Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH9266

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
200708906/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 november 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Zaanstad (hierna: de raad) bij besluit van 26 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Molletjesveer" (hierna: het bestemmingsplan).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/2064
ABkort 2009/173
JOM 2009/291
OGR-Updates.nl 09-80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708906/1.

Datum uitspraak: 1 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Zaanstad,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Zaanstad,

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], gemeente Zaanstad,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Forbo Eurocol B.V., gevestigd te Wormerveer, gemeente Zaanstad,

5. [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats], gemeente Zaanstad, respectievelijk [woonplaats], gemeente Graft-De Rijp,

6. [appellant sub 6], gevestigd te [plaats], gemeente Zaanstad,

7. [appellant sub 7], gevestigd te [plaats], gemeente Wormerland,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Zaanstad (hierna: de raad) bij besluit van 26 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Molletjesveer" (hierna: het bestemmingsplan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2007, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 januari 2008, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2008, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Forbo Eurocol B.V. (hierna: Eurocol) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2008, [appellanten sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2008, [appellant sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2008, en [appellant sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2008, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 1 februari 2008. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben hun beroepen aangevuld bij brieven van 1 februari 2008 onderscheidenlijk 7 februari 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellanten sub 1], [appellant sub 2], Eurocol, [appellanten sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 3] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2009, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. H.F. Dijkstra, advocaat te Purmerend, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. ing. E. de Vilder, advocaat te Alkmaar, [appellanten sub 5], bijgestaan door mr. H. Elmas, advocaat te Wormer, [appellant sub 7], vertegenwoordigd door [gemachtigden] en bijgestaan door mr. H. Elmas, voornoemd, Eurocol en [appellant sub 6], vertegenwoordigd door mr. H. Elmas, voornoemd, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. van Dijck, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts zijn de raad, vertegenwoordigd door mr. N.A.E. van Offeren en B. de Vries, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [appellant sub 7], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. H. Elmas, voornoemd, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.2. Het plan heeft betrekking op het bedrijventerrein Molletjesveer. Doel van het plan is om een eigentijds planologisch/juridisch kader te bieden voor het behouden en versterken van de bedrijfsfunctie en het beschermen van het woon- en leefmilieu in en rondom het gebied. De raad heeft in het plan gekozen voor inwaartse zonering omdat daar behoefte aan bestaat gelet op de reeds bestaande woningen in en om het plangebied en op de ontwikkeling van woningbouwlocatie Willis ten westen van het bedrijventerrein.

Ontvankelijkheid

2.3. Het college en de raad stellen dat het beroep van [appellant sub 7] voor zover dat is gericht tegen de bestemming "Verblijfsdoeleinden" ter plaatse van de gronden aan de [locaties sub 1], niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu zij deze beroepsgrond niet in haar zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.3.1. Het beroep van [appellant sub 7] voor zover het is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Verblijfsdoeleinden" ter plaatse van haar gronden steunt, naar [appellant sub 7] ter zitting heeft erkend, niet op een bij de raad binnen de zienswijzetermijn naar voren gebrachte zienswijze. Wat betreft het standpunt van [appellant sub 7] dat zij in een brief aan de raad wel is ingegaan op de bestemming "Verblijfsdoeleinden" ter plaatse van haar gronden, overweegt de Afdeling dat deze brief dateert van 19 april 2007 en derhalve ongeveer 10 maanden na afloop van de termijn voor het indienen van zienswijzen is ingebracht.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep van [appellant sub 7] is in zoverre niet-ontvankelijk.

Formele aspecten

2.4. Wat betreft het standpunt van [appellanten sub 1], Eurocol, [appellant sub 6], [appellanten sub 5], en [appellant sub 7] dat het college niet op al hun gronden is ingegaan, overweegt de Afdeling dat het college in het bestreden besluit hierop is ingegaan nu het zich in dit verband heeft aangesloten bij de reactie van de raad op hetgeen zij ter zake naar voren hebben gebracht.

De betogen missen feitelijke grondslag.

2.5. Met betrekking tot de gronden die [appellanten sub 1], Eurocol, [appellant sub 6], [appellanten sub 5], en [appellant sub 7] in hun beroepschrift niet expliciet hebben vermeld, maar alleen door middel van een verwijzing naar de zienswijze, bedenkingen en overige stukken in het beroepschrift hebben herhaald en ingelast, overweegt de Afdeling dat zij in een nader stuk noch ter zitting redenen hebben aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden in het bestreden besluit onjuist zou zijn. In hetgeen zij in zoverre hebben aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De betogen falen.

