Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI0439

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
200806494/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland (hierna: het college) geweigerd krachtens de Wet milieubeheer vergunning te verlenen aan [appellant] voor het oprichten en in werking hebben van een pensionstalling voor paarden aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 17 juli 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/877
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806494/1/M2.

Datum uitspraak: 8 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Lansingerland,

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland (hierna: het college) geweigerd krachtens de Wet milieubeheer vergunning te verlenen aan [appellant] voor het oprichten en in werking hebben van een pensionstalling voor paarden aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 17 juli 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[derde belanghebbende], heeft een nader stuk ingediend. Dit stuk is aan de overige partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.C. Koster, advocaat te Rotterdam, en het college vertegenwoordigd door ing. B. Hoevers en V.C. 't Hart, werkzaam bij de milieudienst Rijnmond, zijn verschenen. Ter zitting is [derde belanghebbende], bijgestaan door mr. J.J. Klomp, advocaat te Pijnacker, als derde belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2. [appellant] voert aan dat de vergunning ten onrechte vanwege onaanvaardbare stankhinder is geweigerd. Hij stelt onder meer dat het college er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het gaat om een locatie waarop onafgebroken reeds sinds 1960 activiteiten hebben plaatsgevonden, waaronder stalling van paarden van derden, en dat het college daarom ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in paragraaf 5 van de richtlijn "Veehouderij en stankhinder" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de richtlijn).

2.3. Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij in werking getreden. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij blijft het vóór 1 januari 2007 geldende recht op dit geding van toepassing. Vaststaat dat de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden in dit geval niet van toepassing is. Het college heeft bij de beoordeling van de stankhinder daarom de richtlijn gehanteerd. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft het college de brochure "Veehouderij en Hinderwet" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de brochure) gehanteerd.

2.4. Bijlage 1 van de richtlijn bevat geen omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden voor paarden. Ook zijn in de richtlijn geen vaste afstanden in meters voor paarden opgenomen. Derhalve moet worden aangesloten bij de minimumafstand uit de afstandsgrafiek uit de richtlijn en moet voor het houden van paarden minimaal een afstand van 50 meter tot stankgevoelige objecten worden aangehouden, aldus het college. Vaststaat volgens het college dat, nu de afstand tot de dichtstbijgelegen woning aan de Overbuurtseweg 1a circa 10 meter bedraagt, aan de door het college gehanteerde afstandsnorm van 50 meter niet wordt voldaan.

Het college stelt zich op het standpunt dat de inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd niet kan worden aangemerkt als een bestaande situatie in de zin van de richtlijn omdat deze inrichting in zijn huidige vorm pas sinds 2005 en niet, zoals de richtlijn vereist, al twintig jaar of meer in werking is. Om deze reden kan paragraaf 5 van de richtlijn niet worden toegepast, aldus het college.

2.4.1. Paragraaf 5 van de richtlijn heeft betrekking op de beoordeling van stankhinder veroorzaakt door reeds lang bestaande bedrijven. Volgens deze paragraaf zijn voor bestaande bedrijven die nog geen dekkende milieuvergunning hebben en die bij toepassing van de richtlijn niet rechtstreeks voor vergunningverlening in aanmerking komen, geen standaardoplossingen te geven, maar moet "maatwerk" uitkomst bieden. Het gaat hierbij blijkens de richtlijn vaak om bedrijven die al twintig jaar of meer worden gedoogd. Per individuele aanvraag moet worden afgewogen of en zo ja in hoeverre van de normen van de afstandsgrafiek kan worden afgeweken. Bij toepassing van de maatwerkbenadering moet worden meegewogen hoe en wanneer de illegale situatie is ontstaan. Wanneer het gaat om een recente illegale uitbreiding van het aantal dierplaatsen moet onverkort aan de normen van de afstandsgrafiek worden voldaan, aldus de richtlijn.

Ter zitting is voorts aannemelijk geworden dat op het perceel aan de [locatie] te [plaats] tussen 1960 en 1967 een veehouderij met ongeveer 17 runderen werd geëxploiteerd en dat vervolgens tussen 1997 en 2004 op deze locatie bij tijd en wijlen een uiteenlopend aantal paarden van derden zijn gestald. Niet is echter aannemelijk geworden dat op deze locatie tussen 1967 en 1997 een inrichting is gedreven. [appellant] heeft de desbetreffende locatie sinds december 2004 in eigendom.

Vanaf 2005 exploiteert [appellant] op deze locatie een pensionstalling voor paarden. Noch krachtens de Hinderwet noch krachtens de Wet milieubeheer is in het verleden een oprichtingsvergunning verleend voor een inrichting op deze locatie.

Onder deze omstandigheden kan niet worden gesproken van een reeds lang bestaand bedrijf dat al twintig jaar of meer wordt gedoogd als bedoeld in paragraaf 5 van de richtlijn. Reeds gelet hierop staat voor [appellant] geen beroep op paragraaf 5 van de richtlijn open.

Niet in geschil is dat de afstand vanaf het emissiepunt van de stal waar de paarden worden gehouden tot de dichtstbijgelegen woning aan de [locatie] circa 10 meter bedraagt. Nu dientengevolge niet aan de door het college gehanteerde minimale afstandsnorm wordt voldaan, heeft het college de vergunning terecht geweigerd vanwege de van de inrichting te duchten stankhinder. De beroepsgrond faalt.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009

373-570.