Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI0428

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
200804813/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 24 april 2007, heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) opnieuw besloten op het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van de minister van 12 november 2002 om niet over te gaan tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de woning). De minister heeft het bezwaar van [wederpartij] gegrond verklaard voor zover gericht tegen het niet isoleren van de aanbouw bij de woning, ongegrond verklaard voor zover gericht tegen het niet isoleren van de woning zelf, het besluit van 12 november 2002 ingetrokken en besloten dat aan de aanbouw bij de woning geluidwerende voorzieningen zullen worden aangebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2010, 22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804813/1.

Datum uitspraak: 8 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Verkeer en Waterstaat,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 mei 2008 in zaak nr. 07/3547 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 24 april 2007, heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) opnieuw besloten op het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van de minister van 12 november 2002 om niet over te gaan tot het van rijkswege aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de woning). De minister heeft het bezwaar van [wederpartij] gegrond verklaard voor zover gericht tegen het niet isoleren van de aanbouw bij de woning, ongegrond verklaard voor zover gericht tegen het niet isoleren van de woning zelf, het besluit van 12 november 2002 ingetrokken en besloten dat aan de aanbouw bij de woning geluidwerende voorzieningen zullen worden aangebracht.

Bij uitspraak van 13 mei 2008, verzonden op 15 mei 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit, verzonden op 24 april 2007, vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 2008, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. R.A. de Weerd, advocaat te Alkmaar, en M. Bosveld, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, en [wederpartij] in persoon zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vaststaat dat de minister [wederpartij] op 3 oktober 2002 een voorstel tot het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen heeft gedaan. Onder verwijzing naar een rapport van Arcadis van 14 juni 2002 heeft de minister aangeboden aan de aanbouw bij de woning geluidwerende voorzieningen aan te brengen. Het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan de woning zelf is volgens de minister constructief niet verantwoord.

Omdat [wederpartij] het voorstel van de minister niet binnen de voorgeschreven termijn ondertekend heeft geretourneerd, heeft de minister bij besluit van 12 november 2002 kenbaar gemaakt dat niet tot het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen zal worden overgegaan. Tijdens de op 3 april 2003 naar aanleiding van het door [wederpartij] tegen dat besluit gemaakte bezwaar gehouden hoorzitting, heeft de minister aangeboden een onafhankelijke deskundige in te schakelen om een second opinion op te stellen. De minister heeft voorts toegezegd dat de conclusies van deze deskundige zullen worden gevolgd.

Als onafhankelijke deskundige is adviesbureau Adviseurs in Bouwtechniek (hierna: ABT) ingeschakeld. In haar rapport van 24 februari 2004 komt ABT tot de conclusie, samengevat weergegeven, dat tegen het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan de woning geen onoverkomelijke constructieve bezwaren bestaan.

Bij brief van 9 april 2004 heeft Arcadis op verzoek van de minister op het rapport van ABT van 24 februari 2004 gereageerd. Uit die reactie volgt, samengevat weergegeven, dat Arcadis de conclusies van ABT niet onderschrijft en geen aanleiding ziet de conclusies in haar eigen rapport van 14 juni 2002 te herzien.

2.2. Onder verwijzing naar het rapport van Arcadis van 14 juni 2002 heeft de minister op 21 juli 2005 op het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 12 november 2002 beslist. De rechtbank heeft het door [wederpartij] tegen dat besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 28 februari 2006 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, omdat dit naar haar oordeel onzorgvuldig is voorbereid en niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Hiertoe heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, overwogen:

"Na de hoorzitting is vervolgens aan ABT verzocht een rapportage op te stellen. De uitkomst van deze rapportage stond lijnrecht tegenover die van de rapportage van Arcadis. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder, die er zelf voor heeft gekozen een second opinion te laten plaatsvinden en zelf heeft gesteld dat die second opinion zou worden gevolgd, niet bevoegd zonder nadere onderbouwing aan de hand van een advies van een onafhankelijke deskundige af te wijken van het advies van ABT. Verweerder heeft echter volstaan met het voorleggen van de rapportage van ABT aan Arcadis, die niet als een onafhankelijke deskundige kan worden aangemerkt, nu de eerste rapportage van hem afkomstig is, en heeft dus niet een onderzoek door een onafhankelijke deskundige, bijvoorbeeld TNO, laten plaatsvinden."

2.3. In het besluit, verzonden op 24 april 2007, heeft de minister zich opnieuw op het standpunt gesteld dat het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan de aanbouw bij de woning niet op bezwaren stuit, maar dat het aanbrengen van die voorzieningen aan de woning zelf constructief niet verantwoord is. De minister heeft dit besluit wederom doen steunen op het rapport van Arcadis van 14 juni 2002 en daarnaast gewicht toegekend aan de omstandigheid dat [wederpartij] geen medewerking heeft verleend aan een onderzoek dat TNO in opdracht van de minister had moeten uitvoeren om de conclusies in de rapporten van Arcadis en ABT te beoordelen.

