Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI0422

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
200805702/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden ten aanzien van de inrichting van de naamloze vennootschap De Meerlanden Holding N.V. op het adres Aarbergerweg 41 te Rijsenhout afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 20.8
Woningwet
Woningwet 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/1892
JM 2009/64 met annotatie van Zigenhorn
JOM 2009/349
OGR-Updates.nl 09-68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805702/1/M1.

Datum uitspraak: 8 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden ten aanzien van de inrichting van de naamloze vennootschap De Meerlanden Holding N.V. op het adres Aarbergerweg 41 te Rijsenhout afgewezen.

Bij besluit van 12 juni 2008 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om handhaving niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellant] tegen het besluit van 8 januari 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. Westerwal, zijn verschenen. Voorts is ter zitting De Meerlanden Holding N.V., vertegenwoordigd door J.N.S. de Block en S. de Jong, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het betoog van [appellant] komt erop neer dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid, nu met het advies van de bezwaarschriftencommissie niet is gewacht op een stuk waar tijdens de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie over is gesproken en dat door [appellant] zou worden opgestuurd aan deze commissie. Dit stuk is op 9 mei 2008 verzonden, aldus [appellant].

2.1.1. Het advies van de bezwaarschriftencommissie dateert van 8 mei 2008. Het desbetreffende stuk is aan de commissie opgestuurd bij brief van 8 mei 2008. Dit stuk is blijkens de stempel op 8 mei 2008 ingekomen. De Afdeling ziet geen aanleiding aan de juistheid hiervan te twijfelen. Gelet hierop mist het betoog van [appellant] in zoverre feitelijke grondslag.

2.2. [appellant] richt zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Hij voert aan dat hij belang heeft bij de gegrondverklaring van zijn bezwaar.

2.2.1. Ingevolge artikel 6:20, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover van belang, kan het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het bezwaar daarbij belang heeft.

2.2.2. Het is de Afdeling niet aannemelijk geworden dat [appellant] nog belang heeft bij gegrondverklaring van zijn bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek om handhaving. De enkele stelling van [appellant] dat hij hierbij nog belang heeft, acht de Afdeling in dit verband niet toereikend. Gelet hierop heeft het college het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van [appellant] faalt in zoverre.

2.3. [appellant] heeft verzocht om handhaving wegens het zonder toereikende vergunning in werking zijn van de inrichting. Hij voert daartoe aan dat de bij besluit van 16 mei 2003 verleende vergunning niet in werking is getreden, nu voor de gebouwen bestemd voor de opslag van wegenzout en de stalling van materieel ten behoeve van de gladheidsbestrijding niet de benodigde bouwvergunning is verleend.

2.3.1. Bij besluit van 16 mei 2003 is vergunning verleend voor onder meer de opslag van wegenzout en de stalling van materieel ten behoeve van gladheidsbestrijding. Niet in geschil is dat voor de bouwwerken waarin deze opslag en stalling plaatsvindt de benodigde bouwvergunning niet is verleend.

Uit artikel 20.8 van de Wet milieubeheer volgt dat een milieuvergunning eerst in werking treedt nadat de benodigde bouwvergunning is verleend. Echter, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 november 2003 in zaak nr. 200206624/1) is artikel 20.8 van de Wet milieubeheer niet van toepassing op besluiten, waarbij een milieuvergunning wordt verleend voor een inrichting, waarvoor in het verleden zonder bouwvergunning is gebouwd, terwijl de aangevraagde activiteiten op zichzelf geen bouwvergunningplichtige verandering of uitbreiding van dat gebouw met zich brengen.

Niet in geschil is dat de desbetreffende gebouwen reeds binnen de inrichting aanwezig waren op het moment van het nemen van bovengenoemd besluit van 16 mei 2003. Gelet hierop is artikel 20.8 van de Wet milieubeheer niet van toepassing op het besluit van 16 mei 2003. Dat de opslag van zout en de stalling van materieel ten behoeve van gladheidsbestrijding, zoals [appellant] stelt, nieuwe activiteiten betreffen, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders. Nu deze activiteiten geen bouwvergunningplichtige verandering of uitbreiding van de desbetreffende gebouwen met zich brengen, is artikel 20.8 van de Wet milieubeheer niet van toepassing op het besluit van 16 mei 2003 en is dit besluit in zijn geheel in werking getreden.

Gelet hierop heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het niet bevoegd was handhavend op te treden. Het beroep van [appellant] faalt in zoverre.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.A.M. van Hamond, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Hamond

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009

446.