Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI0443

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
200804026/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) zijn beslissing om op 12 februari 2008 jegens [appellante] spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van [appellante] komen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2009/29 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804026/1.

Datum uitspraak: 8 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Rotterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) zijn beslissing om op 12 februari 2008 jegens [appellante] spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van [appellante] komen.

Bij besluit van 15 mei 2008 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2008, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.S. Wijling, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. N.A. de Graaff, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In artikel 4.2.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam (hierna: APV), zoals dit luidde ten tijde van het bestreden besluit, is bepaald dat de inzameling van afvalstoffen kan plaatsvinden via een door of vanwege de gemeente verstrekte of geplaatste inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen. Ingevolge het tweede lid kan het college van burgemeester en wethouders aanwijzen via welk(e) inzamelmiddel(en) of -voorziening(en) de inzameling van bepaalde categorieën huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

Ingevolge artikel 4.2.11, eerste lid (oud), van de APV is het voor de gebruiker van een perceel ten behoeve waarvan krachtens artikel 4.2.4, tweede lid, een inzamelvoorziening voor een bepaalde categorie afvalstoffen is aangewezen, verboden de desbetreffende afvalstoffen anders aan te bieden dan via die inzamelvoorziening.

Ingevolge artikel 4.2.18, eerste lid (oud), van de APV wordt, indien degene die feitelijk handelt of heeft gehandeld in strijd met deze paragraaf ten aanzien van het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen onbekend is of onbekend is gebleven, de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid geacht te hebben gehandeld in strijd met de desbetreffende bepalingen in de APV.

Ingevolge het tweede lid (oud) van dit artikel geldt het bepaalde in het eerste lid niet indien deze persoon aantoont dat:

a. door hem voldoende zorg voor het milieu in acht is genomen; of

b. hij niet als overtreder kan worden aangemerkt.

2.2. De toepassing van bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak met afvalstoffen, die op 12 februari 2008 is aangetroffen op de openbare weg naast een container gelegen aan de [locatie], ter hoogte van nummer […], te Rotterdam. Volgens het college is deze huisvuilzak, blijkens daarin aangetroffen materiaal met adresgegevens van [appellante], afkomstig van [appellante] en heeft zij deze in strijd met artikel 4.2.11, eerste lid (oud), van de APV ter inzameling aangeboden.

2.3. [appellante] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de aangetroffen afvalstoffen tot haar kunnen worden herleid en door haar ter inzameling zijn aangeboden. Zij ontkent dat de afvalstoffen van haar afkomstig zijn en door haar zijn geplaatst. Uit het aan het primaire besluit ten grondslag gelegde proces-verbaal blijkt dat er tussen het huishoudelijk afval slechts één poststuk van UPC is aangetroffen, waarop haar naam noch adres wordt genoemd, aldus [appellante]. Daarbij merkt zij op dat zij reeds anderhalf jaar geen klant meer is van UPC. Verder wijst [appellante] er op dat de afstand tussen haar woning en de plaats waar het afval is aangetroffen ruim 600 meter bedraagt. Volgens [appellante] is het dan ook aannemelijk dat een derde het huisvuil verkeerd heeft aangeboden.

2.4. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de overtreder de kosten verschuldigd die zijn verbonden aan de toepassing van bestuursdwang tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2.4.1. Bij de stukken bevinden zich kopieën van een deel van een tussen het afval aangetroffen envelop met het logo van UPC. Op het betrokken deel van de envelop zijn geen naam en adres van de geadresseerde vermeld. Wel is hierop door TNT Post een zogeheten sorteercode afgedrukt.

Volgens het college kan uit de in de sorteercode verwerkte combinatie van postcode en huisnummer het adres van de geadresseerde, in dit geval [locatie a] te Rotterdam, worden afgeleid. Omdat op het stuk geen naam staat, heeft het college deze opgezocht in de gemeentelijke basisadministratie, waaruit bleek dat alleen [appellante] op het desbetreffende adres woonachtig is.

De Afdeling overweegt dat op de kopieën van de envelop, in het onderdeel van de sorteercode dat betrekking heeft op de postcode, verschillende tekens onleesbaar zijn, doordat deze over het UPC logo zijn afgedrukt. Het onderdeel van de sorteercode dat betrekking heeft op het huisnummer bevat als laatste een half teken, doordat de sorteercode gedeeltelijk buiten de rand van de kopieën valt. Reeds hierdoor is onvoldoende aannemelijk dat de envelop was gericht aan het door het college gestelde adres, zodat buiten beschouwing kan blijven of de sorteercode bij leesbaarheid al dan niet in samenhang met andere gegevens tot het vereiste bewijs zou hebben kunnen strekken.

Voor zover het college heeft betoogd dat de afstand tussen het woonadres van [appellante] en de plaats waar de gestelde overtreding is begaan geen criterium is voor de toerekening van huishoudelijke afvalstoffen, overweegt de Afdeling - onder verwijzing naar haar uitspraak van 17 september 2008 in zaak nr. 200802596/1 - dat, hoewel deze afstand op zichzelf geen criterium is voor de toerekening van huishoudelijke afvalstoffen, dit niet betekent dat aan die omstandigheid in het geheel geen betekenis zou toekomen.

Gelet op de omstandigheden van het geval staat naar het oordeel van de Afdeling niet vast dat de huisvuilzak van [appellante] afkomstig is en dat zij degene is geweest die deze op een onjuiste wijze heeft aangeboden. Het college heeft dan ook [appellante] ten onrechte als overtreder van artikel 4.2.11, eerste lid (oud), van de APV aangemerkt en derhalve ten onrechte de kosten van de toepassing van de bestuursdwang op haar verhaald.

Het bestreden besluit is in strijd met artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. Het beroep is gegrond. Het besluit van 15 mei 2008 komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het primaire besluit van 5 maart 2008 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

I. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 15 mei 2008, kenmerk A.B.2008.2.02635/LA;

II. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 5 maart 2008, kenmerk PV nr. 07/17424;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Rotterdam aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de gemeente Rotterdam aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009

271-209.