Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI0739

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
11-06-2009
Zaaknummer
200805898/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8415, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtshalve weigering / WBV 2007/11 / appellabel besluit

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/205 met annotatie van BKO
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805898/1/V2.

Datum uitspraak: 20 maart 2009

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 1 juli 2008 in zaak nr. 08/2874 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) het door [appellant] (hierna: de vreemdeling) gemaakte bezwaar tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) (hierna: de Regeling) niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 juli 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 29 juli 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De Regeling is neergelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000, nr. 2007/11 (hierna: het WBV 2007/11) en in werking getreden op 15 juni 2007. Volgens deze regeling wordt onder bepaalde voorwaarden een verblijfsvergunning verleend aan vreemdelingen die onder de Vreemdelingenwet (oud) een asielaanvraag hebben ingediend en nog immer in Nederland zijn.

Met het oog op een efficiënte en ordelijke afwikkeling van de Regeling heeft de staatssecretaris ervoor gekozen om ambtshalve te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking kan komen voor verlening van een verblijfsvergunning en een vreemdeling ten aanzien van wie geoordeeld wordt dat zulks het geval is, een aanbod te doen. Zodanig aanbod behelst niet de verlening van de verblijfsvergunning, doch slechts de toezegging om daartoe over te gaan, nadat een vreemdeling aan wie het aanbod wordt gedaan aan de daaraan verbonden voorwaarden heeft voldaan, zoals het onvoorwaardelijk intrekken van lopende toelatingsprocedures. Waar de ambtshalve verlening van de verblijfsvergunning geschiedt op de voet van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), gelezen in samenhang met artikel 3.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel 3.17a, aanhef en onder b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, stoelt het daaraan voorafgaande aanbod niet op enige grondslag in de Vw 2000 of de daarop berustende bepalingen. Het aanbod, als hier bedoeld, vloeit voort uit de wijze waarop de staatssecretaris uitvoering wenst te geven aan de Regeling, als beschreven in het WBV 2007/11.

In aanvulling op de Regeling heeft de staatssecretaris toegelicht dat een vreemdeling aan wie niet ambtshalve een aanbod is gedaan, dit aan de orde kan stellen door het indienen van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dat, indien in het kader van de behandeling van die aanvraag blijkt dat aan een vreemdeling ten onrechte niet terstond ambtshalve een aanbod is gedaan, dit niet tot inwilliging van de aanvraag leidt, doch tot het alsnog doen van zodanig aanbod.

Uit het voorgaande volgt dat bij de uitvoering van de Regeling uitdrukkelijk ervoor is gekozen om de verlening van een verblijfsvergunning te doen voorafgaan door een aanbod. Het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod, wordt derhalve geacht te zijn gericht op het alsnog verkrijgen van zodanig aanbod.

2.2. In de grieven klaagt de vreemdeling dat de rechtbank, door te overwegen dat de staatssecretaris het door hem gemaakte bezwaar op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard, niet heeft onderkend dat het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), dan wel een handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de

Vw 2000.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 3 december 2008 in de zaken nrs. 200802873/1 en 200803104/1; www.raadvanstate.nl) is het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Nu echter met de mogelijkheid van het indienen van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier, noch met de mogelijkheid van het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een uitzettingshandeling voorzien is in een adequate rechtsgang, waarin de vreemdeling aan wie niet ambtshalve een aanbod is gedaan, dit aan de orde kan stellen teneinde alsnog zodanig aanbod te verkrijgen, dient het niet ambtshalve doen van een aanbod, bezien in het licht van de ratio van de uitbreiding van het beschikkingsbegrip in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 te worden aangemerkt als een handeling in de zin van deze bepaling.

2.2.2. Met het oog op het aanvangen van de in artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 neergelegde termijn van vier weken voor het aanwenden van rechtsmiddelen dient op ondubbelzinnige wijze uit een specifiek ten aanzien van de vreemdeling als zodanig kenbare handeling van de staatssecretaris te kunnen worden afgeleid dat aan die vreemdeling niet ambtshalve een aanbod wordt gedaan. De vreemdeling is op minderjarige leeftijd tezamen met zijn ouders Nederland ingereisd, heeft tezamen met hen de hier te lande gevoerde verblijfsrechtelijke procedures doorlopen en maakt, naar gesteld en onbestreden is, nog steeds feitelijk deel uit van het gezin van zijn ouders. Bij brieven van 4 september 2007 heeft de staatssecretaris aan de ouders van de vreemdeling ambtshalve een aanbod op grond van de Regeling gedaan. Na schriftelijk en telefonisch contact hierover heeft de gemachtigde van de vreemdeling en diens ouders bij brief van 2 oktober 2007 het op dat moment aanhangige bezwaar gericht tegen de weigering om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, voor zover het de ouders betreft ingetrokken en voor zover het de vreemdeling betreft gehandhaafd. De staatssecretaris heeft vervolgens bij brieven van 10 oktober 2007 medegedeeld dat opdracht is gegeven om ten behoeve van de ouders een verblijfsdocument aan te maken. Voor zover tijdens voormeld telefonisch contact is vernomen dat en waarom aan de vreemdeling niet ambtshalve een aanbod op grond van de Regeling wordt gedaan, geldt dat vanwege de wijze van verstrekking van deze informatie dit niet kan worden aangemerkt als een kenbare handeling, als hiervoor bedoeld. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden kan evenwel uit de brieven van de staatssecretaris van 10 oktober 2007 op ondubbelzinnige wijze worden afgeleid dat aan de vreemdeling niet ambtshalve een aanbod wordt gedaan en is daarmee sprake van evenbedoelde kenbare handeling. Nu de vreemdeling vervolgens op 22 oktober 2007 tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris het gemaakte bezwaar op goede gronden niet ontvankelijk heeft verklaard.

De grieven slagen.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling op grond van het vorenoverwogene het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 17 januari 2008 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 juli 2008 in zaak nr. 08/2874;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 17 januari 2008, kenmerk 9710-29-8000;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep en beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de vreemdeling onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de vreemdeling het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Vreken

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2009

434.

Verzonden: 20 maart 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak