Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI0437

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
200802741/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe (hierna: het college) het inrichtingsplan voor de herinrichting Peize vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802741/1/R2.

Datum uitspraak: 8 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], thans zijn rechtsopvolger [appellant B], en [appellant C], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe (hierna: het college) het inrichtingsplan voor de herinrichting Peize vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A], thans zijn rechtsopvolger [appellant B], en [appellant C] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant B] en [appellant C] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. E. Sportel, werkzaam bij de Dienst landelijk gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, is verschenen.

2. Overwegingen

Wettelijk kader

2.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet inrichting landelijk gebied (hierna: Wilg), kunnen gedeputeerde staten, de gebiedscommissie gehoord, besluiten tot toepassing van landinrichting door vaststelling van een inrichtingsplan.

Ingevolge artikel 28, aanhef en onderdeel a, onder 1, en onderdeel b, van de Wilg, voorziet het inrichtingsplan in voorkomend geval in de toewijzing van eigendom van wegen of waterlopen met de daartoe behorende kunstwerken, en de toewijzing en regeling van het beheer en onderhoud van wegen, waterlopen, dijken of kaden met de daartoe behorende kunstwerken.

Standpunten van partijen

2.2. [appellant B] en [appellant C] betogen dat bij het plan ten onrechte de eigendom, het beheer en het onderhoud van een deel van de achter en naast hun erven gelegen sloot en het daarbij behorende slootpad aan hen wordt toegewezen. Zij wijzen erop dat de waarde van de te ontvangen grond niet in verhouding staat tot de kosten die zij zullen moeten maken voor beheer en onderhoud van de sloot.

2.3. Het college stelt zich op het standpunt dat het plan niet voorziet in toewijzing van de eigendom, het beheer of het onderhoud van de betrokken sloot en het naastgelegen slootpad aan [appellant B] en [appellant C]. Eventuele toedeling van de eigendom komt pas aan de orde bij de vaststelling van het ruilplan, aldus het college.

Oordeel van de Afdeling

2.4. De Afdeling stelt vast dat, anders dan [appellant B] en [appellant C] aannemen, noch in de tekst van het inrichtingsplan noch op de plankaart de eigendom, het beheer of het onderhoud van de betrokken sloot of het naastgelegen slootpad aan hen wordt toegewezen. De enkele omstandigheid dat de sloot op de plankaart is aangeduid als "te vervallen hoofdwatergang" brengt een dergelijke toewijzing niet met zich, nu in het plan niet is bepaald dat als zodanig aangeduide watergangen aan de eigenaren van aanliggende percelen worden toegewezen. Verder is, naar ter zitting van de zijde van het college is bevestigd, met de aanduiding "te vervallen hoofdwatergang" slechts beoogd te verwijzen naar het beleid van het waterschap alsmede naar de keur en de legger, zodat met betrekking tot de vraag of de betrokken sloot is aan te merken als hoofdwatergang of niet aan de aanduiding op de plankaart geen beslissende betekenis toekomt. Overigens vloeit de verplichting van eigenaren van aanliggende percelen tot het onderhouden van watergangen die niet als hoofdwatergang zijn aan te merken evenmin voort uit het plan.

De Afdeling merkt voorts op dat, voor zover het nog op te stellen ruilplan zal blijken te voorzien in de toedeling van de eigendom van de sloot of het slootpad aan [appellant B] en [appellant C], daartegen ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Wilg te zijner tijd beroep openstaat op de rechtbank.

Gezien het voorgaande hebben [appellant B] en [appellant C] thans geen procesbelang.

2.5. Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Oudenaarden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009

568.