deze afwijzing in bezwaar gehandhaafd, omdat de vermindering van de bedrijvigheid van de coffeeshop wordt veroorzaakt door een tijdelijke sluiting wegens overtreding van de Opiumwet en sluiting op die grond geen buitengewone omstandigheid is, maar in redelijkheid tot het normale ondernemersrisico kan worden gerekend.

2.4. [verzoekers] betoogt, samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat zij bij een eventuele overtreding van de voorwaarden omschreven in het gedoogbeleid slechts rekening behoefde te houden met een maatregel in de vorm van een waarschuwing en niet met een onmiddellijke sluiting van de coffeeshop, zodat de sluiting niet tot het normale ondernemersrisico kan worden gerekend.

2.4.1. De burgemeester van Maastricht heeft de coffeeshop bij besluit van 28 maart 2007 op grond van artikel 13b van de Opiumwet en zijn bij de toepassing van die bepaling gevoerde beleid, het zogenoemde Damoclesbeleid, voor zes maanden gesloten omdat er in strijd met dit beleid een persoon jonger dan 18 jaar is toegelaten en aan deze persoon binnen de coffeeshop softdrugs zijn verkocht. De coffeeshop was al eerder, bij besluit van 27 december 2006, voor drie maanden gesloten wegens eenzelfde overtreding.

2.4.2. [verzoekers] heeft verwezen naar punt 2 van het Damoclesbeleid, waar is vermeld dat bij het toepassen van bestuursdwang in principe wordt gekozen voor sluiting van het lokaal omdat dit als de meest effectieve maatregel moet worden beschouwd en dat bij wijze van uitzondering in concrete gevallen, waar het middel van sluiting niet adequaat of niet evenredig is, kan worden bekeken welke andere vorm van bestuursdwang dient te worden toegepast.

Anders dan [verzoekers] betoogt, kan hieruit niet worden afgeleid dat bij overtreding van de criteria slechts rekening behoeft te worden gehouden met een waarschuwing en dat een sluiting van de coffeeshop niet voorzienbaar is. Volgens het beleid wordt immers in principe gekozen voor sluiting en wordt een andere vorm van bestuursdwang slechts bij wijze van uitzondering toegepast. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het exploiteren van een coffeeshop slechts mogelijk is bij de gratie van het gedoogbeleid en dat iedere exploitant weet dat de exploitatie staat of valt met de naleving van een aantal strikte voorwaarden. Met de rechtbank overweegt de Afdeling dat bij overtreding van die voorwaarden de consequenties daarvan tot het normale ondernemersrisico behoren, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde vermeld in beleidsregel 1 dat de vermindering in bedrijvigheid is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend. Het betoog faalt.

2.5. Verder betoogt [verzoekers] dat de rechtbank heeft miskend dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Volgens [verzoekers] is onvoldoende rekening gehouden met haar financiële situatie. De rechtbank heeft daarbij niet onderkend dat de minister heeft nagelaten haar liquiditeitspositie te onderzoeken en haar zelfs niet heeft toegestaan daarvan bewijzen over te leggen.

2.5.1. Ook dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 november 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200801345/1&verdict_id=31802&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200801345/1&utm_term=200801345/1">200801345/1</a>) zijn bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb omstandigheden die bij het vaststellen van het te voeren beleid niet zijn voorzien. Zoals ook blijkt uit de toelichting op beleidsregel 1 is bij de totstandkoming van dit beleid rekening gehouden met een verslechterde financiële positie die het gevolg pleegt te zijn van een verminderd aanbod van werk. Reeds daarom heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de door de minister niet weersproken financiële positie van [verzoekers] als gevolg van de vermindering van bedrijvigheid geen bijzondere omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Derhalve behoefde de minister zich over de gestelde liquiditeitspositie niet nader uit te laten.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009

419.