Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI0448

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
200802540/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Lisse (hierna: de raad) bij besluit van 21 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802540/1.

Datum uitspraak: 8 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellante sub 1C],

allen wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2A]en [appellant sub 2B], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Lisse (hierna: de raad) bij besluit van 21 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellante sub 1C] (hierna: [appellanten sub 1]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2008, en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna: [appellanten sub 2]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2008, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 3 mei 2008.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft het college van burgemeester en wethouders van Lisse namens de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten sub 1], alsmede [appellanten sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2009, waar [appellanten sub 1], in de persoon van [appellant sub 1A], en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.P.M. Severijns, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar de raad, vertegenwoordigd door mr. I.C.M. Dirven en mr. A.K. Koornneef, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, bijgestaan door ir. G.J.G. Bokelman, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Met het plan wordt, voor zover hier van belang, beoogd een geactualiseerde planologische regeling te geven voor het bedrijventerrein "Dever" (hierna: het bedrijventerrein) in het zuiden van Lisse. Aan het bedrijventerrein wordt met het plan tevens een verdere uitbreiding gegeven in zuidelijke richting (hierna: de uitbreiding). De beroepen richten zich tegen de uitbreiding.

Procedurele aspecten

2.3. [appellanten sub 1] betogen dat het college heeft miskend dat bepalingen uit de Awb en de WRO zijn geschonden, nu volgens hen niet is voldaan aan de eisen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, en met name aan de eisen die zijn vervat in artikel 3:14 van de Awb. In dit verband voeren zij aan dat zij niet in kennis gesteld zijn van de subsidievoorwaarden zoals vermeld in een brief van de provincie Zuid-Holland van 7 juli 2004.

2.3.1. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 3:11 van de Awb, voor zover van belang, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.3.2. In de brief van de provincie Zuid-Holland van 7 juli 2004 aan het college van burgemeester en wethouders van Lisse is het volgende vermeld:

"De subsidie wordt verleend voor de uitvoering van het Combinatieproject herontwikkeling bedrijventerrein Dever. De uitvoering van het project dient plaats te vinden overeenkomstig het door u aangegeven projectplan. Het is niet toegestaan hier in betekenende mate van af te wijken, tenzij hiervoor voorafgaand schriftelijke toestemming is verleend door ons."

De Afdeling stelt voorop dat artikel 3:14 van de Awb hier, anders dan gesteld, toepassing mist, omdat de door [appellant sub 1A] bedoelde stukken en gegevens geen nieuwe stukken of gegevens zijn als bedoeld in die bepaling, nu zij dateren van voor de vaststelling van het plan.

In het ontwerp van het plan dat ter inzage heeft gelegen, zijn gegevens vermeld inzake de uitvoerbaarheid van het plan. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat in de brief van 7 juli 2004 nadere gegevens waren vermeld die redelijkerwijs nodig waren voor de beoordeling van het plan en dus ter inzage dienden te worden gelegd. Ook anderszins is niet gebleken dat niet is voldaan aan de wettelijke eisen met betrekking tot de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. In dit verband merkt de Afdeling nog op dat voor zover [appellanten sub 1] hebben beoogd te stellen dat voor de uitbreiding ten onrechte subsidie is verleend, de besluitvorming dienaangaande thans niet ter toets ligt zodat de Afdeling daaraan in zoverre voorbij moet gaan.

Het betoog faalt.

2.4. [appellanten sub 1] stellen voorts dat hun schriftelijke bedenkingen van 29 oktober 2007 ten onrechte niet zijn vermeld of meegenomen in het bestreden besluit en dat ook anderszins door hen aangedragen gegevens ontbreken.

2.4.1. In het bestreden besluit zijn onder nummer 3 van onderdeel VI de bedenkingen van [appellanten sub 1] vermeld. Daarbij is vermeld dat bij die bedenkingen is verwezen naar de eerder bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ook is opgemerkt dat zowel tijdens als voorafgaand aan de hoorzitting nog nadere stukken zijn ingediend. Drie aanvullende brieven van [appellanten sub 1] zijn met zoveel woorden genoemd.

Geen wettelijke bepaling verzet zich ertegen dat het college de bedenkingen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, geeft op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat door [appellanten sub 1] ingebrachte bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Het betoog faalt.

2.5. [appellanten sub 1] brengen tot slot als procedureel bezwaar naar voren dat het verslag van de op 10 december 2007 gehouden hoorzitting niet volledig is.

2.5.1. De Afdeling ziet in het aldus gestelde evenwel geen grond voor het oordeel dat het plan op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, nu uit de stukken naar voren komt, dat de punten die naar stellen van [appellanten sub 1] in de verslaglegging ontbraken reeds uit andere hoofde aan het college bekend waren.

2.6. Het college en de raad hebben ter zitting betoogd dat het door [appellanten sub 1] alsmede door [appellanten sub 2] overgelegde stuk van Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs BV van 23 januari 2009 wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten.

2.6.1. Het desbetreffende stuk is op 13 februari 2009 bij de Raad van State ingekomen en is, zoals het zelf uitdrukkelijk aangeeft, opgesteld als onderbouwing van het beroepschrift. Nu dit stuk eerst kort voor de zitting beschikbaar is gekomen en met name een aantal niet eerder in de zienswijzen-, bedenkingen-, dan wel beroepsfase aangevoerde gronden bevat was het, mede gelet op de aard en inhoud van die gronden, voor de wederpartij redelijkerwijze niet mogelijk ter zitting op passende wijze te reageren. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van hen redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat zij die gronden eerder naar voren hadden gebracht, dient het stuk, voor zover dat betrekking heeft op de niet eerder aangevoerde gronden, met het oog op de goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten.

Provinciaal beleid

2.7. [appellanten sub 1] zowel als [appellanten sub 2] hebben aangevoerd dat de uitbreiding van het bedrijventerrein niet past binnen het beleid zoals neergelegd in het streekplan Zuid-Holland West 2003 (hierna: het streekplan). Daarbij wijzen zij er op dat op de streekplankaart ter plaatse geen paarse inkleuring ten behoeve van een bedrijventerrein heeft plaatsgevonden, maar een inkleuring heeft ten behoeve van stads- en dorpsgebied.

2.7.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de totstandkoming van het streekplan is gekozen voor een verlegging van de stedelijke contour waardoor het gebied ten zuiden van het bestaande bedrijventerrein binnen deze contour is komen te liggen; in de verwezenlijking van de uitbreiding door middel van een paarse inkleuring was destijds niet uitdrukkelijk voorzien. Gelet op het op de inrichting van het stedelijk gebied betrekking hebbende Structurerend Element 13 (hierna: SE 13) heeft het college echter ruimte gezien voor de uitbreiding.

2.7.2. Niet in geding is dat de uitbreiding van het bedrijventerrein binnen de rode contouren valt zoals deze zijn aangeduid op de plankaart van het streekplan en voor de gemeente Lisse nader zijn aangeduid op kaartblad 3 van de kaartbladen inzake concrete beleidsbeslissingen. Het streekplan is, voor zover hier van belang, onherroepelijk geworden met de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2004 (in zaak nr. 200301816/1).

SE 13 betreffende de inrichting van het stedelijk gebied, een van de in het streekplan neergelegde zogenoemde structurerende elementen waarvan afwijking slechts is toegestaan via een streekplanherziening, luidt als volgt:

"Binnen de rode contouren wordt per saldo uitgegaan van behoud van functies. Dit om te voorkomen dat al te gemakkelijk functies als bedrijventerreinen, sportvelden en volkstuinen uit het stedelijk gebied verdwijnen. Als dergelijke transformaties onvermijdelijk zijn, zal de handelende gemeente moeten aangeven hoe deze functies (lokaal c.q. regionaal) worden gecompenseerd. Bij grootschalige transformatie of aanvulling van functies in bestaande wijken of buurten waarbij meer dan 200 woningen zijn betrokken, dient er binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit streekplan, een gemeentelijke structuurvisie c.q. regionaal afgestemde woonvisie te zijn. Deze (woon)visies behoeven instemming van Gedeputeerde Staten.

