Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI0447

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
200805734/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel (hierna: het college) aan Vodafone Libertel N.V. (hierna: Vodafone) vrijstelling verleend voor het plaatsen van een antennemast op het perceel Skillaerderdyk 15 te Mantgum (hierna: het perceel). Bij besluit van 24 november 2006 heeft het college bouwvergunning verleend voor dit bouwplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805734/1/H1.

Datum uitspraak: 8 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 18 juni 2008 in zaak nr. 07/1163 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Littenseradiel (hierna: het college) aan Vodafone Libertel N.V. (hierna: Vodafone) vrijstelling verleend voor het plaatsen van een antennemast op het perceel Skillaerderdyk 15 te Mantgum (hierna: het perceel). Bij besluit van 24 november 2006 heeft het college bouwvergunning verleend voor dit bouwplan.

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juni 2008, verzonden op 20 juni 2008, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 augustus 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2009, waar [appellant a] in persoon en bijgestaan door J.P.E. Baakman, gemachtigde, en het college vertegenwoordigd door B. Kroese, ambtenaar van de gemeente zijn verschenen. Voorts is ter zitting Vodafone, vertegenwoordigd door E.H.J. van Eussen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in een vakwerkmast met een hoogte van 40 m, waarin drie GSM-antennes worden geplaatst. Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met de op het perceel ingevolge het bestemmingsplan "Mantgum 89" rustende bestemming "Opslagdoeleinden". Het college heeft ten behoeve van het bouwplan vrijstelling verleend ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985.

2.2. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college vrijstelling had behoren te weigeren gelet op gezondheidsrisico's door blootstelling aan elektromagnetische velden die worden veroorzaakt door de in de mast geplaatste antennes.

2.3. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar ten aanzien van mogelijke gezondheidsrisico's als gevolg van het bouwplan gebaseerd op het advies van de Gezondheidsraad van 28 juni 2004, naar aanleiding van het onderzoek van TNO van september 2003 naar de effecten van onder meer GSM-signalen op het welbevinden en op de cognitie. De conclusie van dat onderzoek is dat op grond van de resultaten uit het TNO-onderzoek niet kan worden vastgesteld of een oorzakelijk verband bestaat tussen blootstelling aan elektromagnetische velden enerzijds en vermindering van het welbevinden of schade aan de gezondheid anderzijds. Vaststaat dat het bouwplan voldoet aan de door de Gezondheidsraad vastgestelde, op internationale blootstellingslimieten gebaseerde, strenge veiligheidsmarges. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om aan te nemen dat de Gezondheidsraad niet een ter zake deskundige en onafhankelijke instantie is. Dat enkele leden nevenfuncties bekleden geeft daartoe onvoldoende grond. De Afdeling acht het in strijd met de goede procesorde dat [appellanten] eerst ter zitting in hoger beroep concrete bezwaren hebben geuit ten aanzien van een met name genoemd lid van de Gezondheidsraad, nu het college daarop niet behoorlijk heeft kunnen reageren en niet valt in te zien dat [appellant a] dat niet eerder in de procedure heeft kunnen aanvoeren. Met hetgeen [appellanten] naar voren hebben gebracht is niet aannemelijk gemaakt dat het advies van de Gezondheidsraad op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of inhoudelijk onjuist is. Dat in de door [appellanten] overgelegde gegevens andere conclusies worden getrokken dan in dat advies, geeft daartoe onvoldoende aanleiding. Het rapport van BioInitiative van 31 augustus 2007, waarnaar [appellanten] hebben verwezen, geeft daartoe evenmin aanleiding. Volgens het briefadvies van de commissie Elektromagnetische velden van de Gezondheidsraad aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu van 2 september 2008 kunnen kanttekeningen worden geplaatst bij het wetenschappelijke gehalte van dat rapport. [appellanten] kunnen niet worden gevolgd in hun betoog dat de rechtbank niet heeft onderkend dat onvoldoende inzicht bestaat in de gezondheidsrisico's door blootstelling aan elektromagnetische velden en het college mitsdien uit voorzorg gehouden was vrijstelling te weigeren. Het advies van de Gezondheidsraad geeft geen aanleiding voor dat oordeel. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat het college mocht uitgaan van het advies van de Gezondheidsraad.

Hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd met betrekking tot de status van de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection, leidt niet tot een ander oordeel. Niet aannemelijk is gemaakt dat de door de rijksoverheid gehanteerde aanbevelingen van deze commissie waaraan Vodafone zich heeft gebonden, niet beantwoorden aan actuele wetenschappelijke inzichten.

2.4. Van de zijde van Vodafone is ter zitting beaamd dat in de mast ook UMTS-antennes worden geplaatst. Gelet hierop valt hetgeen [appellant a] heeft aangevoerd met betrekking tot UMTS-straling niet buiten de omvang van het geding. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 juli 2006, in zaak nr. 200508690/1, mocht wat de vrees voor gezondheidsrisico's door UMTS-straling betreft worden aangesloten bij het standpunt van de regering dat de voorhanden zijnde onderzoeken thans geen aanleiding geven de plaatsing van UMTS-antennes bij woonbebouwing te voorkomen. Vodafone is gehouden apparatuur te gebruiken die voldoet aan de normen, waaronder blootstellingslimieten, als bedoeld in het nationale antennebeleid en het Convenant vergunningvrije antenne-installaties voor mobiele telecommunicatie dat is gesloten tussen onder meer Vodafone en de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en Verkeer en Waterstaat en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Daarin was geen grond gelegen de gevraagde vrijstelling te weigeren. Zoals onder 2.3 is overwogen, geeft het rapport van BioInitiative geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.5. [appellanten] hebben niet gesteld dat het bouwplan niet voldoet aan eisen van constructieve veiligheid als neergelegd in het Bouwbesluit 2003. Gelet hierop mist hun betoog dat de NEN-normen waarnaar in het Bouwbesluit 2003 wordt verwezen niet zijn bekendgemaakt en onverbindend zijn, daargelaten wat daarvan zij, hier relevantie.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. In het hogerberoepschrift hebben [appellanten] verzocht om vergoeding van volgens hen geleden immateriële schade als gevolg van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 24 december 2008, in zaak nr. 200802629/1, is in zaken als deze, die uit een bezwaarschriftenprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk. Daarbij mag, zoals de Afdeling voorts in die zaak heeft overwogen, de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. Deze behandelingsduren zijn in deze procedure niet overschreden. Van een overschrijding van de redelijke termijn is reeds daarom geen sprake. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt, en mr. A.W.M. Bijloos leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Willems

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009

412.