Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1053

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
200805642/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CTS Group BV (hierna: CTS) onder oplegging van een last onder dwangsom gelast het gebruik van het bedrijfspand op het perceel Schillingweg 50 te Nieuw-Vennep (hierna: het perceel) in de nacht van vrijdag 22 december 2006 en zaterdag 23 december 2006 om 00.00 uur ("middernacht") te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805642/1/H1.

Datum uitspraak: 15 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CTS Group B.V., gevestigd te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 juni 2008 in zaak nr. 07/7073 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CTS Group B.V.

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: het college) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CTS Group BV (hierna: CTS) onder oplegging van een last onder dwangsom gelast het gebruik van het bedrijfspand op het perceel Schillingweg 50 te Nieuw-Vennep (hierna: het perceel) in de nacht van vrijdag 22 december 2006 en zaterdag 23 december 2006 om 00.00 uur ("middernacht") te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 18 september 2007 heeft het college het door CTS daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juni 2008, verzonden op 10 juni 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door CTS daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft CTS bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2009, waar CTS, vertegenwoordigd door mr. A.P. van Delden, advocaat te Leiden, en [directeur], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem, en F.H. Eggen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. CTS betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake was van een overtreding van artikel 6.1.1 van de bouwverordening van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de bouwverordening), zodat het college niet bevoegd was handhavend op te treden. Zij voert daartoe aan dat van bedrijfsmatige exploitatie geen sprake was en dat slechts in een gedeelte van het pand op het perceel enkele ondergeschikte distributie-, opslag-, kantoor- en inrichtingswerkzaamheden plaatsvonden. Voorbereidende inrichtingswerkzaamheden of administratieve werkzaamheden gericht op het bedrijfsklaar maken alsmede het uitvoeren van bouwwerkzaamheden vallen volgens CTS niet onder het verbod van artikel 6.1.1 van de bouwverordening. Voorts stelt CTS dat voor de voorbereidende werkzaamheden slechts 8 personen aanwezig waren en dat ook bij normaal gebruik van het pand door CTS gemiddeld circa 17 personen aanwezig zullen zijn.

2.1.1. Ingevolge artikel 6.1.1, eerst lid, onder a, van de bouwverordening is het verboden zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden, waarin meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders dan in een één- of meergezinshuis.

2.1.2. Ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom was het pand op het perceel, een nieuwbouwlocatie, niet geheel afgebouwd overeenkomstig de daarvoor verleende bouwvergunning en had CTS een deel van dit pand in gebruik zonder te beschikken over een gebruiksvergunning.

Artikel 6.1.1 van de bouwverordening bevat geen bepaling omtrent de aard van het daarin verboden gebruik. Onder gebruik als bedoeld in artikel 6.1.1 van de bouwverordening moet daarom worden verstaan het verrichten van werkzaamheden in een bouwwerk, anders dan ten behoeve van het bouwen van het bouwwerk overeenkomstig de bouwvergunning. Uit de gedingstukken is gebleken dat ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom op het perceel opslag- en kantoorwerkzaamheden plaatsvonden die onderdeel uitmaken van de normale bedrijfsexploitatie van CTS, zodat reeds hierom het pand op het perceel door CTS in gebruik was genomen zonder de ingevolge de bouwverordening vereiste gebruiksvergunning.

Mede gezien het zich in het dossier bevindende faxbericht van 22 december 2006 van [directeur] waarin staat dat 95 personen bij CTS werkzaam zijn, heeft de rechtbank terecht aannemelijk geacht dat in het bedrijfspand meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn. Dat op het moment van de controle, op basis waarvan het college is overgegaan tot handhaving, slechts 8 personen aanwezig waren, leidt niet tot een ander oordeel.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van overtreding van artikel 6.1.1 van de bouwverordening. Dat het college de last onder dwangsom op 29 december 2006 heeft ingetrokken en de overtreding van artikel 6.1.1 van de bouwverordening heeft gedoogd totdat het college op de aanvraag voor een gebruiksvergunning heeft beslist, omdat door het treffen van verschillende voorzieningen van een brandonveilige situatie geen sprake meer was en inmiddels een aanvraag om een gebruiksvergunning was ingediend, betekent niet dat het college niet bevoegd was de last onder dwangsom op te leggen. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.2. CTS betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het haar duidelijk moest zijn dat de last uitsluitend strekte tot een verblijfsverbod voor personen, behoudens de aanwezigheid van personen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van bouwwerkzaamheden waarvoor bouwvergunning is verleend. CTS stelt zich op het standpunt dat zij is gelast alle personen uit het pand te verwijderen en niemand meer toe te laten.

2.2.1. De last onder dwangsom houdt in dat het gebruik van het pand op het perceel als bedoeld in artikel 6.1.1 van de bouwverordening, dient te worden gestaakt. Deze last kan, gezien de strekking van voorschrift 6.1.1 van de bouwverordening en nu personeel van CTS blijkens de gedingstukken het pand reeds in gebruik had genomen voor opslag- en kantoorwerkzaamheden, slechts betrekking hebben op het staken van het gebruik van het pand door personeel van CTS. Hieruit volgt dat het verbod niet ziet op de aanwezigheid van personen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van bouwwerkzaamheden waarvoor bouwvergunning is verleend. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de last voldoende duidelijk is.

2.3. CTS betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 22 december 2006 aan haar kon worden geadresseerd, nu CTS slechts huurder van een gedeelte van het in opdracht van [Vastgoed B.V] nieuwgebouwde pand is en [directeur] niet alleen beslissingsbevoegd is.

2.3.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat CTS in staat was de overtreding te beëindigen. Gezien de gedingstukken is [Beheer B.V] waarvan [directeur] enig aandeelhouder en bestuurder is, enig aandeelhouder en bestuurder van CTS. Ook van [Vastgoed B.V] is [Beheer B.V] enig aandeelhouder en bestuurder. Bovendien heeft CTS zich, in de persoon van [directeur], gezien de gedingstukken, gepresenteerd alsof zij het feitelijk in haar macht had de overtreding te beëindigen. Voorts was CTS in staat de overtreding te beëindigen, omdat slechts zij het pand op het perceel in gebruik had genomen zonder de vereiste gebruiksvergunning. Dat CTS huurder van een gedeelte van het pand was en [Vastgoed Beheer B.V.] uiteindelijk de benodigde gebruiksvergunning heeft aangevraagd, leidt, gezien het vorenstaande, niet tot het oordeel dat CTS in dit geval niet als overtreder kon worden aangemerkt.

2.4. De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 6.1.1 van de bouwverordening, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

2.5. CTS betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de begunstigingstermijn niet onredelijk kort was.

2.5.1. Gelet op de aard van de overtreden norm, de ten tijde van het nemen van het handhavingsbesluit bekend zijnde feiten en omstandigheden omtrent de brandveiligheidsituatie van het pand en gezien het risico dat de gebruikers van een pand dat niet aan de geldende brandveiligheidsvoorschriften voldoet, kunnen lopen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot de gestelde korte begunstigingstermijn. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.6. Het beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009

374.