Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI0432

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
200805543/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 15 januari 2007 heeft de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de bevoegdheid van [wederpartij sub 1] tot het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kilogram voor de duur van twaalf weken ingetrokken en de aan [wederpartij sub 2] verleende APK-erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kilogram voor de keuringsplaats met het keuringsinstantienummer PG77P01, gevestigd te [plaats], voor de duur van negen weken ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805543/1/H3.

Datum uitspraak: 8 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de directie van de Dienst Wegverkeer,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2008 in zaak nrs. 07/3366 en 07/3367 in het geding tussen:

1. [wederpartij sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [wederpartij sub 2], gevestigd te [plaats],

en

de directie van de Dienst Wegverkeer.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 15 januari 2007 heeft de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de bevoegdheid van [wederpartij sub 1] tot het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kilogram voor de duur van twaalf weken ingetrokken en de aan [wederpartij sub 2] verleende APK-erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kilogram voor de keuringsplaats met het keuringsinstantienummer PG77P01, gevestigd te [plaats], voor de duur van negen weken ingetrokken.

Bij onderscheiden besluiten van 2 augustus 2007 heeft de RDW de door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juni 2008, verzonden op 11 juni 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) de door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 2 augustus 2007 vernietigd, de besluiten van 15 januari 2007 herroepen, bepaald dat de aan [wederpartij sub 1] verleende keuringsbevoegdheid voor de duur van negen weken wordt ingetrokken en dat de aan [wederpartij sub 2] verleende erkenning voor de duur van zes weken wordt ingetrokken, en voorts bepaald dat de uitspraak treedt in de plaats van de vernietigde besluiten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de RDW bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn ingediend bij brief van 8 augustus 2008.

[wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2009, waar de RDW, vertegenwoordigd door drs. J. Greidanus, werkzaam bij de RDW, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 87, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wegenverkeerswet 1994 kan de RDW een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend, handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

Ingevolge artikel 87a, tweede lid, aanhef en onder c, kan de RDW de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen intrekken of de daaraan verbonden voorschriften wijzigen, indien degene aan wie die bevoegdheid is verleend, handelt in strijd met een of meer andere uit die bevoegdheid voortvloeiende verplichtingen.

Ingevolge artikel 41, derde lid, aanhef en onder b, van de Erkenningsregeling APK (hierna: de Regeling) wordt voorafgaande aan de keuring aan de hand van de in bijlage 2 opgenomen controlepunten gecontroleerd of het voertuig en het kentekenbewijs met elkaar overeenstemmen.

Ingevolge artikel 44, tweede lid, wordt, alvorens tot het afmelden van een voertuig als bedoeld in het derde lid wordt overgegaan, door de keurmeester die het voertuig afmeldt, aan de hand van het kentekenbewijs nagegaan of de keuring van dat voertuig heeft plaatsgevonden.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder h, voor zover thans van belang, wordt het voertuig door middel van datacommunicatie bij de RDW afgemeld onder de bevestiging dat de in het tweede lid voorgeschreven controleverplichting is nagekomen, waarna acceptatie van de afmelding wordt weergegeven.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, gelden, indien het voertuig blijkens mededeling van de RDW aan een steekproef wordt onderworpen, de in het tweede tot en met zesde lid genoemde verplichtingen.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, wordt aan een steekproef alle medewerking verleend en worden de ter zake door de RDW gegeven aanwijzingen in acht genomen.

Ingevolge artikel 58 wordt, indien door de erkenninghouder de in de artikelen 43 en 44 neergelegde verplichtingen, de in artikel 45, tweede, vierde en vijfde lid, opgenomen voorschriften, dan wel het bepaalde in artikel 48, eerste lid, laatste volzin, niet worden nageleefd, terstond begonnen met een procedure voor intrekking van de erkenning.

Ingevolge artikel 62 wordt, indien door de keurmeester de in de artikelen 39 tot en met 46 neergelegde verplichtingen of voorschriften niet worden nageleefd, terstond begonnen met een procedure voor intrekking van de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen.