2.6. Eurocol, [appellant sub 6], [appellanten sub 5], [appellant sub 7] en [appellant sub 3] stellen dat in het vastgestelde plan niet geringe wijzigingen zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan en dat gelet hierop het plan opnieuw in procedure had moeten worden gebracht. In dit verband wijzen Eurocol en [appellant sub 3] in het bijzonder op het eerst in het vaststellingsbesluit opnemen van een regeling met betrekking tot bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi), welke regeling, naar zij stellen, grote invloed heeft op de in het plangebied gelegen risicovolle inrichtingen en bedrijfswoningen.

2.6.1. Het college en de raad stellen dat zowel bij het ontwerpbestemmingsplan als bij het vastgestelde bestemmingsplan bedrijven zijn toegestaan ter plaatse van de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden". Bij het ontwerpbestemmingsplan waren risicovolle inrichtingen bij recht toegestaan en bij het vastgestelde plan is ervoor gekozen dergelijke inrichtingen alleen toe te staan bij wijze van een vrijstellingsbevoegdheid. Het opnemen van een vrijstellingsbevoegdheid ten behoeve van risicovolle inrichtingen in het vastgestelde plan, waar het ontwerpbestemmingsplan bij recht voorzag in deze inrichtingen, heeft volgens het college en de raad niet tot gevolg dat moet worden geoordeeld dat een wezenlijk ander plan voorligt.

2.6.2. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vaststaat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen. Deze afwijkingen van het ontwerp zijn naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat zowel bij het ontwerp als bij het vastgestelde plan ter plaatse van de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" bedrijven die vallen in de VNG-categorieën 2, 3.1., 3.2. en 4.1., waren toegestaan. Het niet meer toestaan van risicovolle inrichtingen bij recht maar door middel van een vrijstellingsbevoegdheid betreft, afgezien van de vraag of de vrijstellingsbepaling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en het recht, naar aard en omvang geen zodanig grote wijziging ten opzichte van het ontwerp dat moet worden geoordeeld dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld.

Het betoog faalt.

Bouwmogelijkheden

2.7. Eurocol, [appellanten sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] stellen dat de definitie van het begrip bebouwingspercentage ten onrechte afhankelijk is gesteld van de definitie van het begrip bouwperceel, nu laatstgenoemd begrip onduidelijk is omdat het is gerelateerd aan de eigendom van de percelen. Dit heeft tot gevolg dat onzeker is wat de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing is en dat daarnaast, naar gesteld, de bebouwingsmogelijkheden van Eurocol worden ingeperkt. Eurocol voert daartoe aan dat zij een deel van de gronden die zij in gebruik heeft, in eigendom heeft en een ander deel van die gronden pacht.

2.7.1. Ingevolge artikel 10, vierde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften geldt voor het bouwen als bedoeld in lid 3 dat het bebouwingspercentage zoals aangegeven op de plankaart niet mag worden overschreden. Ingevolge dat lid, onder f, mogen daar waar op de plankaart de aanduiding "B(z)" (zonder gebouwen) voorkomt, geen gebouwen worden opgericht.

Ingevolge artikel 1, onder 11, wordt onder bebouwingspercentage verstaan een op de plankaart of in de voorschriften aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwperceel aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.

Ingevolge artikel 1, onder 21, wordt onder een bouwperceel verstaan een aaneengesloten stuk grond, samenvallend met een kadastraal perceel of met aan dezelfde eigena(a)r(en) toebehorende kadastrale percelen, waarop krachtens het plan zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.7.2. Bij de vaststelling van de omvang van het bouwperceel is de actuele situatie bepalend waarbij in beginsel wordt uitgegaan van kadastrale percelen. Een wijziging in de eigendomsverhoudingen na de vaststelling van het bestemmingsplan kan dan ook van belang zijn voor de vraag of de omvang van het bouwperceel is gewijzigd. Niet valt in te zien dat de in artikel 1, onder 21, van de planvoorschriften gelegde relatie met de eigendomsgrenzen tot onduidelijkheid zal leiden. In hetgeen Eurocol heeft aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat met het begrip bouwperceel onvoldoende recht wordt gedaan aan haar belangen, nu de percelen die zij blijkens het deskundigenbericht in eigendom heeft respectievelijk pacht met het recht tot aankoop, voor de berekening van het maximale bebouwingspercentage moeten worden aangemerkt als afzonderlijke percelen met afzonderlijke bebouwingspercentages. Dit leidt per saldo niet tot een afname van de bouwmogelijkheden op deze percelen, daargelaten dat voor het bouwen op gronden die worden gepacht de medewerking van de eigenaar van die gronden nodig zal zijn.

