Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1060

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
200807696/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2005 heeft de raad van de gemeente Woerden (hierna: de raad) het verzoek van [appellanten] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/373
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807696/1.

Datum uitspraak: 15 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Woerden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 augustus 2008 in zaak nr. 07/3545 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Woerden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2005 heeft de raad van de gemeente Woerden (hierna: de raad) het verzoek van [appellanten] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 29 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Woerden (hierna: het college) het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan hun € 25.000,00 vermeerderd met wettelijke rente ter vergoeding van de geleden planschade toegekend.

Bij uitspraak van 29 augustus 2008, verzonden op 9 september 2008, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 november 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De besloten vennootschap ProRail B.V. (hierna: ProRail), die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2009, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. B.A. Wille, advocaat te Alphen aan den Rijn, vergezeld van A.B. Hoppener en mr. A. Streefkerk-Wegman, werkzaam bij Verhagen Advies te Oud-Beijerland, het college, vertegenwoordigd door drs. A. Lacroix, ambtenaar in dienst van de gemeente, vergezeld van mr. J.H. van Erk, werkzaam bij de stichting Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), zijn verschenen. Tevens is ProRail, vertegenwoordigd door haar medewerker mr. drs. M.W. Honselaar, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.1.1. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt afgeweken moet worden.

2.2. [appellanten], eigenaren van het perceel met woning aan de [locatie] te Woerden, hebben verzocht om vergoeding van de waardevermindering van hun woning ten gevolge van het op 16 december 1993 door de raad vastgestelde bestemmingsplan "Spoorbaanverbreding Woerden", goedgekeurd door gedeputeerde staten van Utrecht op 7 juni 1994 en het op 20 juli 1995 door de raad vastgestelde bestemmingsplan "Spoorwegverbreding", goedgekeurd door gedeputeerde staten van Utrecht op 16 januari 1996. Deze plannen voorzien, voor zover thans van belang, in de aanleg van een tunnelbak onder de nabijgelegen spoorlijn en in de realisatie van een brug nabij de woning. De tunnelbak dient ter vervanging van een bestaande spoorwegovergang en de brug, gelegen tussen het Breeveld en de Leidse Straatweg, dient ter vervanging van een voorheen bijna 100 meter verder zuidelijk gelegen brug. [appellanten] stellen dat door de planologische wijzigingen sprake is van aantasting van hun persoonlijke levenssfeer, toename van geluid- en lichthinder en zicht op een circa 2,15 meter hoge damwand met daarop een beukenhaag van 1,80 meter hoog.

2.2.1. [appellanten] hebben ter motivering van hun verzoek een aantal rapporten overgelegd. Volgens een rapport van architect J.D. De Visser (hierna: De Visser) bedragen de kosten van de noodzakelijke bouwkundige ingrepen om het uitzicht vanuit hun woning en om de woonkwaliteit en hun privacy na de planologische wijzigingen te waarborgen € 225.000,00. Volgens een rapport van 11 maart 1998 van makelaar J.J.M. Vernooij (hierna: Vernooij) bedraagt de schade ten gevolge van de verplaatsing van de brug € 250.000,00. Volgens een brief van 14 maart 2003 van makelaar J. De Koning (hierna: De Koning) hebben de planologische wijzigingen een forse inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer, woongenot en de waarde van hun woning tot gevolg.

2.2.2. Bij uitspraak van 13 april 2007, zaak nr. 2006/2158, heeft de rechtbank een eerder besluit op bezwaar van 15 februari 2006 vernietigd omdat de raad zich daarin ten onrechte in navolging van een door de SAOZ op 20 januari 2005 uitgebracht advies op het standpunt heeft gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen omdat de geleden planschade ten bedrage van € 25.000,00 als anderszins verzekerd moet worden beschouwd. De rechtbank heeft de raad voorts opgedragen om bij het nemen van het nieuwe besluit te motiveren waarom het door de SAOZ vastgestelde bedrag substantieel afwijkt van de door Vernooij op 11 maart 1998 vastgestelde waardedaling van de woning.

Het college heeft het verzoek hierop andermaal ter advisering voorgelegd aan de SAOZ, die op 22 mei 2007 een nader rapport heeft uitgebracht. Volgens de SAOZ bedraagt de waarde van de woning vóór de planologische wijzigingen € 1.050.000,00 en is daarna sprake van enige vermindering van uitzicht vanuit de woning en hinder van het verkeer over de brug in de vorm van met name geluid- en lichthinder en inkijk. Volgens de SAOZ is de ernst van de planologische inbreuk vrij beperkt en is de waarde van het object als gevolg van een en ander voor een willekeurige derde met € 25.000,00 gedaald naar € 1.025.000,00. De taxatie van Vernooij van 11 maart 1998 kan volgens de SAOZ niet worden gevolgd, omdat deze niet gebaseerd is op de vereiste maximale invulling van de oude en nieuwe planologische situatie en omdat die een veel te hoog gewicht heeft toegekend aan de nadelen van de nieuwe brug. Bij besluit van 29 oktober 2007 heeft het college het door [appellanten] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan hun in navolging van het advies van de SAOZ van 22 mei 2007 € 25.000,00 vermeerderd met wettelijke rente toegekend ter vergoeding van de geleden planschade.

