Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI0398

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
200802867/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Someren (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 14 februari 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/867
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802867/1.

Datum uitspraak: 8 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Someren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Someren (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 14 februari 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, en het college, vertegenwoordigd door J.T.A. Verhoeven, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Het college stelt dat [appellant] geen zienswijzen heeft ingebracht met betrekking tot stank- en vliegenhinder van de kadaverplaats, zodat de hierop betrekking hebbende beroepsgronden niet-ontvankelijk zijn.

2.1.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.1.2. [appellant] heeft over het ontwerpbesluit zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot de emissie van stank uit de inrichting. De beroepsgrond met betrekking tot de stankoverlast van de kadaverplaats heeft daarop eveneens betrekking. Gelet hierop is er — anders dan het college stelt — geen aanleiding om het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

[appellant] heeft evenwel geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot vliegenhinder. Nu niet is gebleken dat redelijkerwijs niet kan worden verweten dat over deze categorie van milieugevolgen geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, is de beroepsgrond met betrekking tot vliegenhinder niet-ontvankelijk.

Vergunningsituatie

2.2. Voor de inrichting is eerder bij besluit van 8 oktober 2001 krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend voor onder andere het houden van 1.515 vleesvarkens, verdeeld over een aantal stallen.

De bij het bestreden besluit verleende revisievergunning heeft onder andere betrekking op uitbreiding van het veebestand tot 3.440 vleesvarkens, verdeeld over vier stallen.

Algemeen toetsingskader

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Geluidhinder

2.4. [appellant] stelt dat moet worden gevreesd voor geluidhinder van het in werking zijn van de inrichting. Hij betoogt dat voor het eenmaal per week laden en afvoeren van varkens ten onrechte een ontheffing is gegeven van de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode in de representatieve bedrijfssituatie. Onder verwijzing naar een door hem ingebracht geluidrapport van G&O Consult B.V. van 18 maart 2008 en een aanvullende notitie van 27 augustus 2008, voert [appellant] aan dat de extra geluidbelasting vanwege deze activiteit kan worden voorkomen door het realiseren van een geluidscherm van 14 meter lang en 3 meter hoog ter plaatse van de oude, direct naast zijn woning [locatie 2] gelegen inrit, die volgens hem niet meer nodig is.

2.4.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 3.1.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie, ter plaatse van de gevels van woningen van derden niet meer bedragen dan 40 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond-, en nachtperiode.

Ingevolge vergunningvoorschrift 3.1.6 mag van het gestelde in voorschrift 3.1.1 eenmaal per week worden afgeweken ten behoeve van het laden en afvoeren van varkens in de dagperiode. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode mag dan niet meer bedragen dan 43 dB(A) ter plaatse van de woning aan de [locatie 2].

2.4.2. Voor de beoordeling van de vanwege de inrichting te duchten geluidhinder heeft het college hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5, paragraaf 5.3, van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998 van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen.

Paragraaf 5.3 van de Handreiking biedt de mogelijkheid om voor regelmatige afwijkingen van representatieve bedrijfssituaties met een beperkte frequentie, maar vaker dan 12 keer per jaar, een hogere geluidemissie toe te staan dan onder de representatieve omstandigheden. Voor deze situaties kan het, na bestuurlijke afweging, toelaatbaar worden geacht dat vergunning wordt verleend tot een hogere grenswaarde. Daarbij zal het feit of er in die situaties sprake is van hinder en zo ja, in welke mate en in welke frequentie, een belangrijke rol spelen. Steeds zal een belangenafweging moeten plaatsvinden bij de vraag of de vergunning op deze wijze kan worden verleend, afhankelijk van het tijdstip en de duur van de activiteit, de frequentie van voorkomen, de hoogte van het geluidniveau (absoluut en relatief), de noodzaak dan wel onvermijdelijkheid van de betreffende activiteit, de redelijkerwijs te treffen maatregelen en het zich al dan niet voordoen van incidentele bedrijfssituaties.

