Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH9267

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
200805575/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 december 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boskoop (hierna: het college) aan [appellant] vrijstelling verleend voor het gebruik van de bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel) als burgerwoning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805575/1/H1.

Datum uitspraak: 1 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 juni 2008 in zaak nr. 07/703 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Boskoop.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boskoop (hierna: het college) aan [appellant] vrijstelling verleend voor het gebruik van de bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel) als burgerwoning.

Bij besluit van 18 augustus 2004 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 2 december 2003 herroepen.

Bij uitspraak van 19 oktober 2005 heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 18 augustus 2004 vernietigd.

Bij besluit van 8 november 2005 heeft het college het bezwaar wederom gegrond verklaard en de gevraagde vrijstelling alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 26 juli 2006 in zaak nr. 200509930/1, heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank van 19 oktober 2005 bevestigd, het beroep tegen het besluit van 8 november 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Bij besluit van 18 december 2006 heeft het college het bezwaar wederom gegrond verklaard, het besluit van 25 november 2003 (lees: 2 december 2003) ingetrokken en alsnog afwijzend beslist op het verzoek om vrijstelling.

Bij besluit van 16 februari 2007 heeft het college zijn besluit van 18 december 2006 gewijzigd in die zin het besluit van 2 december 2003 wordt herroepen en alsnog afwijzend wordt beslist op het verzoek om vrijstelling.

Bij uitspraak van 16 juni 2008, verzonden op 18 juni 2008, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 december 2006 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft gereageerd bij brief van 2 oktober 2008.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J. Booij, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.J. van Nuland, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en vergezeld van ing. C.S. Mook, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het perceel is ingevolge het bestemmingsplan "Sierteeltgebied, na tweede herziening" (hierna: het bestemmingsplan) bestemd voor "Agrarische doeleinden" met subbestemming "Sierteelt".

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de doeleindenomschrijving en de overige voorschriften.

Ingevolge artikel 23, vierde lid, verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bepaalde in lid 1, indien strikte toepassing van het verbod leidt tot beperkingen in het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen worden gerechtvaardigd.

2.2. [appellant] en [belanghebbende] exploiteerden tot 2001 gezamenlijk een sierteeltbedrijf op het perceel en de daarachter gelegen gronden, die tezamen het bedrijfsperceel vormden. In dat jaar heeft [appellant] zich teruggetrokken uit het bedrijf en is het perceel afgesplitst van die gronden, waarbij [appellant] de bedrijfswoning is blijven bewonen. Vaststaat dat het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning in strijd is met het bestemmingsplan.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de in artikel 23, vierde lid, van de planvoorschriften opgenomen, zogenoemde, toverformule.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals de uitspraak van 19 december 2007 in zaak nr. 200703532/1, kan aan de toverformule slechts toepassing worden gegeven indien een zinvol gebruik overeenkomstig het geldende bestemmingsplan objectief gezien niet meer mogelijk is.

2.4. Bij het bestreden besluit van 18 december 2006 heeft het college het standpunt ingenomen dat een toekomstig gebruik van de woning als bedrijfswoning niet is uitgesloten. Het college heeft er in dat verband op gewezen dat de achter het perceel liggende gronden grotendeels tot één bedrijf behoren en dat niet kan worden uitgesloten dat die gronden zullen worden samengevoegd met het perceel. Het college heeft er op gewezen dat [appellant] te kennen heeft gegeven het perceel en de woning te willen verkopen, terwijl [belanghebbende] heeft aangeboden dit te kopen.

2.5. Anders dan [appellant] betoogt, valt niet in te zien dat de rechtbank gelet op de bij de behandeling van de zaak ter zitting ontstane onduidelijkheid over de bedrijfssituatie ter plaatse en het belang van die situatie voor de door haar te beantwoorden rechtsvraag, niet heeft kunnen beslissen het onderzoek ter zitting te schorsen en het college op te dragen daarnaar nader onderzoek in te stellen. De rechtbank is daarmee niet getreden buiten de omvang van het geschil.

2.6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat een gebruik van de woning als bedrijfswoning niet meer mogelijk is omdat de gronden achter het perceel deel uitmaken van één bedrijf, dat beschikt over twee bedrijfswoningen.

Dat betoog faalt. De woningen op de percelen [locatie 2] en [locatie 3] kunnen niet worden aangemerkt als bedrijfswoningen van het op de gronden achter het perceel gevestigde [bedrijf]. Onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de op het perceel [locatie 2] gevestigde boomkwekerij en de handelskwekerij één bedrijf vormen. De handelskwekerij is een zelfstandige rechtspersoon met van de boomkwekerij afwijkende bedrijfsactiviteiten. Niet aannemelijk is gemaakt dat de bedrijfsvoering van beide bedrijven zodanig met elkaar is vervlochten dat feitelijk sprake is van één bedrijf. Dat de bedrijven tot dezelfde bedrijfssector behoren en deel uitmaken van een holding waarbij beide zoons van [belanghebbende] zijn betrokken, is onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van één bedrijf in de zin van de planvoorschriften. De woning op het perceel [locatie 3] is niet gelegen naast of bij de productiegronden die in eigendom of gebruik zijn van de handelskwekerij. Die woning was de oorspronkelijk bedrijfswoning van een ander bedrijf, dat zijn productiegronden achter die woning had. De omstandigheid dat de woning aan de [locatie 3] in afwachting van de beschikbaarheid van de bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] wordt bewoond door de zoon van [belanghebbende], die de handelskwekerij feitelijk exploiteert, maakt dat niet anders. Uit het voorgaande volgt dat het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat de handelskwekerij niet over een bedrijfswoning beschikt. Nu het college, gelet op de onderhandelingen die daarover tussen [appellant] en [belanghebbende] gaande zijn, een samenvoeging van het perceel met de daarachter gelegen productiegronden van de handelskwekerij terecht niet ondenkbeeldig heeft geacht, is een zinvol gebruik overeenkomstig het bestemmingsplan nog mogelijk. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de toverformule. In deze procedure staat niet ter beoordeling of de handelskwekerij de gronden achter het perceel gebruikt overeenkomstig het bestemmingsplan.

2.7. Voor zover [appellant] betoogt dat in vergelijkbare gevallen in het verleden toepassing is gegeven aan de toverformule en dat dit met zich brengt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de toepassing daarvan in dit geval niet kon weigeren, faalt dat betoog. De door [appellant] concreet genoemde situatie die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2008, in zake nr. 200707048/1, betreft geen gelijk geval. In die zaak was, anders dan in deze zaak, na afsplitsing van de bedrijfswoning en samenvoeging van het resterende gedeelte met het naastgelegen bedrijf, een bouwvergunning verleend voor een nieuwe bedrijfswoning ten behoeve van dat bedrijf. Voor zover [appellant] in het algemeen op andere, niet met name genoemde situaties in Boskoop heeft gewezen, faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds omdat dit beginsel niet zover strekt dat het college in strijd met artikel 23, vierde lid, van de planvoorschriften vrijstelling zou dienen te verlenen.

2.8. Ten slotte bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Gelet op het voorgaande stond vast dat het college niet bevoegd was alsnog toepassing te geven aan de toverformule.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Willems

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009

412.