Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1057

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
200805811/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tiel (hierna: het college) aan Stichting Christelijke Woningcorporatie (hierna: SCW) bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van 34 zorgwoningen op het perceel Burgemeester Meslaan 49 te Tiel (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 44
Woningwet 56a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805811/1/H1.

Datum uitspraak: 15 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging MEMO, gevestigd te Tiel,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 juni 2008 in zaak

nrs. 08/1121 en 08/1123 in het geding tussen:

de vereniging Vereniging MEMO en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Tiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tiel (hierna: het college) aan Stichting Christelijke Woningcorporatie (hierna: SCW) bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van 34 zorgwoningen op het perceel Burgemeester Meslaan 49 te Tiel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 januari 2008 heeft het college het daartegen door onder meer de vereniging Vereniging MEMO (hierna: MEMO) gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 7 maart 2007, onder aanvulling van de motivering daarvan, gehandhaafd.

Bij uitspraak van 17 juni 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door MEMO ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft MEMO bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 22 augustus 2008.

SCW en Stichting Zorgcentra Rivierenland (hierna: SZR) hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2009, waar MEMO, vertegenwoordigd door [leden van het bestuur], en het college, vertegenwoordigd door W.P.H.M. Rovers en ing. J.W. van der Meijden, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting SZR, vertegenwoordigd door [algemeen directeur], bijgestaan door mr. E.A.M. van Gaal-Gerritsen, advocaat te Tiel, en SCW, vertegenwoordigd door drs. J.G.M. van den Hombergh, bijgestaan door mr. E.A.M. van Gaal-Gerritsen voornoemd, als belanghebbenden gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 56a, tweede lid, voor zover thans van belang, mag slechts en moet de bouwvergunning eerste fase worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder

b, c, d of e, van toepassing is.

2.2. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Groenendaal 1983" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Verpleeginrichting".

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de planvoorschriften is de op de kaart voor "Verpleeginrichting" aangewezen grond - nader onderscheiden in de bestemmingsvlakken I, II, III en IV - bestemd:

(…)

b. in de bestemmingsvlakken II, III en IV voor, voor zover thans van belang, gebouwen ten dienste van verpleging en verzorging, te weten ziekenhuizen, sanatoria, gestichten en herstellingsoorden, zomede bewoning met daartoe dienende woningen en/of gestapelde woningen.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, mogen in het op de plankaart met een II aangegeven bestemmingsvlak uitsluitend gebouwen als bedoeld in het eerste lid, onder b, van dit artikel worden gebouwd en mag het bebouwingspercentage ten hoogste 40 bedragen.

Ingevolge artikel 3, onder l, wordt onder bebouwingspercentage verstaan: het percentage dat aangeeft welk deel de som van de bebouwde oppervlakte van gebouwen op een bestemmingsvlak uitmaakt van de totale oppervlakte van dat bestemmingsvlak binnen de begrenzing van het bouwperceel.

Ingevolge artikel 1, onder j, wordt onder bestemmingsvlak verstaan: een aaneengesloten oppervlak grond met een - in het plan als zodanig aangegeven - gelijke bestemming.

Ingevolge artikel 1, onder k, wordt onder bouwperceel verstaan: een aaneengesloten oppervlak grond waarop krachtens het plan een bouwwerk is, dan wel bij elkaar behorende bouwwerken zijn toegestaan.

2.3. MEMO betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met de op het perceel rustende bestemming. Daartoe voert zij aan dat onder verpleging en verzorging als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften moet worden verstaan een verpleeginrichting in zuivere vorm. Het bouwplan voorziet daarin niet, aldus MEMO. De in voormeld artikel genoemde dienende (gestapelde) woningen zien volgens MEMO op personeelswoningen. Voorts biedt de tussen SCW en SZR tot stand gekomen overeenkomst van 18 oktober 2007 volgens MEMO geen zekerheid omtrent het gebruik van de met het bouwplan beoogde woningen overeenkomstig de bestemming.

2.3.1. Anders dan MEMO betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de dienende (gestapelde) woningen als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften uitsluitend zien op woningen ten behoeve van de huisvesting van personeel. De tekst van dit artikel noch de plantoelichting biedt grond voor het oordeel dat de planwetgever deze uitleg voor ogen heeft gestaan.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het bouwplan voorziet in woningen ten behoeve van personen die zijn aangewezen op meervoudige zorg, waarbij gebruik wordt gemaakt van de faciliteiten van het ter plaatse aanwezige verpleeghuis van SZR. Zoals SZR ter zitting heeft toegelicht, bestaat meervoudige zorg uit een combinatie van verpleging en verzorging, waarbij echter niet voortdurend sprake is van samenloop van beide functies. De tekst van artikel 17, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften noch de plantoelichting biedt grond voor het oordeel dat de op het perceel rustende bestemming vereist dat voortdurend gelijktijdig gebruik wordt gemaakt van beide functies. Gelet op de tussen SCW en SZR tot stand gekomen aanvullende samenwerkingsovereenkomst van 18 oktober 2007 en de omstandigheid dat in het zorgwoningencomplex wordt voorzien in een zorgpost en een ruimte voor een slaapwacht, is het aannemelijk dat het bouwplan ook ten behoeve van de op het perceel rustende bestemming zal worden gebruikt. Van strijd met de op het perceel rustende bestemming is derhalve geen sprake. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

2.4. MEMO betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat door het bouwplan het maximale bebouwingspercentage als bedoeld in artikel 17, derde lid, onder c, van de planvoorschriften wordt overschreden.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 mei 2004 in zaak nr. 200305777/1) is bij de vaststelling van de omvang van het bouwperceel de actuele situatie bepalend, waarbij in beginsel dient te worden uitgegaan van het kadastrale perceel waarop het bouwplan is voorzien.

Hoewel de gronden waarop het bouwplan is voorzien door SZR in eigendom zullen worden overgedragen aan SCW en zodoende een afzonderlijk kadastraal perceel zal ontstaan, zijn de percelen aan te merken als één bouwperceel. Voor de vraag of sprake is van één bouwperceel, als bedoeld in artikel 1, onder k, van de planvoorschriften, is immers tevens van belang of sprake is van bij elkaar behorende bebouwing. Het bestaan van een dergelijke situatie leidt ertoe dat meerdere kadastrale percelen in ruimtelijke zin als één geheel behoren te worden aangemerkt. In dit geval is daarvan sprake, nu de bewoners van de zorgwoningen zorg zullen afnemen bij SZR, deze zorg verleend zal worden door medewerkers van het ter plaatse aanwezige verpleeghuis en de bij het verpleeghuis en het zorgwoningencomplex behorende gronden het karakter zullen krijgen van één terrein en als zodanig worden ingericht, beheerd en onderhouden.

Zoals volgt uit de door het college overgelegde berekening van het bebouwingspercentage en de daarop door het college ter zitting gegeven toelichting, wordt door het bouwplan het bebouwingspercentage als bedoeld in artikel 17, derde lid, onder c, van de planvoorschriften niet overschreden. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009

531.