Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI1040

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
200805122/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Weert (hierna: het college) het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel aan de [locatie] te Weert (hierna: het perceel) en de daarop aangebrachte puinverharding geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805122/1.

Datum uitspraak: 15 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Weert,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 mei 2008 in zaak

nr. 08/155 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Weert.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Weert (hierna: het college) het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel aan de [locatie] te Weert (hierna: het perceel) en de daarop aangebrachte puinverharding geweigerd.

Bij besluit van 11 december 2007 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 mei 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 september 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door M. Beeren, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. R.G.J. Deuss, advocaat te Weert, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" heeft het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "burgerwoning toegestaan".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 6, van de planvoorschriften, is een agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op:

- het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder mede begrepen de houtteelt, en/of

- het voortbrengen van dieren en dierlijke producten.

Ingevolge artikel 4.1.1. onder a, van de planvoorschriften, zijn de als "Agrarisch gebied" aangegeven gronden bestemd voor agrarisch grondgebruik. Een en ander met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen.

Ingevolge artikel 4.3.1. van de planvoorschriften is het verboden de in dit artikel bedoelde gronden en opstallen te gebruiken in strijd met de bestemming.

Ingevolge artikel 4.3.2., aanhef en onder a, van de planvoorschriften, wordt onder gebruik in strijd met de planvoorschriften in elk geval begrepen gebruik van de grond voor het amoveren van wegen en paden alsmede het aanleggen van verharde wegen.

Ingevolge het bepaalde in de aanhef en onder b, van dat artikel, wordt onder gebruik in strijd met de planvoorschriften in elk geval begrepen gebruik van de grond voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest.

Ingevolge artikel 4.3.3. aanhef en onder b, van de planvoorschriften, wordt onder gebruik in strijd met de bestemming in elk geval begrepen gebruik van de opstallen zijnde de woning dan wel behorende bij de woning voor:

- (detail)handelsdoeleinden;

- bedrijfsdoeleinden, behoudens aan huis gebonden beroepen.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het perceel niet in strijd met de bestemming wordt gebruikt. Hij voert daartoe aan dat door het tegen betaling omploegen van percelen van derden met behulp van twee machines, zijnde een landbouwtrekker en een laadschop, sprake is van uitoefening van een loonbedrijf en dat het stallen van deze machines in verband daarmee is aan te merken als een met de bestemming strijdig bedrijfsmatig gebruik.

2.2.1. [belanghebbende] heeft gesteld dat hij als hobby over een tweetal als antiek te bestempelen landbouwmachines (een tractor en een laadschop) beschikt, waarmee hij een enkele keer per jaar bij wijze van burenhulp werkzaamheden verricht. Uit de stukken noch uit hetgeen hierover ter zitting naar voren is gebracht, is gebleken dat deze activiteiten een zodanige aard en omvang hebben dat sprake zou zijn van een met het bestemmingsplan strijdige bedrijfsuitoefening. In dit verband komt mede betekenis toe aan de werkzaamheden van [belanghebbende] als internationaal vrachtwagenchauffeur. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het perceel niet in strijd met de bestemming wordt gebruikt. Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ten tijde van het besluit op bezwaar van 11 december 2007 het perceel niet was verhard met puin en dat dientengevolge geen sprake was van een met de bestemming strijdige situatie. Hij betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat in strijd met de bestemming puin op het perceel wordt opgeslagen.

2.3.1. Naar aanleiding van het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen met het bestemmingsplan strijdige verharding van het perceel, heeft het college op 10 november 2007 onderzoek laten verrichten naar de aanwezigheid van verharding. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van eveneens 10 november 2007. Volgens het rapport is het perceel met houtsnippers bedekt en is de bodem onder die houtsnippers op meerdere plaatsen onderzocht. Daarbij is geen met de bestemming strijdige verharding aangetroffen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college op basis van het rapport aannemelijk mocht achten dat op het gehele perceel de verharding is verwijderd. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, is geen grond gelegen om aan de deugdelijkheid van het onderzoek of het rapport te twijfelen. De verwijzing door [appellant] naar foto's uit het jaar 2006 biedt geen grond voor een ander oordeel, omdat die foto's zijn genomen vóór 10 november 2007. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank het college terecht onbevoegd geacht om ter zake handhavend op te treden.

Voor zover de door [appellant] overgelegde foto's aannemelijk maken dat [belanghebbende] de verharding zodanig heeft verwijderd dat paden zijn ontstaan en dat een gedeelte van de verharding dienst doet als vloer van een nieuwe berging, leidt dat niet tot ander oordeel, aangezien die feiten niet in strijd zijn met de bestemming.

Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat op het perceel in strijd met de bestemming puin wordt opgeslagen en dat het besluit op bezwaar om die reden niet in stand mocht worden gelaten, treft geen doel. Zijn verzoek om handhaving zag niet op de opslag van puin en het in bezwaar gehandhaafde primaire besluit evenmin.

2.4. Nu geen sprake is van een overtreding heeft het college zich terecht onbevoegd geacht om handhavend op te treden en wordt niet meer toegekomen aan het betoog van [appellant] dat hij geluidoverlast ondervindt van de landbouwtrekker en laadschop.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009

163-560.