2.2. De RDW heeft de aan [wederpartij sub 1] verleende keuringsbevoegdheid en de aan [wederpartij sub 2] verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen van voertuigen tot en met 3500 kilogram voor de duur van twaalf onderscheidenlijk negen weken ingetrokken, omdat zij hebben gehandeld in strijd met de artikelen 41, derde lid, aanhef en onder b, en 45, vijfde lid, van de Regeling. Vaststaat dat [wederpartij sub 1] voorafgaand aan een APK-keuring op 23 november 2006 niet heeft gecontroleerd of het door hem te keuren voertuig en het door de aanvrager van de keuring afgegeven kentekenbewijs met elkaar overeenstemden, door na te gaan of het kentekennummer op de kentekenplaten achter de op het voertuig bevestigde handelaarsplaten overeenkwam met dat kentekenbewijs. Voorts staat vast dat [wederpartij sub 1] op dezelfde dag, in plaats van het door hem gekeurde voertuig, met kenteken [A], een voertuig met kenteken [B] als goedgekeurd heeft afgemeld en dat bij de in het kader van een steekproef op laatstgenoemd voertuig door de RDW geëiste herkeuring dat voertuig niet in de keuringsplaats aanwezig was, waardoor het toezicht dat de RDW op de verkeersveiligheid onderhoudt, is belet.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de RDW zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de artikelen 41, derde lid, aanhef en onder b, en 45, vijfde lid, van de Regeling zijn overtreden, maar dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die een matiging van de aan [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] opgelegde sancties rechtvaardigen. Als zodanige omstandigheid noemt zij dat de afmelding op 23 november 2006 van het voertuig met het kenteken [B], in plaats van het op die dag gekeurde voertuig, het gevolg is van een vergissing en niet van een moedwillige onttrekking van het gekeurde voertuig aan de steekproefcontrole. Voorts acht de rechtbank het een bijzondere omstandigheid dat het op 23 november 2006 afgemelde voertuig een week eerder was goedgekeurd en op een later moment niet is afgekeurd, zodat de verkeersveiligheid niet in gevaar is gebracht. De rechtbank verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2003, in zaak nr. 200301282/1, waarin naar haar oordeel eenzelfde vergissing bij de afmelding is gemaakt als in deze zaak, en de RDW die fout had aangemerkt als een bijzondere omstandigheid, die had geleid tot matiging van de op te leggen sanctie.

2.4. De RDW komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de bij de afmelding gemaakte vergissing een bijzondere omstandigheid is op grond waarvan de aan [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] opgelegde sancties dienen te worden gematigd. Zij betoogt dat de rechtbank in dit verband ten onrechte heeft verwezen naar voormelde uitspraak van de Afdeling. Hiertoe voert zij aan dat in die zaak de vergissing gemaakt bij de afmelding werd aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die aanleiding gaf af te wijken van het sanctiebeleid, omdat deze kon worden veroorzaakt door de tot 1 januari 2006 bij de afmelding na een APK-keuring gevolgde werkwijze, waarbij door de keurmeester achtereenvolgens het keuringsrapport deels werd ingevuld, het kenteken werd afgemeld en het keuringsrapport werd aangevuld met de gegevens die werden ontvangen van de RDW. Door deze werkwijze bestond de mogelijkheid dat bij de afmelding aantoonbaar, blijkende uit het keuringsrapport, kentekenbewijzen werden verwisseld. Volgens de RDW is sinds 1 januari 2006 de procedure voor het afmelden van gekeurde voertuigen gewijzigd en wordt die afmelding ononderbroken uitgevoerd en deze verwisseling voorkomen. De RDW betoogt voorts dat de toepasselijke regelgeving diverse controlemomenten voorschrijft om een verwisseling van de kentekengegevens bij het afmelden te voorkomen. Zo dienen ingevolge artikel 41, derde lid, aanhef en onder b, van de Regeling vóór de keuring het voertuig en het kentekenbewijs met elkaar te worden vergeleken en moet de keurmeester bij de afmelding conform artikel 44, tweede en derde lid, aanhef en onder h, van de Regeling aan de hand van het kentekenbewijs controleren of het voertuig dat hij afmeldt het gekeurde voertuig is. Ook zijn er volgens de RDW controlemogelijkheden waarmee de keurmeester en de erkenninghouder nog na de afmelding kunnen nagaan of daarbij fouten zijn gemaakt. Hiertoe kunnen zij de maandelijkse factuur van de door hen bij de afmelding gebruikte provider controleren en dagelijks via het internet de gegevens over de afgemelde voertuigen raadplegen. De RDW betoogt dat [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] kennelijk een bedrijfsvoering hebben die er niet in voorziet dat adequaat gebruik wordt gemaakt van die controlemiddelen, dat de vergissing het gevolg is van een onjuiste wijze van uitvoering en overtreding van artikel 44 van de Regeling en dat deze daarom niet kan worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid die een matiging van de opgelegde sancties rechtvaardigt. Zij verwijst naar uitspraken van de Afdeling van 24 april 2008, in zaak nrs. 200802204/2 en 200802204/1, en van 5 april 2006, in zaak nr. 200508746/1, waarin is overwogen dat de erkenninghouder met de aanvaarding van de publieke taak om, ter bevordering van het algemeen belang van de verkeersveiligheid, keuringsbesluiten te nemen, een risico heeft genomen van verlies van de keuringsbevoegdheid wegens het maken van fouten dat niet tot verwijtbare misslagen is beperkt.