Toelichting: De verantwoordelijkheid voor het beleid binnen de rode contouren ligt primair bij de gemeenten. Het gaat erom dat door de gemeenten per saldo helder wordt gemaakt wat de consequenties zijn op lokaal en op regionaal niveau. Het zwaartepunt zal liggen op de beoordeling van de gevraagde gemeentelijke structuurvisies c.q. regionaal afgestemde (woon)visies."

2.7.3. De Afdeling stelt voorop dat de op de streekplankaart ter plaatse aangebrachte aanduiding "Stads- en dorpsgebied", waaronder blijkens het streekplan mede stedelijke voorzieningen zijn te verstaan, op zich niet in de weg staat aan een bestemming ten behoeve van bedrijfsbebouwing. Gegeven voorts de omstandigheid dat SE 13 ziet op het behoud van functies als bedrijventerreinen en de uitbreiding mede bedoeld is ter compensatie van de ontwikkeling van het binnen de rode contouren van Lisse gelegen voormalige bedrijventerrein "Greveling" tot woongebied, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitbreiding niet in strijd is met het streekplan.

Met betrekking tot de stelling van [appellanten sub 1] dat geen sprake is van compensatie nu het voormalige bedrijventerrein "Greveling" al was gecompenseerd met het voormalige parkeerterrein "Nissan" overweegt de Afdeling dat gebleken is dat laatstgenoemd terrein reeds van oudsher als bedrijventerrein was bestemd, zodat niet valt in te zien dat het standpunt van het college dat in zoverre slechts sprake was van intensivering en niet van een compensatie voor het bedrijventerrein "Greveling", onjuist is. In dit verband wijst de Afdeling er nog op dat ook in de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2004 is aangenomen dat het gebied bij bedrijventerrein "Dever" dient ter uitbreiding van en in aansluiting op dit bedrijventerrein.

Nut en noodzaak

2.8. [appellanten sub 1] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan voor zover daarmee uitbreiding van het bedrijventerrein is voorzien, nu het nut en de noodzaak van de uitbreiding niet zijn aangetoond. Daarbij hebben zij gewezen op diverse andere locaties voor bedrijventerreinen en leegstand van bestaande bedrijfsgebouwen. Naar hun mening is het verkrijgen van subsidie de enige reden dat de uitbreiding niettemin wordt doorgezet.

2.8.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het nut en de noodzaak van het bedrijventerrein voldoende zijn aangetoond. Hierbij heeft het gewezen op de "Behoefteraming bedrijventerreinen Rijn- en Bollenstreek", een door Ecorys Nederland BV uitgevoerd onderzoek in opdracht van het Regionaal Economisch Overleg Rijn- en Bollenstreek (hierna: de behoefteraming). Het feit dat enkele bedrijfspanden in de gemeente Lisse leegstaan betreft slechts een momentopname terwijl de behoefteraming voor langere termijn van belang is, aldus het college. Ook heeft het college opgemerkt dat de leegstand niet zoveel zegt over de vraag naar bedrijfsruimte aangezien de vraag anders kan zijn dan het nu aangeboden vastgoed. Verder heeft het college aangegeven dat de behoefteraming een regionale raming betreft tot 2020 en dat de regio een relatief laag leegstandspercentage kent.

2.8.2. Gelet op de door het college gegeven motivering bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat nut en noodzaak van de uitbreiding van het bedrijventerrein in voldoende mate zijn aangetoond. Met name is niet gebleken dat de behoefteraming gebreken of onjuistheden vertoont, op grond waarvan het college zich daarop bij het nemen van het bestreden besluit op 12 februari 2008 niet had mogen baseren. Gelet hierop is evenmin aannemelijk dat het plan slechts is opgesteld ter verkrijging van een subsidie.

Het betoog faalt.

Verstening landschap, uitzicht, lichtoverlast en luchtkwaliteit

2.9. [appellanten sub 1] zowel als [appellanten sub 2] betogen dat met de uitbreiding van het bedrijventerrein, mede gelet op de hoogte van de met het plan mogelijk gemaakte bebouwing en de afstand tot hun woningen, sprake zal zijn van een onaanvaardbare aantasting van het landschap. Daarbij voeren zij onder meer aan dat zij thans vrij uitzicht hebben over de landerijen en dat verdere verstening de woonomgeving onevenredig nadelig zal aantasten. [appellanten sub 1] hebben ook aangegeven dat met de in het plan opgenomen groenvoorzieningen de aantasting van het landschap niet wordt weggenomen.

