Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI0412

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
200901303/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lisse (hierna: het college) aan [verzoekster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesverwerkend bedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 9 januari 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2009/28 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901303/2/M1.

Datum uitspraak: 3 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Lisse,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lisse (hierna: het college) aan [verzoekster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesverwerkend bedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 9 januari 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 februari 2009, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 maart 2009, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door ing. R. Terlouw, en het college, vertegenwoordigd door A.A. Paulussen, D.A. Baars, beiden werkzaam bij de gemeente, en ing. M.P.C.J.M. van der Linden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het verzoek betreft vergunningvoorschrift C.3., eerste lid. Dit voorschrift bepaalt dat het afvalwater van huishoudelijke aard en niet-verontreinigd hemelwater de zuiveringstechnische voorziening(en) en eventuele controlevoorziening(en) niet mogen doorlopen, maar rechtstreeks, of via de afvoerleiding van deze voorziening(en), moeten worden afgevoerd naar een openbaar riool.

2.3. [verzoekster] voert aan dat het hemelwater gecombineerd met bedrijfsafvalwater wordt afgevoerd. Zij stelt het bedrijfsgebouw dateert van rond 1950 en dat de leidingen zijn verwerkt in de wanden en de vloeren. Volgens haar is in 2000 onderzocht of het mogelijk was de hemelwaterafvoeren af te koppelen. [verzoekster] stelt dat de kosten daarvan toen ongeveer 95.000 gulden (excl. BTW) waren en dat uit overleg met het college zou zijn gebleken dat ook het college deze kosten te hoog achtte ten opzichte van het milieurendement van deze maatregel. Zij stelt dat de lozingseisen niet worden overschreden en dat geen vet in het gemeentelijke riool wordt afgezet. [verzoekster] is van mening dat haar enige tijd had moeten worden gegund om aan dit voorschrift te voldoen en dat nader onderzoek verricht had moeten worden naar de mogelijkheid om het overgrote deel van het regenwater tegen relatief geringe kosten afzonderlijk af te voeren.

2.3.1. Het college voert aan dat de vetafscheider niet goed functioneert wanneer daardoor hemelwater wordt geleid, dit kan in de riolering tot vetophoping en verstoppingen leiden. Volgens het college ontbreekt het spoedeisend belang, omdat reeds ingevolge het besluit van 20 juli 1999 aan deze eis zou moeten worden voldaan. Een termijn is naar de mening van het college niet nodig, omdat, wanneer tot handhaving zou worden overgegaan, nog een begunstigingstermijn gegeven moet worden en derden geen belang hebben bij naleving van het voorschrift. Het college erkent dat zich nog geen problemen hebben voorgedaan, maar stelt dat daarmee niet vaststaat dat dat in de toekomst zo blijft en dat het een gangbare en gebruikelijke maatregel is. De kosten daarvan acht het college mede in verband daarmee niet te hoog.

2.3.2. De voorzitter overweegt dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat namens het college de feitelijke functionering van de riolering is onderzocht en dat bij dat onderzoek geen vetafzettingen zijn aangetroffen. Het college heeft op basis van het besluit van 20 juli 1999 geen handhavingsmaatregelen getroffen. In de reactie op de zienswijze van [verzoekster] op het ontwerp van het bestreden besluit, heeft het college niet vermeld dat naar zijn mening reeds op grond van het besluit van 20 juli 1999 aan deze eis moest worden voldaan, wat daarvan ook zij. Gelet hierop ziet de voorzitter, in afweging van de betrokken belangen, aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Lisse van 7 januari 2009, voor zover het vergunningvoorschrift C.3., eerste lid, betreft;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Lisse tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Lisse aan [verzoekster] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat de gemeente Lisse aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Bijleveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2009

433.