2.4.3. Het college heeft omtrent het eenmaal per week laden en afvoeren van varkens overwogen dat het een voor de bedrijfsvoering noodzakelijke activiteit betreft die telkens slechts één uur duurt en één transport omvat dat plaatsvindt over de het verst van de woning [locatie 2] gelegen inrit. Het college acht verdere geluidreducerende maatregelen redelijkerwijs niet mogelijk. Wat het door [appellant] gewenste geluidscherm betreft, heeft het college onder meer overwogen dat na realisering daarvan het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode in de representatieve bedrijfssituatie nog steeds met 1 dB(A) zou worden overschreden, zodat het in zoverre niet doelmatig kan worden geacht. Verder zou realisering van dit geluidscherm betekenen dat de inrit, die is gelegen naast de woning [locatie 2] en blijkens de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende aanvraag wordt gebruikt voor personenwagens, wordt geblokkeerd. Gezien het vorenstaande, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor onaanvaardbare geluidhinder vanwege het eenmaal per week laden en afvoeren van varkens in de dagperiode niet behoeft te worden gevreesd.

De beroepsgrond faalt.

Stankhinder vanwege de dierenverblijven

2.5. [appellant] stelt dat moet worden gevreesd voor stankhinder van de inrichting. Volgens hem wordt niet voldaan aan de op grond van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) in acht te nemen afstand tussen zijn woning aan de [locatie 2] en het dichtstbijzijnde emissiepunt in de inrichting. Onder verwijzing naar een landmeetkundige meting van 29 augustus 2008, die in zijn opdracht is verricht door Maatvoeren & Landmeten B.V., stelt hij dat deze afstand minder dan 50 meter bedraagt.

2.5.1. Niet in geschil is dat de woning van [appellant] een voor stank gevoelig object categorie V in de zin van de Wet stankemissie is.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wet stankemissie bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een voor stank gevoelig object categorie V ten minste 50 meter.

Ingevolge artikel 4, derde lid, van de Regeling stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden wordt de afstand, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet stankemissie, gemeten vanaf de buitenzijde van het voor stank gevoelig object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van een dierenverblijf.

2.5.2. Ter zitting is gebleken dat in de landmeetkundige meting die in opdracht van [appellant] is verricht, is uitgegaan van een onjuiste ligging van de emissiepunten in de inrichting. De afstand tussen de woning van [appellant] en het dichtstbijzijnde emissiepunt in de inrichting bedraagt dan ook niet minder dan 50 meter, maar - zoals blijkt uit het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting - circa 60 meter. Derhalve is

- anders dan [appellant] betoogt - voldaan aan de op grond van de Wet stankemissie tot deze woning minimaal aan te houden afstand van 50 meter.

De beroepsgrond faalt.

Stankhinder vanwege de kadaverplaats

2.6. [appellant] stelt dat moet worden gevreesd voor stankhinder van het gebruik van de kadaverplaats. Hij voert aan dat de kadaverplaats op korte afstand van zijn woning is gelegen en dat de kadaveropslag niet gekoeld is.

2.6.1. Ter beperking van onder meer stankhinder veroorzaakt door kadavers heeft het college de voorschriften 1.5.1, 1.5.2 en 1.5.3 aan de vergunning verbonden.

In voorschrift 1.5.1 is bepaald dat kadavers moeten worden aangeboden aan de destructor op de kadaverplaats.

In voorschrift 1.5.2 is bepaald dat het reinigen en ontsmetten van de kadaverkap of kadaverton moet plaatsvinden boven een kadaverplaats. Indien de kadavers aan de destructor worden aangeboden op de mobiele kadaverbak of in een kadaverton, moeten deze worden gereinigd en ontsmet op een reiniging- en ontsmettingplaats voor veewagens elders binnen de inrichting.

In voorschrift 1.5.3 is bepaald dat, behalve tijdens het ledigen, de kadaveraanbiedvoorziening door middel van een verzwaard en goed sluitend deksel of daaraan gelijkwaardige voorziening gesloten moet worden gehouden.

2.6.2. De Afdeling stelt op grond van de stukken vast dat bij de inrichting geen opslag van kadavers plaatsvindt, maar dat, zoals gebruikelijk is op een veehouderij, een aanbiedplaats voor kadavers aanwezig is, vanwaar kadavers worden opgehaald door een destructiebedrijf. Deze kadaverplaats staat, blijkens de aanvraag, opgesteld direct aan de weg en is gelegen op circa 21 meter van de woning van [appellant]. Ter zitting is voorts gebleken dat de kadavers alleen direct voor het afhalen op de kadaverplaats worden aangeboden.

Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor onaanvaardbare stankhinder vanwege de kadaverplaats niet behoeft te worden gevreesd en dat de voorschriften 1.5.1, 1.5.2 en 1.5.3 toereikend zijn.

De beroepsgrond faalt.

Ammoniakemissie

2.7. [appellant] stelt dat de stallen 7, 8 en 9, die traditioneel zijn uitgevoerd, wat de emissie van ammoniak betreft niet voldoen aan de in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Hij betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2007 in zaak nr. 200609287/1 waarin een besluit aan de orde is waarbij vergunning was verleend voor traditionele stallen, dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer. [appellant] betoogt verder dat het college op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan de interne salderingsmethode, opgenomen in artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij. Volgens [appellant] mag de interne salderingsmethode slechts worden toegepast indien de totale ammoniakemissie van de inrichting afneemt ten opzichte van de eerder vergunde situatie.

2.7.1. Volgens het college wordt, ondanks dat in de stallen 7,8 en 9 traditionele huisvestingssystemen worden toegepast, voldaan aan de interne salderingsmethode, opgenomen in artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij, zodat wat de emissie van ammoniak van de inrichting betreft de in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

2.7.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7. Ingevolge het derde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, geldt het eerste lid niet voor het stellen van voorschriften met toepassing van de artikelen 8.11, 8.40, 8.45 of 8.46 van de Wet milieubeheer en het weigeren van de vergunning met toepassing van artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Daarbij geldt dat de vergunningverlening moet worden beoordeeld naar de overeenstemming van de som van de ammoniakemissies uit de tot de inrichting behorende dierenverblijven met de som van de ammoniakemissies die zijn toegestaan bij een beoordeling per afzonderlijk huisvestingssysteem, met dien verstande dat een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, afzonderlijk aan de voorschriften moet voldoen.

2.7.3. Zoals in de door [appellant] genoemde uitspraak is overwogen, volgt uit artikel 8.10, tweede lid, aanhef en onder a, en artikel 8.11, derde lid, tweede volzin, van de Wet milieubeheer, dat in een inrichting of delen waarvoor vergunning wordt verleend, onmiddellijk de daarvoor in aanmerking komende beste beschikbare technieken dienen te worden toegepast.

Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2008 in zaak nr. 200708807/1 ligt besloten, moet artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 3, derde lid, tweede volzin, van de Wet ammoniak en veehouderij zo worden uitgelegd dat sprake is van toepassing van de beste beschikbare technieken wanneer de som van de ammoniakemissies uit de tot de inrichting behorende dierenverblijven niet hoger is dan de som van de ammoniakemissies die als maximale emissiewaarden bedoeld in het Besluit ammoniakemissie huisvesting - ten tijde van het nemen van het bestreden besluit opgenomen in de Regeling ammoniak en veehouderij - zijn toegestaan bij een beoordeling per afzonderlijk huisvestingssysteem.

2.7.4. Op 1 januari 2007 waren de huisvestingssystemen van de stallen 7, 8 en 9 reeds in de veehouderij aanwezig. Indien alle afzonderlijke stalsystemen in de inrichting met een emissiearm huisvestingssysteem zouden zijn uitgevoerd waarvan de ammoniakemissie gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, dan zou de totale ammoniakemissie van de inrichting 4.816 kg per jaar bedragen. De in totaal vergunde ammoniakemissie is lager, namelijk 4.544,64 kg per jaar. Aldus voldoet de totale ammoniakemissie waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is verleend ten minste aan de norm geldend voor de situatie waarin alle afzonderlijke stalsystemen zouden voldoen aan de maximale emissiewaarde als bedoeld in de Regeling ammoniak en veehouderij.

Niet valt in te zien waarom in dit geval - zoals [appellant] betoogt - de interne salderingsmethode niet van toepassing is. Het college heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij in zoverre niet noopt tot weigering van de gevraagde milieuvergunning en dat, wat de emissie van ammoniak van de inrichting betreft, wordt voldaan aan de in aanmerking komende beste beschikbare technieken.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

2.8. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat betrekking heeft op vliegenhinder;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Timmerman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2009

431-584.