[appellanten sub 2] betogen dat met de uitbreiding van het bedrijventerrein alsmede de op grond daarvan mogelijk gemaakte bebouwing een onaanvaardbare lichthinder zal ontstaan die afbreuk zal doen aan hun woon- en leefklimaat, met name in de winterperiode.

2.9.1. Het college heeft zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van een aantasting van het uitzicht maar dat niet kan worden gesproken van een onevenredig nadeliger situatie. Hierbij heeft het opgemerkt dat het desbetreffende gebied reeds bij de vaststelling van het streekplan binnen de rode contouren is gebracht en dat daarmee de mogelijkheid in het leven is geroepen het gebied stedelijk in te vullen. Het college heeft aangegeven dat, ook wat betreft de hoogte van de bedrijfsgebouwen, in zijn ogen de afstand tot de woningen voldoende is en opgemerkt dat sprake is van een tussenliggende groenstrook.

2.9.2. De Afdeling stelt voorop dat geen recht bestaat op blijvend vrij uitzicht. Gegeven voorts de afstand tussen de voor bedrijfsbebouwing bestemde grond en de woningen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] van minimaal 40 meter, bestaat, mede gelet op hetgeen het college heeft overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die gemoeid zijn met de uitbreiding van het bedrijventerrein dan aan de nadelige gevolgen die hieruit voortvloeien voor [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] wat betreft de verstening van het landschap en de aantasting van het uitzicht. Hierbij is ook in aanmerking genomen dat de maximaal toelaatbare bouwhoogte van bedrijfsgebouwen op de locatie voor de uitbreiding van het bedrijventerrein ingevolge artikel 17 van de planvoorschriften gelezen in samenhang met de plankaart 10 meter bedraagt.

Evenmin is, mede gelet op de afstand van het bedrijventerrein tot de woning van [appellanten sub 2], aannemelijk dat de lichthinder die de uitbreiding van het bedrijventerrein met zich kan brengen zo ernstig is dat het college niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat de algemene belangen bij de uitbreiding zwaarder wegen dan de belangen van [appellanten sub 2] bij het voorkomen van lichthinder.

2.10. Voor zover [appellanten sub 1] nog de vrees hebben uitgesproken voor een onaanvaardbare verslechtering van de luchtkwaliteit, overweegt dat Afdeling dat dit betoog faalt, nu hun enkele stelling dat sprake zal zijn van een enorme toename van fijnstof geen aanleiding geeft te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het terzake uitgevoerde onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het standpunt van het college dat met het plan wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Besluit luchtkwaliteit 2005.

Milieucategorie-indeling

2.11. [appellanten sub 2] betogen dat, gelet op de afstand van het bedrijventerrein tot hun woningen, de bij het plan mogelijk gemaakte milieucategorieën van bedrijven ontoelaatbaar zijn nu door middel van vrijstelling ook de vestiging van een bedrijf, behorend tot een hogere milieucategorie, zoals een overlast veroorzakend bedrijf met koelwagens, kan worden toegestaan.

2.11.1. Het college heeft ingestemd met de bij recht toegestane milieucategorieën en eveneens met de vrijstellingsbepaling in artikel 3, vijfde lid, van de planvoorschriften. De door [appellanten sub 2] bedoelde vrijstellingsbevoegdheid ziet slechts op bedrijven die wat betreft feitelijke bedrijfsactiviteiten vallen binnen de op de plankaart aangegeven categorieaanduiding. Of van dergelijke feitelijke activiteiten sprake is valt buiten het bestek van deze procedure, aldus het college.