De betogen falen in zoverre.

2.7.3. Wat betreft het standpunt van Eurocol, [appellanten sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] dat onduidelijk is of bij de bepaling van het maximale bebouwingsoppervlak de totale oppervlakte van de percelen dient te worden betrokken, dus inclusief de percelen met de aanduiding "B(z)" - "Bedrijfsdoeleinden", "zonder gebouwen" - overweegt de Afdeling als volgt. Uit artikel 10, vierde lid, aanhef en onder a, en artikel 1, onder 11 en 21, van de planvoorschriften volgt dat het bebouwingspercentage de grootte van het deel van een bouwperceel aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd en dat onder bouwperceel, kort gezegd, wordt verstaan een perceel waarop bebouwing is toegestaan. Hieruit volgt dat voor de berekening van de oppervlakte van het perceel dat mag worden bebouwd eveneens de gronden ter plaatse van de aanduiding "B(z)" dienen te worden betrokken. Immers, ter plaatse van de aanduiding "B(z)" mogen ingevolge artikel 10, vierde lid, onder f, van de planvoorschriften weliswaar geen gebouwen worden gebouwd, maar het realiseren van bouwwerken, niet zijnde gebouwen, is niet verboden. Dit heeft als consequentie dat indien op de gronden met de aanduiding "B(z)" geen bouwwerken zijn gerealiseerd, op de gronden waarop wel gebouwen zijn toegestaan, een grotere oppervlakte aan gebouwen mag worden gerealiseerd, dan indien op de gronden met de aanduiding "B(z)" reeds bouwwerken zijn gerealiseerd. In hetgeen Eurocol, [appellanten sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] hebben aangevoerd wordt gelet hierop geen grond gevonden voor het oordeel dat vorengenoemde voorschriften onduidelijk zijn.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de definitie van het begrip bouwperceel onduidelijk is en dat in de definitie van het begrip bebouwingspercentage ten onrechte hiernaar wordt verwezen.

De betogen falen.

Vrijstellingsbevoegdheid ten behoeve van risicovolle inrichtingen

2.8. [appellant sub 3] stelt dat de in artikel 10, zesde lid, van de planvoorschriften opgenomen bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders vrijstelling te verlenen van het verbod tot het gebruik van de gronden voor risicovolle inrichtingen, een binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid ingevolge artikel 15 van de WRO betreft. Deze vrijstellingsbevoegdheid is volgens hem in strijd met vaste jurisprudentie waaruit volgt dat het college van burgemeester en wethouders niet de bevoegdheid mag krijgen het plan ingrijpend te wijzigen. Eurocol stelt in dit verband dat met de in artikel 10, zesde lid, van de planvoorschriften opgenomen bevoegdheid de functie van het bestemmingsplan wordt ondermijnd en de gebruiksmogelijkheden niet afdwingbaar en daardoor rechtsonzeker zijn. Immers in het bestemmingsplan noch in gemeentelijk beleid zijn duidelijke criteria voor het verlenen van vrijstelling vastgelegd, aldus Eurocol.

2.8.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden" bestemd voor bedrijven zoals genoemd in de Lijst van bedrijfstypen behorende tot ten hoogste de categorie zoals op de plankaart staat aangegeven, met uitzondering van risicovolle inrichtingen. Ingevolge artikel 10, zevende lid, van de planvoorschriften is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met deze bestemming.

Ingevolge artikel 10, vijfde lid, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 1 teneinde bedrijven toe te laten die voorkomen in één categorie (d.w.z. één afstandsstap) hoger dan algemeen toelaatbaar, indien en voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm alsmede getoetst aan de aangegeven maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden te behoren tot de algemeen toelaatbare categorieën van de Lijst van bedrijfstypen dan wel teneinde bedrijven toe te laten die niet in de Lijst van bedrijfstypen zijn genoemd, indien en voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de algemeen toelaatbare categorieën van de Lijst van bedrijfstypen.

Ingevolge artikel 10, zesde lid, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 1, mits de toepasselijke grenswaarden voor het risico en risico-afstanden ten aanzien van kwetsbare objecten worden afgewogen dan wel met de toepasselijke richtwaarden voor het risico en risico-afstanden ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten rekening wordt gehouden.

