Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1064

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
200805835/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dantumadeel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van een opslagloods op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805835/1/H1.

Datum uitspraak: 15 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 19 juni 2008 in zaak nr. 08/24 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dantumadeel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dantumadeel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van een opslagloods op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 november 2007 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 29 december 2006 herroepen, vrijstelling verleend voor het gebruik van de opslagloods en bouwvergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van een opslagloods.

Bij uitspraak van 19 juni 2008, verzonden op 20 juni 2008, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2009, waar het college, vertegenwoordigd door E. Wagenaar, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 29 november 2004 heeft het college aan [vergunninghouder] een bouwvergunning verleend voor de oprichting van een loods ten behoeve van opslag voor het agrarische bedrijf. De loods is ten opzichte van de bouwvergunning van 29 november 2004 circa 5 m verplaatst. Voorts is de voorgevel gewijzigd. Ter legalisering van deze inmiddels gerealiseerde loods heeft [vergunninghouder] op 20 juli 2006 bij het college een aanvraag om bouwvergunning ingediend. Bij besluit van 29 september 2006 heeft het college bouwvergunning verleend voor het ten opzichte van de eerder verleende bouwvergunning gewijzigd uitvoeren van de loods. Daaruit volgt dat geen gebruik is gemaakt van de eerder op 29 november 2004 verleende vergunning. Op 21 november 2006 heeft [vergunninghouder] ten behoeve van de loods verzocht om vrijstelling voor onder meer de opslag van afbraak- en bouwmaterialen, caravan- en bootstalling en containers alsmede voor de berging van verschillende landbouwwerktuigen en -materialen. Bij het besluit op bezwaar heeft het college, na herroeping van het besluit van 29 september 2006, op grond van artikel 6, vijfde lid, onder b, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998", deelplan "Buitengebied 1998" (hierna: het bestemmingsplan) vrijstelling verleend van artikel 6, vierde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften voor het gebruik van de opslagloods voor andere dan agrarische doeleinden en heeft het voorts de bouwvergunning verleend.

2.2. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna de WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald, dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan rust op het perceel waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Bodemgebonden agrarische bedrijven (BA)".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart aangegeven gronden met de bestemming "Bodemgebonden agrarische bedrijven" bestemd voor bedrijven waarbinnen uitsluitend of overwegend door bewerking van de bodem en/of door het houden van vee met gebruikmaking van producten van die bodem arbeid wordt verricht ter verkrijging van plantaardige of dierlijke producten, met de bijbehorende gebouwen, andere bouwwerken, erven en cultuurgronden.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder a, geldt, voor zover thans van belang, ten aanzien van de in lid 1 bedoelde gronden en gebouwen dat zij slechts mogen worden gebruikt overeenkomstig de bestemming.

Ingevolge het vijfde lid, onder b, aanhef en onder 3, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 4 voor het gebruik van de gebouwen als opslagruimte voor andere dan agrarische doeleinden.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen van het bouwplan. Zij voert daartoe aan dat het niet mogelijk is om met gebruikmaking van artikel 15 van de WRO vrijstelling te verlenen voor het gebruik van een nieuwe loods voor de opslag van bouwmaterialen, nu deze loods niet ten dienste staat aan de bestemming "Bodemgebonden agrarische bedrijven".

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraken van 21 november 1996 in zaak nr. H01.96.0154, JB 1997/7, en 9 november 2005 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200501078/1&verdict_id=12048&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200501078/1&utm_term=200501078/1">200501078/1</a>) moet bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming van het perceel kan worden gebruikt, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Dit brengt met zich dat, in het geval het betreft een besluit op de aanvraag om een bouwvergunning ter zake van een reeds voltooid bouwwerk, het betrokken bestuursorgaan bij zijn besluit acht slaat op hetgeen omtrent het gebruik van het reeds gebouwde inmiddels bekend is of kan zijn.

2.3.2. Op het tijdstip waarop om de thans in geding zijnde vergunning werd verzocht, was de opslagloods reeds voltooid. In de aanvraag om bouwvergunning is vermeld dat het bouwwerk wordt gebruikt voor agrarische doeleinden. Tijdens een door toezichthouders van de gemeente uitgevoerde controle van de reeds gerealiseerde opslagloods is evenwel geconstateerd dat de opslagloods in strijd met het bestemmingsplan niet slechts voor agrarische doeleinden wordt gebruikt, maar dat in de loods hoofdzakelijk bouwmaterialen worden opgeslagen. [vergunninghouder] heeft bij brief van 21 november 2006 bevestigd dat de opslagloods wordt gebruikt voor de opslag van afbraak- en bouwmaterialen, caravan- en bootstalling en containeropslag alsmede de berging van verschillende landbouwwerktuigen en -materialen en verzoekt om vrijstelling dan wel wijziging van de voor het perceel geldende bestemming. Nu, gezien het vorenstaande, redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk mede wordt gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming "Bodemgebonden agrarische bedrijven" voorziet, is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan.

2.3.3. Het college heeft om medewerking te kunnen verlenen aan het bouwplan op grond van artikel 6, vijfde lid, onder b, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften in samenhang bezien met artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO vrijstelling verleend van artikel 6, vierde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften.

2.3.4. De bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 6, vijfde lid, onder b, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften kan niet worden aangewend voor het verlenen van een bouwvergunning voor het oprichten van bebouwing waarvan het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Artikel 6, vijfde lid, onder b, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften heeft uitsluitend betrekking op wijzigingen in het gebruik van opstallen, terwijl het in het onderhavige geval gaat om verlening van een bouwvergunning voor de oprichting van een loods. Het college was derhalve niet bevoegd om met toepassing van artikel 6, vijfde lid, onder b, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften vrijstelling voor het bouwplan te verlenen. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Aan hetgeen [appellante] voor het overige heeft betoogd, komt de Afdeling, gelet op het vorenstaande, niet toe.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [appellante] bij de rechtbank alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 22 november 2007 vernietigen. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

2.6. 3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 19 juni 2008 in zaak nr. 08/24;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Dantumadeel van 22 november 2007, kenmerk BA-2006175 en VV-2007003;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dantumadeel tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 331,78 (zegge: driehonderdeenendertig euro en achtenzeventig cent), waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Dantumadeel aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Dantumadeel aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 361,00 (zegge: driehonderdeenenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009

374.