2.4. De rechtbank heeft dit besluit in de thans bestreden uitspraak vernietigd, omdat het naar haar oordeel niet is genomen met inachtneming van de onder 2.2. weergegeven overweging uit haar uitspraak van 28 februari 2006 en daarom niet zorgvuldig voorbereid en niet voldoende gemotiveerd zou zijn. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de minister, gelet op bedoelde uitspraak, de rapportage van ABT slechts naast zich neer mocht leggen wanneer deze, bij lezing door een onafhankelijke deskundige, zodanige evidente onzorgvuldigheden of onjuistheden zou blijken te bevatten dat deze in redelijkheid niet aan het besluit op bezwaar ten grondslag kon worden gelegd. Het stond de minister als gevolg van de uitspraak van 28 februari 2006 evenwel niet vrij opnieuw een deskundige in te schakelen om een volledig nieuw eigen onderzoek te doen, aldus de rechtbank.

2.4.1. De minister bestrijdt dit oordeel van de rechtbank met succes. Uit overweging 2.12 van de uitspraak van de rechtbank van 28 februari 2006 volgt dat de minister bij een nieuw besluit op bezwaar van de conclusies in het rapport van ABT kon afwijken, mits deze afwijking zou worden gemotiveerd aan de hand van het advies van een onafhankelijke deskundige. Anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak overweegt, bevat haar uitspraak van 28 februari 2006 geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit advies van een onafhankelijke deskundige tot stand diende te komen na de enkele bestudering van het rapport van ABT en dat dit niet op een eigen onderzoek aan de woning mocht worden gebaseerd.

De minister heeft het besluit op bezwaar echter niet doen steunen op een nieuw deskundigenrapport, maar opnieuw op het rapport van Arcadis van 14 juni 2002. In zoverre is dit besluit niet genomen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank van 28 februari 2006. In die uitspraak heeft de rechtbank immers overwogen dat niet op grond van advisering door Arcadis van het rapport van ABT mocht worden afgeweken, omdat Arcadis in verband met haar eerdere advisering in dit geval niet langer als onafhankelijke deskundige kon worden aangemerkt. Vaststaat evenwel dat de minister na de uitspraak van de rechtbank van 28 februari 2006 aan TNO opdracht heeft gegeven de rapporten van zowel Arcadis als ABT te beoordelen. De door TNO voor het maken van die beoordeling noodzakelijk geachte bezichtiging van de woning heeft niet plaatsgevonden, omdat [wederpartij] heeft geweigerd aan het onderzoek door TNO medewerking te verlenen. Het dient onder die omstandigheden voor rekening van [wederpartij] te worden gelaten dat geen nader deskundigenrapport is opgesteld waarin de bevindingen van ABT zijn beoordeeld. Gelet hierop, kan de minister niet worden tegengeworpen dat het thans in beroep bestreden besluit niet op een deskundigenrapport waarin de bevindingen van ABT worden weerlegd, is gebaseerd. Dat het besluit op bezwaar in zoverre niet met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank van 28 februari 2006 is genomen, leidt dan ook niet tot het oordeel dat dit besluit onzorgvuldig is voorbereid of onvoldoende gemotiveerd. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat, zoals de minister onder verwijzing naar mededelingen van deskundigen van zowel Arcadis als ABT gemotiveerd heeft gesteld, het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan een woning die daartegen niet bestand is, kan leiden tot schade en gevaarlijke situaties. Tegen deze achtergrond heeft de minister, gelet op de hem ter beschikking staande informatie, in redelijkheid kunnen besluiten niet tot het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan de woning over te gaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit op bezwaar beoordelen.

2.6. Het betoog van [wederpartij] dat de minister niet tijdig na de uitspraak van de rechtbank van 28 februari 2006 een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen en om die reden gehouden is tot het nemen van een besluit dat aan zijn bezwaren tegemoetkomt, is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. [wederpartij] noch de minister hebben hiertegen hoger beroep ingesteld. Nu evenmin sprake is van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over deze beroepsgrond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld, valt deze beroepsgrond thans dientengevolge buiten het geding.

2.7. Hetgeen [wederpartij] overigens in beroep tegen het besluit op bezwaar, verzonden op 24 april 2007, heeft betoogd, behoeft gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4.1 is overwogen geen bespreking meer.

2.8. Het door [wederpartij] tegen het besluit op bezwaar ingestelde beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 mei 2008 in zaak nr. 07/3547;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009

97-546.