2.8.2. De Afdeling stelt vast dat de formulering in artikel 10, zesde lid, van de planvoorschriften dat de grenswaarden worden afgewogen, niet overeenstemt met het Bevi, waarin is bepaald dat grenswaarden in acht moeten worden genomen. Voorts is in het deskundigenbericht vermeld dat met deze vrijstellingsbevoegdheid een ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt die ingrijpend kan afwijken van de bestaande en als zodanig bestemde situatie. In dit verband is van belang dat in en om het plangebied reeds kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aanwezig zijn en dat daarnaast ten westen van het plangebied de woningbouwlocatie Willis zal worden ontwikkeld. De vrijstellingsbevoegdheid uit artikel 10, zesde lid, van de planvoorschriften is daarentegen van toepassing op alle plandelen die zijn bestemd als "Bedrijfsdoeleinden", en derhalve op vrijwel het gehele plangebied. Nu voorts enkele risicovolle inrichtingen ingevolge de Lijst van Bedrijfstypen behorende bij het bestemmingsplan zijn aangemerkt als een categorie 3-bedrijf en in een groot deel van het plangebied bedrijven zijn toegestaan die vallen in die categorie, kan voor een groot deel van het plangebied vrijstelling worden verleend ten behoeve van de vestiging van risicovolle inrichtingen, zonder dat tevens een vrijstelling ingevolge artikel 10, vijfde lid, van de planvoorschriften is vereist. Gelet hierop is bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening gehouden met kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten die op voorhand aan de vestiging van risicovolle inrichtingen in sommige delen van het plangebied in de weg staan. Onder deze omstandigheden heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in artikel 10, zesde lid, van de planvoorschriften opgenomen binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

De betogen slagen.

2.8.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] en Eurocol hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 10, zesde lid, van de planvoorschriften niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het planvoorschrift goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

2.8.4. De beroepen van Eurocol en [appellant sub 3] zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 10, zesde lid, van de planvoorschriften te worden vernietigd.

2.8.5. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan artikel 10, zesde lid, van de planvoorschriften.

Risicovolle inrichtingen

2.9. Ter zitting heeft [appellant sub 3] zijn beroepsgrond met betrekking tot de saneringsplicht van bedrijven ingetrokken.

2.10. Eurocol en [appellant sub 3] richten zich tegen de in het plan neergelegde keuze voor inwaartse zonering. Eurocol stelt daartoe dat zij ernstig in haar uitbreidingsmogelijkheden wordt beperkt door deze inwaartse zonering. [appellant sub 3] stelt in dit verband dat de resultaten van het onderzoek van AVIV B.V. van 25 februari 2005 ten onrechte niet in de tabel voor de risicozonering in het bestemmingsplan zijn verwerkt, waarbij hij in het bijzonder wijst op Eurocol. Daarnaast voert Eurocol aan dat het gemeentebestuur in dit verband stelt dat voor bestaande legale activiteiten die behoren tot een hogere categorie dan de categorie die uit de zonering voortvloeit, een maatbestemming is toegepast. Ten behoeve van Eurocol is echter geen maatbestemming opgenomen, terwijl in het bedrijf bedrijfsprocessen plaatsvinden die tot een zwaardere milieucategorie noodzaken, aldus Eurocol.

2.10.1. Ter zitting hebben het college en de raad zich op het standpunt gesteld dat Eurocol abusievelijk niet als zodanig is bestemd en op dit moment alleen is toegestaan op grond van het overgangsrecht.

2.10.2. De keuze voor inwaartse zonering heeft als consequentie dat de gronden ter plaatse van Eurocol zijn bestemd als "Bedrijfsdoeleinden" met de nadere aanduidingen "B(3.1.)", "B(3.2.)" en "B(z)".

Uit artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, en zevende lid, van de planvoorschriften volgt dat risicovolle inrichtingen niet zijn toegestaan ter plaatse van de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden".

Niet in geschil is dat Eurocol op het moment van het goedkeuringsbesluit moest worden aangemerkt als een risicovolle inrichting doch in het onderhavige plan niet als zodanig is bestemd. Gelet hierop is het plan vastgesteld en goedgekeurd in strijd met de vereiste zorgvuldigheid.

2.10.3. De conclusie is dat hetgeen Eurocol en [appellant sub 3] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

2.10.4. De beroepen van Eurocol en [appellant sub 3] zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van het bedrijfsterrein van Eurocol wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 10:27 van de Awb te worden vernietigd.

