Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI0436

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
200806235/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eijsden (hierna: het college) het verzoek van [appellant] van 10 augustus 2007 om het besluit van 30 november 2004 te heroverwegen, afgewezen. Bij laatstgenoemd besluit heeft het college, voor zover van belang, [appellant] en [belanghebbende], onderscheidenlijk eigenaar van de woning [locatie a] en de woning [locatie b] te [plaats], gemeente Eijsden, onder aanzegging van bestuursdwang, gelast binnen een termijn van acht weken na de verzenddatum van dat besluit de deuropening tussen voornoemde woningen weer open te maken, zodat één woning ontstaat.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 354 met annotatie van R. Ortlep
JOM 2009/379
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806235/1/H1.

Datum uitspraak: 8 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eijsden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 juli 2008 in

zaak nr. 08/215 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eijsden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eijsden (hierna: het college) het verzoek van [appellant] van 10 augustus 2007 om het besluit van 30 november 2004 te heroverwegen, afgewezen. Bij laatstgenoemd besluit heeft het college, voor zover van belang, [appellant] en [belanghebbende], onderscheidenlijk eigenaar van de woning [locatie a] en de woning [locatie b] te [plaats], gemeente Eijsden, onder aanzegging van bestuursdwang, gelast binnen een termijn van acht weken na de verzenddatum van dat besluit de deuropening tussen voornoemde woningen weer open te maken, zodat één woning ontstaat.

Bij besluit van 15 januari 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juli 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 9 september 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. drs. H.M.G. Duijsters, advocaat te Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door mr. V.J.E.H. Gustings, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In geding is het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en de rechterlijke toetsing zich mitsdien beperkt tot beantwoording van de vraag, of zich na het besluit van 30 november 2004 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan die het college tot heroverweging noopten.

2.2. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

2.3. In de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2006 in zaak nr. 200509191/1 is ten aanzien van het besluit van 30 november 2004 overwogen dat het dichtmaken van de deuropening heeft plaatsgevonden zonder bouwvergunning en aldus in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zodat het college terzake handhavend kon optreden. Tevens is overwogen dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien. Het besluit van 30 november 2004 is met deze uitspraak in rechte onaantastbaar geworden.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn verzoek van 10 augustus 2007 kan worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Hiertoe voert hij aan dat geen sprake kan zijn van een herhaalde aanvraag, omdat het college met het besluit van 30 november 2004 niet afwijzend heeft beslist. Voorts voert hij aan dat hij aan zijn verzoek van 10 augustus 2007 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in dat artikel ten grondslag heeft gelegd.

2.4.1. Het college heeft zijn besluit van 30 november 2004 niet op aanvraag van [appellant] genomen. Reeds daarom betoogt [appellant] terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn verzoek van 10 augustus 2007 kan worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het betoog leidt echter, gelet op het hierna volgende, niet tot het door [appellant] beoogde doel.

2.4.2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten, genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.4.3. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.4.4. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat aan het verzoek van 10 augustus 2007 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Dat [belanghebbende] de woning [locatie b] inmiddels heeft verkocht, heeft de rechtbank terecht niet als zodanig aangemerkt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat dit een privaatrechtelijke kwestie betreft, die los staat van de positie van [appellant], aan wie bestuursdwang is aangezegd. De stelling van [appellant] dat het openen van de deur in strijd is met het bestemmingsplan "Mariadorp, Mesch en Withuis", dat na 30 november 2004 in werking is getreden, biedt - wat hiervan ook zij - evenmin grond voor het oordeel dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Of de door het college voorgestane wijze van effectuering van het dwangsombesluit de minst kostbare en minst bezwarende betreft, is in deze procedure niet aan de orde.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009

357-593.