2.11.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met de plankaart, zijn, voor zover van belang, in het gebied voor de uitbreiding van het bedrijventerrein bij recht bedrijven mogelijk in de categorieën 1 tot en met 3 zoals aangegeven in de van de planvoorschriften deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid teneinde bedrijven toe te laten die voorkomen in één categorie hoger dan genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm alsmede getoetst aan de aangegeven maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden te behoren tot de algemeen toelaatbare categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en waarbij geldt dat risicovolle en geluidhinderlijke inrichtingen niet zijn toegestaan.

2.11.3. Wat betreft de stellingname van [appellanten sub 2] tegen de komst van een bedrijf met koelwagens overweegt de Afdeling dat, indien sprake is van een bedrijfsactiviteit waarbij ten behoeve van vervoer vrachtauto's met koelinstallaties in de open lucht worden gestald, dergelijke activiteiten onder de blijkens de bij de planvoorschriften behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 4 vallen. Een dergelijke bedrijfsactiviteit zou ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de planvoorschriften slechts kunnen worden toegestaan in zoverre deze wat betreft milieuaspecten, waaronder geluidhinder, geacht kan worden te behoren tot een algemeen ter plaatse toegestane bedrijfsactiviteit in categorie 3. Derhalve valt niet in te zien dat een zodanig bedrijf een zwaardere inbreuk op het woongenot van [appellanten sub 2] met zich zou kunnen brengen.

Het betoog faalt.

Geluid en verkeer

2.12. [appellanten sub 1] vrezen, met name wegens de geringe afstand tot hun woningen, voor een onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein. Daarbij voeren zij onder meer aan dat een ontsluiting van het uitgebreide bedrijventerrein, voor zover daarin al is voorzien in het plan, gelet op het vrachtverkeer, een enorme overlast van geluid zal betekenen voor de woning van [appellant sub 1B]. Ook [appellanten sub 2] hebben vrees geuit voor onaanvaardbare toename van geluidhinder als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein en er overigens op gewezen dat met de uitbreiding een onevenredige verkeersoverlast zal ontstaan, mede gelet op de verkeersaantrekkende werking van de bestaande en toekomstige bedrijven op het bedrijventerrein.

2.12.1. Met betrekking tot de gestelde geluidhinder, met name die als gevolg van verkeer op het nieuw te realiseren gedeelte van het bedrijventerrein, overweegt de Afdeling als volgt.

In het plan zijn de ontsluitingswegen voor het nieuwe gedeelte van het bedrijventerrein niet vastgelegd. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder g, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de kaart voor "Bedrijfsdoeleinden" aangewezen gronden tevens bestemd voor (ontsluitings)wegen met een breedte van ten minste 12 meter, waarbij de gezamenlijke rijbaanbreedte ten minste 5,5 meter bedraagt.

Het voorgaande betekent dat de invloed van het verkeer op de omgeving niet kan worden beoordeeld en met name geluidhinder ten gevolge van verkeer op de aan te leggen ontsluitingswegen in het nieuwe gedeelte van het bedrijventerrein niet uitgesloten kan worden geacht. Noch uit de plantoelichting of de reactie van de raad op de zienswijzen, noch uit het bestreden besluit blijkt van enige afweging of enig onderzoek omtrent de mogelijke geluidhinder.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de uit artikel 77 van de Wet geluidhinder, zoals deze bepaling destijds luidde, voortvloeiende verplichting tot het instellen van een onderzoek bij het voorbereiden van een bestemmingsplan is miskend.

Het betoog slaagt reeds op grond van het vorenstaande, zodat hetgeen in dit verband voorts is aangevoerd geen behandeling meer behoeft.

De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1], en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van de meest zuidelijke gronden in het plangebied, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart, in strijd is met artikel 77 van de Wet geluidhinder. Door dit plandeel niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Voorts ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf voorziend goedkeuring te onthouden aan voormeld plandeel.

2.13. Ten aanzien van [appellanten sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellanten sub 2] dient het college op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 12 februari 2008, kenmerk PZH-2008-56636, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van de meest zuidelijke gronden in het plangebied, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart;

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II bedoelde plandeel;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 12 februari 2008;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Zuid-Holland aan [appellanten sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt

- ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellanten sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellanten sub 2], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Matulewicz

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009

45-583.

plankaart