2.10.5. Wat betreft de verzoeken ter zitting van het college en de raad de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre in stand te laten, gelet op de wijziging van het Bevi, als gevolg waarvan naar zij stellen Eurocol niet meer onder dit Besluit valt, overweegt de Afdeling als volgt. Voor instandlating van de rechtsgevolgen in zoverre bestaat geen grond nu Eurocol ter zitting onder verwijzing naar haar werkzaamheden heeft bestreden dat zij op basis van het gewijzigde Bevi niet meer kan worden aangemerkt als een risicovolle inrichting en derhalve alsnog als zodanig zou zijn bestemd.

2.10.6. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van het bedrijfsterrein van Eurocol.

2.10.7. Gelet hierop behoeven de overige gronden van Eurocol en [appellant sub 3] met betrekking tot dit plandeel geen bespreking meer.

[locaties sub 1]

2.11. [appellanten sub 5] stellen dat aan het zuidoostelijk deel van hun gronden aan de [locaties sub 1] met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ten onrechte de aanduiding "zonder gebouwen" is toegekend. Als gevolg hiervan worden zij aanzienlijk beperkt in de gebruiksmogelijkheden van hun bedrijf dat opslagruimte verhuurt. De raad stelt volgens [appellanten sub 5] ten onrechte dat geen bebouwing mogelijk is vanwege de verkeersveiligheid nu een ambtenaar van de gemeente heeft aangegeven dat er ter hoogte van hun perceel geen verkeersongevallen bekend zijn.

2.11.1. Het college heeft zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat bebouwing op het perceel aan de [locaties sub 1] niet is toegestaan vanwege ruimtelijke kwaliteit, overzichtelijkheid voor het verkeer en verkeersveiligheid.

2.11.2. Ingevolge artikel 10, vierde lid, onder f, van de planvoorschriften mogen daar waar op de plankaart de aanduiding "B(z)" (zonder gebouwen) voorkomt, geen gebouwen worden gebouwd.

Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Ten westen van de watering" hadden de gronden van [appellanten sub 5] de bestemming "Industriële bedrijven, klasse A, met bijbehorende erven (BIA)". Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, van dat plan mogen op de gronden die als zodanig zijn bestemd gebouwen uitsluitend worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken. Ingevolge het eerste lid, onder 3, zal, voor zover van belang, de afstand van de gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrenzen ten minste 2 meter bedragen. Uit de kaart van dat plan volgt dat op het gehele perceel van [appellanten sub 5] een bouwvlak is gelegen, afgezien van een smalle strook langs de perceelsgrens.

Hieruit volgt dat [appellanten sub 5] als gevolg van het onderhavige plan ten opzichte van het voorheen geldende plan in hun bouwmogelijkheden worden beperkt.

2.11.3. De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

Wat betreft de belangen van verkeersveiligheid en overzichtelijkheid voor het verkeer is in het deskundigenbericht vermeld dat het zicht van het verkeer als gevolg van de realisering van bebouwing op het perceel van [appellanten sub 5] ter plaatse van de aanduiding "B(z)" niet kan verslechteren ten opzichte van de huidige situatie en dat de te realiseren bebouwing derhalve evenmin tot een verslechtering van de verkeersveiligheid kan leiden. Ter zitting hebben het college en de raad in reactie hierop erkend dat in dit geval niet zozeer verkeersveiligheid de motivering vormt voor het standpunt dat het onwenselijk is dat bebouwing langs de weg wordt gerealiseerd, maar met name stedenbouwkundige argumenten aan dit standpunt ten grondslag kunnen worden gelegd.

Met betrekking tot de ruimtelijke kwaliteit stelt het college, in navolging van de raad, dat door de strook met de aanduiding "zonder bebouwing" een goede ruimtelijke inpassing wordt bewerkstelligd van het bedrijfsperceel in de omgeving en de ruimtelijke karakteristiek en kwaliteit van de wegprofielen wordt gewaarborgd.

In het gehele plangebied is langs de openbare wegen, afhankelijk van de reeds bestaande bebouwing, een smallere of bredere strook met de aanduiding "zonder bebouwing" opgenomen. In dit verband is van belang dat ter plaatse van het perceel van [appellanten sub 5] een brede strook met de aanduiding "zonder bebouwing" is opgenomen en dat in vergelijking met andere percelen in het plangebied een relatief groot deel van het perceel van [appellanten sub 5] als gevolg hiervan niet mag worden bebouwd.

