Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI0450

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
200806245/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) zijn beslissing om op 6 mei 2008 jegens [appellant] spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van [appellant] komen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2009/32 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806245/1.

Datum uitspraak: 8 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) zijn beslissing om op 6 mei 2008 jegens [appellant] spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van [appellant] komen.

Bij besluit van 17 juli 2008 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. N.A. de Graaff, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In artikel 4.2.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam (hierna: APV), zoals dit luidde ten tijde van het bestreden besluit, is bepaald dat de inzameling van afvalstoffen kan plaatsvinden via een door of vanwege de gemeente verstrekte of geplaatste inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen. Ingevolge het tweede lid kan het college aanwijzen via welk(e) inzamelmiddel(en) of -voorziening(en) de inzameling van bepaalde categorieën huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

Ingevolge artikel 4.2.11, eerste lid (oud), van de APV is het voor de gebruiker van een perceel ten behoeve waarvan krachtens artikel 4.2.4, tweede lid, een inzamelvoorziening voor een bepaalde categorie afvalstoffen is aangewezen, verboden de desbetreffende afvalstoffen anders aan te bieden dan via die inzamelvoorziening.

2.2. De toepassing van bestuursdwang heeft bestaan in het verwijderen van een, in het proces-verbaal zo genoemde, apotheektas waarin restafval (etensresten, papierresten en verpakkingsmateriaal) aanwezig waren, welke tas op 6 mei 2008 is aangetroffen naast een afvalcontainer aan de [locatie] ter hoogte van nummer […], te [plaats]. Volgens het college is deze apotheektas, blijkens daarin aangetroffen materiaal met naam- en adresgegevens, afkomstig van [appellant] en heeft hij deze in strijd met artikel 4.2.11, eerste lid (oud), van de APV ter inzameling aangeboden.

2.3. [appellant] erkent dat de tas van hem afkomstig was en dat hij deze naast de container heeft geplaatst. Hij betoogt dat wanneer de container geblokkeerd is, hij als gevolg van zijn lichamelijke beperking het afval er niet in kan deponeren. Hij stelt dan gedwongen te zijn het afval naast de container te plaatsen.

2.3.1. Het college betoogt dat is geconstateerd dat de inzamelvoorziening goed functioneerde en niet vol was, zodat het huishoudelijk afval in de inzamelvoorziening had kunnen worden gedeponeerd. De omstandigheid dat [appellant] motorische beperkingen heeft waardoor hij niet lang een zwaar gewicht kan tillen, kan daaraan volgens het college niet afdoen. Het college gaat ervan uit dat iemand die in weerwil van een dergelijke lichamelijke beperking in staat is zelfstandig te wonen, in staat moet worden geacht zijn huisvuil - als onderdeel van het leven van alledag - op juiste wijze aan te bieden.

2.3.2. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de overtreder de kosten verschuldigd die zijn verbonden aan de toepassing van bestuursdwang, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2.3.3. Niet in geschil is dat de zogenoemde apotheektas afkomstig was van [appellant] en door hem naast de container is geplaatst. Volgens het proces-verbaal van 6 mei 2008 functioneerde de inzamelvoorziening goed en was zij niet geheel gevuld. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat in het mechaniek van de container huisvuil vast zat. Daarbij overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat daarover een zogeheten Melding Systeem Buitenruimte bij het college is gedaan. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat [appellant] artikel 4.2.11, eerste lid (oud), van de APV heeft overtreden.

Het enkele feit dat [appellant] de door hem geschetste motorische beperkingen heeft, levert naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende grond op voor de conclusie dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de kosten die zijn verbonden aan de toepassing van bestuursdwang, te zijnen laste behoorden te komen. Nu ook van bijkomende omstandigheden niet is gebleken, treft het betoog dat ten onrechte geen rekening is gehouden met deze beperkingen geen doel.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009

271-209.