Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI0419

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
200806038/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) het verzoek van [appellant] om zijn huwelijk in te schrijven in de gemeentelijke basisadministratie afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 34
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 36
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 37
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 83
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 375 met annotatie van C.M. Bitter
BA 2009/104
JB 2009/133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806038/1.

Datum uitspraak: 8 april 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2008 in zaak nr. 06/3985 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) het verzoek van [appellant] om zijn huwelijk in te schrijven in de gemeentelijke basisadministratie afgewezen.

Bij besluit van 7 september 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juni 2008, verzonden op 26 juni 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2008, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 16 september 2008 heeft het college verzocht om geheimhouding ingevolge artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ten aanzien van een door de Nederlandse ambassade in Islamabad verricht verificatieonderzoek. De Afdeling heeft beslist dat beperking van de kennisneming van de desbetreffende stukken deels gerechtvaardigd is. [appellant] heeft toestemming als bedoeld in het vijfde lid van artikel 8:29 van de Awb verleend om mede op basis van de geheime (gedeeltes van de) stukken uitspraak te doen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. A.G. Kleijweg, advocaat te Voorburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. G. Yilmaz, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en ten eerste, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna de Wet GBA) worden in de basisadministratie van de gemeente van inschrijving gegevens over de burgerlijke staat opgenomen.

Ingevolge artikel 36, tweede lid, worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, mag, indien aannemelijk is dat omtrent een gegeven over het huwelijk een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c of d, kan worden verschaft, dit gegeven niet aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder e, worden ontleend.

Ingevolge het tweede lid worden aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

Ingevolge artikel 83, aanhef en onder b, wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om een gegeven over de burgerlijke staat niet op te nemen, dan wel een geschrift daarover dat als akte is aangeboden niet als zodanig aan te merken, gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2. In het bij de rechtbank bestreden besluit heeft het college de afwijzing van het verzoek van [appellant] om zijn huwelijk in te schrijven in de gemeentelijke basisadministratie gehandhaafd, omdat zijn identiteit ter discussie staat. Het heeft hiertoe gesteld dat uit een verificatierapport, in 1998 opgemaakt door de Nederlandse ambassade te Islamabad ten behoeve van verificatie van een door [appellant] in 1997 aangeboden geboorteakte, volgt dat deze inhoudelijk onjuiste informatie bevat. De hierin genoemde vader van [appellant] zou in werkelijkheid niet zijn vader zijn maar zijn oom. Gelet hierop heeft het college in de persoonslijst van [appellant] in de gemeentelijke basisadministratie een aantekening geplaatst dat twijfel bestaat over de identiteit van zijn vader. Omdat deze zelfde persoon ook in de huwelijksakte wordt vermeld als de vader van [appellant], heeft het college besloten ook aan deze akte geen gegevens te ontlenen.

2.3. In hoger beroep betoogt [appellant] dat mag worden aangenomen dat het college berust in zijn identiteit, nu het verificatierapport is opgemaakt in 1998 en hij al geruime tijd staat ingeschreven in de GBA. Daarom valt niet in te zien waarom het college inschrijving van zijn huwelijk in de GBA weigert, aldus [appellant].

Voorts betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM door de beperkte kennisneming van het verificatierapport niet is geschonden. Onder verwijzing naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 19 juli 1995 in zaak Kerojärvi tegen Finland, betoogt hij dat dit oordeel in strijd is met een redelijke uitleg van artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

2.4. De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank dat door toepassing van het eerste lid van 8:29 van de Awb artikel 6, eerste lid, van het EVRM niet wordt geschonden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juni 2001 in zaak nr. 200003274/1, www.rechtspraak.nl), bevat artikel 6 van het EVRM minimumnormen voor een eerlijke procesvoering, maar zijn deze normen niet absoluut. De nationale wetgever mag met het oog op een goede procesorde of ter bescherming van het publieke belang of van de belangen van derden, bepaalde procedurevoorschriften en beperkingen stellen, mits het eerlijke karakter van de procesvoering daarmee niet in zijn essentie wordt aangetast. Het eerste lid van artikel 8:29 houdt een beperking in van het beginsel van de openbaarheid en dat van de "equality of arms". Het artikel bepaalt evenwel dat deze beperking slechts om "gewichtige redenen" kan worden aangebracht, terwijl het derde lid de toetsing daarvan aan de rechter opdraagt. Indien de rechter de beperking gerechtvaardigd acht, dan is het ingevolge het vijfde lid aan de andere partij overgelaten om te beslissen of de rechter mede op grondslag van de achtergehouden of geheim gehouden inlichtingen of stukken uitspraak kan doen. De beperkingmogelijkheid is op deze wijze met zodanige waarborgen omkleed dat het recht op een eerlijke procesvoering daarmee niet in zijn essentie wordt beperkt.