Het college heeft in het bestreden besluit niet afdoende gemotiveerd waarom op het perceel van [appellanten sub 5] een dergelijke brede strook met de aanduiding "zonder bebouwing" is gelegd. Immers, uit het deskundigenbericht volgt en ter zitting is door het college en de raad erkend dat dit uit het oogpunt van verkeersveiligheid niet nodig is en daarnaast is van belang dat op percelen in de omgeving van het perceel van [appellanten sub 5] ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit blijkens de plankaart kan worden volstaan met een smalle strook met de aanduiding "zonder bebouwing". Het college en de raad hebben zich weliswaar terecht op het standpunt gesteld dat de situatie ter plaatse van het perceel van [appellanten sub 5] verschilt met andere percelen in de omgeving nu de keuze voor een smalle strook met de aanduiding "zonder bebouwing" bij die andere percelen is ingegeven door de ter plaatse aanwezige bebouwing, maar het college en de raad hebben daarbij onvoldoende in acht genomen dat [appellanten sub 5] op 26 maart 2007 en derhalve op het moment dat het voorheen geldende plan in werking was, reeds concrete bouwplannen hadden ter plaatse van de aanduiding "zonder bebouwing" en als gevolg van het onderhavige plan derhalve aanzienlijk in hun gebruiksmogelijkheden worden beperkt. Hierbij betrekt de Afdeling dat het doel van het bestemmingsplan is om de bedrijfsfunctie op het bedrijventerrein te behouden en versterken.

De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 5] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

2.11.4. Het beroep van [appellanten sub 5] is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van de aanduiding "B(z)" op de percelen [locaties sub 1].

[locaties sub 2]

2.12. [appellanten sub 1] stellen dat in het bestemmingsplan ten onrechte geen mogelijkheid is opgenomen tot het realiseren van een bedrijfswoning op hun perceel [locaties sub 2], waarop zij hun autohandel en autoreparatiebedrijf willen vestigen. In dit verband voeren zij aan dat het niet toestaan hiervan zinloos en doelloos is. Daarnaast stelt de raad volgens hen ten onrechte dat het realiseren van een bedrijfswoning op hun perceel niet mogelijk is vanwege de gekozen inwaartse zonering op het bedrijventerrein, nu de zones van verschillende in de directe omgeving van hun perceel aanwezige bedrijfswoningen, mede gelet op het deskundigenbericht, grotendeels samenvallen met de zone die zou behoren bij de door hen te realiseren bedrijfswoning. Het niet toestaan van een bedrijfswoning op de desbetreffende gronden is volgens hen bovendien niet in overeenstemming met de doelstelling van het bestemmingsplan, te weten het behoud van kenmerkende kleinschaligheid, individualiteit en diversiteit van de bebouwing. Ten slotte voeren [appellanten sub 1] aan dat zij hun perceel pas hebben aangekocht na een toezegging van een ambtenaar van de gemeente dat ter plaatse een bedrijfswoning zou kunnen worden gerealiseerd.

2.12.1. Het college en de raad stellen dat in het voorheen geldende plan geen mogelijkheid bestond op het perceel van [appellanten sub 1] een bedrijfswoning te realiseren. Derhalve konden zij er bij de koop van hun perceel volgens het college en de raad niet zomaar vanuit gaan dat een bedrijfswoning gerealiseerd zou mogen worden. In dit verband stellen het college en de raad dat het op inwaarts gezoneerde bedrijventerreinen niet mogelijk is gevoelige bestemmingen te realiseren. Met betrekking tot de op de plankaart opgenomen aanduiding "bedrijfswoningen bestaand" stellen het college en de raad dat deze aanduiding alleen is opgenomen ter plaatse van reeds bestaande bedrijfswoningen.

2.12.2. De gronden ter plaatse van het perceel van [appellanten sub 1] zijn bestemd als "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduidingen "B(3.1.)" en "B(z)". Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften zijn ter plaatse van deze bestemming geen bedrijfswoningen toegestaan.

Ingevolge artikel 10, vierde lid, onder e, van de planvoorschriften is ter plaatse van de nadere aanduiding "bedrijfswoningen bestaand" op de plankaart per bedrijf maximaal één bedrijfswoning toegestaan waarvan de inhoud niet meer mag bedragen dan 500 m3.

Nu ter plaatse van de gronden van [appellanten sub 1] geen aanduiding "bedrijfswoningen bestaand" is opgenomen, mag gelet op het vorenstaande op hun gronden geen bedrijfswoning worden gerealiseerd.