Voorts komt de RDW op tegen het oordeel van de rechtbank dat door de afmelding op 23 november 2006 van het die dag niet gekeurde voertuig de verkeersveiligheid niet in gevaar is gebracht, nu dit een week eerder was goedgekeurd en op een later moment niet is afgekeurd. Hiertoe voert zij aan dat de APK-keuring een momentopname is en het op 16 november 2006 als goedgekeurd afgemelde voertuig op enig later moment wel degelijk een gevaar voor de verkeersveiligheid kon opleveren.

2.4.1. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de RDW zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de artikelen 41, derde lid, aanhef en onder b, en 45, vijfde lid, van de Regeling zijn overtreden. De rechtbank heeft op goede gronden vastgesteld dat de RDW, gelet op de overtreding van deze artikelen, in beginsel bevoegd is tot intrekking van de keuringsbevoegdheid van [wederpartij sub 1] voor de duur van twaalf weken, nu deze in de afgelopen drie jaar viermaal in de zogenoemde penaltyklasse was geplaatst, en tot intrekking van de erkenning van [wederpartij sub 2] voor de duur van negen weken, nu deze in de afgelopen drie jaar eenmaal in de penaltyklasse was geplaatst.

2.4.2. De Afdeling kan zich evenwel niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden voordoen die een matiging van de sancties opgelegd aan [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] rechtvaardigen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het bij vergissing afmelden op 23 november 2006 van een die dag bij [wederpartij sub 21] niet gekeurd voertuig het gevolg is van het feit dat [wederpartij sub 1] bij de controle voorafgaand aan de keuring, in weerwil van de ingevolge artikel 41, derde lid, aanhef en onder b, van de Regeling op hem rustende controleplicht, niet op zorgvuldige wijze is nagegaan of het te keuren voertuig en het kentekenbewijs met elkaar overeenstemden. Ook heeft [wederpartij sub 1] bij de afmelding van het voertuig niet aan de hand van het kentekenbewijs gecontroleerd of dit het door hem gekeurde voertuig was, zoals artikel 44, tweede en derde lid, aanhef en onder h, van de Regeling voorschrijft. Dat met de onjuiste afmelding niet is beoogd moedwillig het gekeurde voertuig aan de steekproefcontrole te onttrekken, laat onverlet dat [wederpartij sub 1] door zijn handelwijze het risico heeft genomen van verlies van zijn keuringsbevoegdheid. Nu [wederpartij sub 1] handelde als keurmeester van [wederpartij sub 2] komen diens fouten ook voor haar verantwoordelijkheid. De omstandigheid dat in deze zaak het afgemelde voertuig een week eerder was goedgekeurd en op een later moment niet was afgekeurd, is niet een bijzondere omstandigheid die matiging van de sancties rechtvaardigt, aangezien steeds een keuring kan worden aangevraagd en uitsluitend direct na een keuring een goedkeuring kan worden afgegeven. In hetgeen de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 1 oktober 2003, in zaak nr. 200301282/1, wordt geen aanleiding gevonden voor een andersluidend oordeel, nu in die zaak de vergissing gemaakt bij de afmelding van het gekeurde voertuig het gevolg was van het feit dat die afmelding, door de destijds gehanteerde werkwijze, niet ononderbroken plaatsvond, waardoor verwisselingen konden plaatsvinden. Uit het vorenstaande volgt dat de RDW in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot de tijdelijke intrekking van de keuringsbevoegdheid van [wederpartij sub 1] voor de duur van twaalf weken en van de erkenning van [wederpartij sub 2] voor de duur van negen weken. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten op bezwaar alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2008 in zaak nrs. 07/3366 en 07/3367;

III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009

97-598.