De Afdeling heeft geheimhouding in deze zaak gerechtvaardigd geacht vanwege het belang van bronbescherming en het belang van de bescherming van methoden en technieken van onderzoek. Nu het in de uitspraak van het EHRM in de zaak Kerojärvi tegen Finland niet ging om stukken waarvan geheimhouding door de rechter gerechtvaardigd is geacht, ziet de Afdeling in die uitspraak geen grond voor een ander oordeel.

Het betoog faalt derhalve.

2.5. Voorts overweegt de Afdeling dat de gegevens in de basisadministratie betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Gegevens over feiten betreffende de burgerlijke staat die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, worden zo mogelijk ontleend aan in het buitenland opgemaakte akten van de burgerlijke stand, en in andere gevallen aan geschriften die ter zake de meeste zekerheid geven. Voor de gegevens omtrent de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, is een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Aan een "lager" document mogen gegevens worden ontleend wanneer op het moment van inschrijving in redelijkheid geen beter document kan worden overgelegd.

2.5.1. Met het oog op de betrouwbaarheid van de gemeentelijke basisadministratie kan het bij een verzoek om inschrijving overleggen van een gelegaliseerde akte niet zonder meer leiden tot het inschrijven van de in die akte vermelde feiten. Zo nodig dient het college nader onderzoek in te stellen naar de inhoudelijke juistheid van die feiten. In dit geval heeft het college echter geen reden gezien voor nader onderzoek. Ter zitting bij de Afdeling heeft het bij herhaling verklaard dat omtrent het gesloten huwelijk tussen [appellant] en [partner] geen twijfel bestaat. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat het in de huwelijksakte opgenomen rechtsfeit voldoende vaststaat. Voorts betwist het college niet dat [appellant] de persoon is die staat vermeld in de huwelijksakte en dat hij met diezelfde identiteitsgegevens sinds 1999 rechtsgeldig staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie.

Naar het oordeel van de Afdeling is er gelet op het voorgaande geen reden om het huwelijk niet in te schrijven in de gemeentelijke basisadministratie. Dat twijfel bestaat over de identiteit van de vader van [appellant] maakt dit niet anders, nu deze twijfel losstaat van de inschrijving van het huwelijk in de gemeentelijke basisadministratie. De aantekening hierover die is geplaatst in de persoonslijst van [appellant] blijft ook na het ontlenen van gegevens aan de overgelegde huwelijksakte gehandhaafd. Er wordt slechts een gegeven toegevoegd aan de persoonslijst waarover geen twijfel bestaat.

Gelet op het voorgaande wordt door het inschrijven van het huwelijk in de gemeentelijke basisadministratie geen afbreuk gedaan aan de betrouwbaarheid en duidelijkheid van de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.7. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [appellant] behandelen. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep tegen het besluit van 7 september 2006 gegrond is. Het besluit dient te worden vernietigd.

2.8. Nu het college, gelet op deze uitkomst, bij het opnieuw voorzien in de zaak niet anders kan dan het primaire besluit van 16 maart 2006 herroepen, ziet de Afdeling aanleiding zelf in de zaak te voorzien op de wijze als in het dictum vermeld.

2.9. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2008 in zaak nr. 06/3985;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 7 september 2006, kenmerk A.B.2006.2.03097/AD;

V. herroept het besluit van 16 maart 2006, kenmerk BZ/KC/U0603.0037;

VI. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam het huwelijk van [appellant] met [partner] inschrijft in de gemeentelijke basisadministratie;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 7 september 2006;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.449,00 (zegge: veertienhonderdnegenenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Rotterdam aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX. gelast dat de gemeente Rotterdam aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 357,00 (zegge: driehonderdzevenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009.

176-591.