Uit de plantoelichting volgt dat als uitgangspunt voor het bestemmingsplan is gekozen voor inwaartse zonering. Hierbij wordt vanuit milieugevoelige functies een bufferzone gecreëerd, die tot gevolg heeft dat bij de invulling van het bedrijventerrein minder belastende activiteiten op kleine afstand en meer belastende activiteiten op grotere afstand van de milieugevoelige functies worden toegelaten.

2.12.3. In de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2008 (200704391/1) met betrekking tot de weigering van een bouwvergunning voor onder meer de door [appellanten sub 1] gewenste bedrijfswoning, is reeds geoordeeld dat de ambtenaar die de toezegging zou hebben gedaan, niet bevoegd was op aanvragen om bouwvergunning te beslissen, zodat [appellanten sub 1] reeds hierom aan deze informatie volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling niet het gerechtvaardigd vertrouwen konden ontlenen dat het college van burgemeester en wethouders de voor het bouwplan benodigde vrijstelling en bouwvergunning zou verlenen. Nu de desbetreffende ambtenaar evenmin bevoegd was tot het vaststellen van een bestemmingsplan, faalt het betoog van [appellanten sub 1] op het vertrouwensbeginsel.

2.12.4. [appellanten sub 1] hebben gesteld dat de combinatie wonen en werken van belang is voor het uitgangspunt in het bestemmingsplan om de kleinschaligheid, individualiteit en diversiteit van de bebouwing te behouden. In de plantoelichting noch in de overige stukken wordt een aanknopingspunt gevonden voor dit standpunt van [appellanten sub 1]. In dit verband is van belang dat de raad zich juist op het standpunt heeft gesteld dat geen nieuwe bedrijfswoningen meer zullen worden toegestaan in het plangebied. In dit enkele standpunt van [appellanten sub 1] wordt derhalve geen grond gevonden voor het oordeel dat ten onrechte geen bedrijfswoning is toegestaan op hun perceel.

2.12.5. De inwaartse zonering in het plangebied is vormgegeven door binnen de contouren van 50 meter van 8 van de 9 bedrijfswoningen aan de Loodsweg de aanduiding "(3.1)", categorie VNG, op te nemen en buiten deze contouren de aanduiding "(3.2)", categorie VNG. Uit het deskundigenbericht volgt dat de contouren van 50, 100 en 200 meter van de door [appellanten sub 1] gewenste bedrijfswoning grotendeels samenvallen met de contouren van de bestaande bedrijfswoningen in de directe omgeving. In dit verband heeft de raad ter zitting erkend dat de gewenste bedrijfswoning ter plaatse van [locaties sub 2] geen extra beperking oplevert voor de bestaande dan wel de te realiseren bedrijven. Nu de raad zijn standpunt, dat een bedrijfswoning ter plaatse niet wenselijk is, enkel heeft onderbouwd met de voor dit geval onjuist gebleken veronderstelling dat dit niet mogelijk is in verband met de inwaartse zonering, had het college het plandeel niet zonder nadere motivering mogen goedkeuren.

2.12.6. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

2.12.7. Het beroep van [appellanten sub 1] is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van het perceel [locaties sub 2].

2.12.8. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre in stand kunnen worden gelaten.

Ter zitting hebben het college en de raad gesteld dat het niet toestaan van nieuwe woningen op het bedrijventerrein, dat zich kenmerkt door bedrijven in zwaardere milieucategorieën, mede is ingegeven door het woon- en leefklimaat binnen deze woningen. Nu de door [appellanten sub 1] gewenste bedrijfswoning op het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduiding "B(3.1)", categorie VNG, is gelegen, zijn in de directe omgeving van hun perceel bedrijven toegestaan waarvoor door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) een afstand van 50 meter ten opzichte van een woning wordt aanbevolen. De door de VNG aanbevolen afstanden vormen een indicatie voor de hinder die in woningen wordt ondervonden van een dergelijk bedrijf. De omstandigheid dat zich in de directe omgeving van de gewenste bedrijfswoning reeds negen als zodanig bestemde bedrijfswoningen bevinden, leidt niet tot het oordeel dat de door [appellanten sub 1] gewenste woning zou moeten worden toegestaan, aangezien in die gevallen sprake is van een reeds bestaande situatie. Het college en de raad hebben zich onder verwijzing daarnaar in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat die woningen, ondanks dat een goed woon- en leefklimaat niet langer kan worden gegarandeerd, als zodanig moesten worden bestemd. Voor nieuwe woningen houden zij echter vast aan het uitgangspunt dat gelet op de bedrijfsbestemming waarin het plan voorziet, geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden bereikt binnen die woningen. Daarnaast hebben het college en de raad zich ter zitting en met verwijzing naar het raadsbesluit op het standpunt gesteld dat het toestaan van een nieuwe woning op het bedrijventerrein een ongewenste precedentwerking heeft en dat bedrijfsgrond schaars is zodat deze grond optimaal, en derhalve door bedrijven en niet door woningen, benut dient te worden.

