Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI0433

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
200805608/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Andijk (hierna: het college) aan [belanghebbende] vrijstelling verleend voor de realisatie van twee gietwaterbassins op het perceel [locatie] te Andijk (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 180
JOM 2010/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805608/1/H1.

Datum uitspraak: 8 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Andijk,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 12 juni 2008 in zaken nrs. 08/1554, 08/1553, 08/1590, 08/1592, 08/1597 en 08/1598 in het geding tussen onder meer:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Andijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Andijk (hierna: het college) aan [belanghebbende] vrijstelling verleend voor de realisatie van twee gietwaterbassins op het perceel [locatie] te Andijk (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 12 juni 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter) de door [appellant a] en [appellant b] daartegen ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant a] en [appellant b] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant a] en [appellant b] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2009, waar [appellant a] en [appellant b], in persoon en bijgestaan door mr. J.J. de Boer, advocaat te Hoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.H. de Bruin, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het project waarvoor op 22 april 2008 op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling is verleend, ziet op de aanleg van twee gietwaterbassins ten noorden van de (aan te leggen) groenstrook aan de achterzijde van het kassencomplex van [belanghebbende].

2.2. [appellant a] en [appellant b] betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bij het besluit tot verlening van vrijstelling inzake de aanleg van twee gietwaterbassins op het perceel. Zij voeren daartoe aan dat hun woonomgeving door de aanleg van de gietwaterbassins drastisch wordt aangetast, nu zij beiden in de directe nabijheid van het perceel wonen, hun woningen in een volstrekt open landschap liggen en met name [appellant a] vanaf zijn eigendom rechtstreeks zicht heeft op de waterbassins. [appellant a] en [appellant b] voeren verder aan dat de duidelijke fysieke grens die de overgang van een open agrarisch landschap naar het kassencomplex markeert en die in het bestemmingsplan "Buitengebied 2003" is vastgelegd, wordt aangetast. [appellant a] stelt voorts dat het aanzicht van zijn woning, die te koop staat, wordt aangetast. [appellant b] betoogt dat de uitbreiding van het kassencomplex tot gevolg heeft dat de grond die kan worden gebruikt voor teelt, niet zijnde kassenteelt, spaarzamer wordt.

2.3. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon volgens vaste jurisprudentie een voldoende objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.3.1. De kortste afstand van de woning van [appellant b] tot de twee gietwaterbassins bedraagt circa 850 m. De Afdeling is met de voorzieningenrechter van oordeel dat [appellant b] bij een dergelijke afstand niet geraakt wordt in een belang dat rechtstreeks bij de verlening van het besluit tot vrijstelling is betrokken als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant b] blijkens de gedingstukken geen direct zicht heeft op de gietwaterbassins vanwege tussenliggende bebouwing. Voorts is zijn woning omgeven door hoge struiken. Het betoog van [appellant b] dat de uitbreiding van het kassengebied tot gevolg heeft dat de grond die voor teelt, niet zijnde kassenteelt, kan worden gebruikt, spaarzamer wordt, leidt evenmin tot het oordeel dat hij door het in geding zijnde besluit rechtstreeks in een persoonlijk belang wordt geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij de gevolgen van een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

2.3.2. De woning van [appellant a] ligt op circa 550 m van de gietwaterbassins. Anders dan [appellant a] betoogt, maakt het enkele feit dat hij vanaf genoemde afstand rechtstreeks zicht heeft op de twee gietwaterbassins niet dat reeds hierom zijn belang rechtstreeks wordt geraakt door het in geding zijnde besluit. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het uitzicht van [appellant a] hoofdzakelijk wordt bepaald door het kassencomplex van [belanghebbende], dat bestaat uit een glazen wand van 6 m hoog met een lengte van 424 m. De aarden wallen van de gietwaterbassins, die gezien vanaf de woning van [appellant a] aan het eind van voormelde glazen wand liggen, zijn 2 m hoog en worden voorzien van beplanting, zodat de aarden wallen op een afstand van circa 550 m visueel onderdeel uitmaken van de tussen het kassencomplex en het agrarisch landschap aan te leggen groene zone.

Gezien voormelde afstand van 550 m, de omvang van de gietwaterbassins ten opzichte van het dichter bij de woning van [appellant a] gelegen kassencomplex alsmede de situering en de uitvoering ervan, moet de ruimtelijke uitstraling van de gietwaterbassins bij de woning van [appellant a] gering worden geacht. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het aanzicht van de woning van [appellant a] door het besluit zal worden aangetast. [appellant a] heeft ook overigens geen feiten en omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat, ondanks de afstand van 550 m, een objectief en persoonlijk belang van hem door het besluit rechtstreeks zou worden geraakt. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2003, nr. 200303979/1 leidt niet tot een ander oordeel, nu de ruimtelijke uitstraling van de onderhavige gietwaterbassins, zoals hiervoor uiteen gezet, niet vergelijkbaar is met de ruimtelijke uitstraling van een voor publiek gebruik aangelegd uitzichtpunt met liftinstallatie en tribune gesitueerd op een heuvel.

2.3.3. Gelet op voormelde omstandigheden heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat [appellant a] en [appellant b] niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit van 22 april 2008. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009

374.