De rechtbank heeft dit besluit wegens een bevoegdheidsgebrek vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

2.3. [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het advies van de SAOZ dat aan de besluitvorming ten grondslag ligt onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en gebreken vertoont, omdat daarin onvoldoende wordt onderkend dat door de planologische wijzigingen sprake is van een forse inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer en hun woongenot. Zij wijzen in dit verband op het rapport van De Visser, de brief van De Koning en een nader rapport van Vernooij van 10 augustus 2007. Volgens laatst vermeld rapport is de woning door de planologische wijzigingen € 91.000,00 minder waard geworden. Voorts hebben zij een rapport van mr. A. Streefkerk-Wegman en A.B. Hoppener van Verhagen Advies (hierna: Verhagen Advies) van 5 november 2008 overgelegd.

2.3.1. Volgens het advies van Verhagen Advies is het agrarische karakter van het gebied door de planologische wijzingen gedeeltelijk verloren gegaan. De situering van de brug heeft een vermindering van de privacy tot gevolg en hinder van geluid, licht en geur. De hinder van licht is groot omdat de woning is gelegen in een donker gebied. Verder is sprake van een toename van verkeersbewegingen die voorheen niet mogelijk waren. Het uitzicht vanuit de woning is door de aanleg van de brug in nadelige zin gewijzigd. Volgens Verhagen Advies bedraagt de waarde voor de planologische wijzigingen € 1.050.000,00 en na die wijzigingen € 1.000.000,00, zodat de schade € 50.000,00 bedraagt.

2.3.2. De SAOZ is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade, zodat het college in beginsel op een door de SAOZ uitgebracht advies mag afgaan. [appellanten] hebben met voormelde rapporten van De Visser en Vernooij en met de brief van De Koning niet aannemelijk gemaakt dat het advies van de SAOZ van 22 mei 2007 niet aan de besluitvorming ten grondslag mocht worden gelegd, reeds omdat aan deze rapporten en brief geen duidelijk kenbare planvergelijking ten grondslag ligt waarbij is uitgegaan van hetgeen onder het oude en nieuwe planologische regime maximaal kon en kan worden gerealiseerd.

2.3.3. [appellanten] hebben met het advies van Verhagen Advies evenmin aannemelijk gemaakt dat het advies van de SAOZ van 22 mei 2007 onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen dan wel anderszins gebreken vertoont. Daarbij is van belang dat het advies van Verhagen Advies uitgaat van een onjuiste feitelijke situatie. Anders dan Verhagen Advies stelt, is de brug niet tegenover de woonkamer en slaapkamer van de woning gelegen, maar ongeveer 40 meter ten oosten van de woning. Het oordeel van Verhagen Advies met betrekking tot de met de situering van de brug gepaard gaande nadelen en de waardering daarvan kan reeds daarom niet tot het oordeel leiden dat het advies van de SAOZ op dit punt onjuist is.

Het college heeft zich in navolging van het advies van de SAOZ op het standpunt mogen stellen dat de nieuwe situering van de brug tot enige vermindering van uitzicht vanuit de woning en tot hinder van het verkeer over de brug, in de vorm van met name geluid- en lichthinder en inkijk, zal leiden. De nadelen van de beperking van het uitzicht vanuit de woning worden gematigd doordat onder het oude planologische regime aan de overzijde van de Oude Rijn vrij omvangrijke agrarische bebouwing was toegestaan die zicht op het achterliggende gebied ontnam. Daarbij dient anders dan in het rapport van Verhagen Advies wordt vermeld ook rekening te worden gehouden met de uitzicht belemmerende bebouwing buiten de plangrenzen van de nieuwe bestemmingsplannen. Dat dergelijke omvangrijke agrarische bebouwing met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet zou kunnen worden gerealiseerd is door [appellanten], tegenover hetgeen het college daaromtrent naar voren heeft gebracht, niet aannemelijk gemaakt.

Het college heeft zich voorts in navolging van de SAOZ op het standpunt mogen stellen dat het karakter van het gebied door de nieuwe situering van de brug niet verloren is gegaan en dat niet is te verwachten dat de verkeersintensiteit op het Breeveld ter hoogte van het perceel in relevante mate zal toenemen als gevolg van de verplaatsing van de brug. Ten aanzien van laatst vermeld punt is van belang dat het Breeveld ook onder het nieuwe planologische regime geen doorgaande verbindingsweg is, en voor het autoverkeer nog steeds slechts een ontsluitende functie heeft voor 25 woningen. Niet aannemelijk is voorts ook dat in relevante mate meer geluidhinder van het verkeer over de Leidse Straatweg ondervonden zou worden omdat als gevolg van het verdwijnen van de spoorwegovergang door de aanleg van de tunnel thans ter plaatse harder zou worden gereden. Daarbij heeft het college in navolging van de SAOZ de ongewijzigde verkeersintensiteit, een betere doorstroming van het verkeer door het vervallen van de spoorwegovergang met daarmee gepaard gaande vermindering van hinder van afremmend en wachtend autoverkeer, en het wegvallen van geluid vanwege de overwegbeveiliging van belang mogen achten. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009

344.