Het college en de raad hebben zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een nieuwe aanduiding "bedrijfswoningen bestaand" ter plaatse van de gronden van [appellanten sub 1] in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening.

Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre in stand te laten.

[locaties sub 3]

2.13. [appellant sub 6] stelt dat het gebruik van de bestaande bovenwoning op het perceel [locatie] als tweede bedrijfswoning als zodanig had moeten worden bestemd dan wel ten behoeve daarvan overgangsrecht had moeten worden opgenomen, met het oog op de toekomstige bewoning door de zoon van de bedrijfsleider. In dit kader stelt zij dat reeds op 24 augustus 1972 een bouwvergunning is verleend voor het realiseren van deze woning. Voorts heeft een ambtenaar van de gemeente bij brief van 30 december 2004 expliciet vermeld dat de bovenwoning in het onderhavige bestemmingsplan zal worden opgenomen en is in het vaststellingsbesluit vermeld dat de raad van mening is dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen waaraan tegemoet gekomen dient te worden in verband met verwachtingen gewekt door een ambtenaar. Bovendien voert [appellant sub 6] aan dat het handhavingstraject gelet hierop is gestaakt. Voorts stelt [appellant sub 6] dat tot 2005 vergunningen zijn verleend voor het realiseren van één dan wel een tweede bedrijfswoning in het plangebied. Daarnaast zijn de percelen [locaties] in eigendom van één bedrijf, ETRO B.V., maar zijn gelet op de twee aanduidingen "bedrijfswoningen bestaand" ook voor dat bedrijf twee bedrijfswoningen toegestaan. Ten slotte voert [appellant sub 6] aan dat het college en de raad ten onrechte stellen dat het op inwaarts gezoneerde bedrijventerreinen niet mogelijk is een woning te realiseren, nu het in dit geval gaat om een bedrijfswoning waarvoor minder strenge milieu-eisen gelden dan voor een reguliere woning.

2.13.1. Het college en de raad stellen dat geen vergunning of vrijstelling is verleend voor de bedrijfswoning. De raad stelt in dit verband dat in 1972 weliswaar een bouwvergunning is verleend voor het realiseren van onder meer de bovenwoning, maar dat deze bouwvergunning is vervallen toen in 1986 een bouwvergunning is verleend voor het wijzigen van deze bovenwoning in een kantine.

Daarnaast is het volgens het college en de raad op inwaarts gezoneerde bedrijventerreinen niet mogelijk een geurgevoelige functie, zoals een woning, op te nemen. Nu bij [appellant sub 6] echter het vertrouwen is gewekt dat de bovenwoning in het bestemmingsplan zou worden opgenomen, heeft het gemeentebestuur een persoonsgebonden gedoogbeschikking afgegeven.

2.13.2. Op de percelen [locaties sub 3] zijn twee bedrijfswoningen aanwezig. Op laatstgenoemd perceel is in 1972 met bouwvergunning een bedrijfswoning gerealiseerd, die in 1986 met bouwvergunning is gewijzigd in een kantine. De kantine is in 2002 wederom in gebruik genomen als bedrijfswoning. Het gebruik van deze bovenwoning als bedrijfswoning is in het onderhavige plan niet als zodanig bestemd.

De percelen [locaties sub 3] zijn bestemd als "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduidingen "B(3.1.)", "B(3.2.)", VNG-categorieën, "bedrijfswoningen bestaand" en "Bga", garagebedrijf.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder s, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden" bestemd voor bedrijven zoals genoemd in de Lijst van bedrijfstypen behorende tot ten hoogste de categorie zoals op de plankaart staat aangegeven, met uitzondering van risicovolle inrichtingen, en ter plaatse van de nadere aanduiding "B(ga)" voor een garagebedrijf.

Ingevolge artikel 10, vierde lid, onder e, is ter plaatse van de nadere aanduiding "bedrijfswoningen bestaand" op de plankaart per bedrijf maximaal één bedrijfswoning toegestaan waarvan de inhoud niet meer mag bedragen dan 500 m3.

2.13.3. Voor het realiseren van de bovenwoning is in 1972 weliswaar een bouwvergunning verleend maar aan die vergunning is destijds uitvoering gegeven. Voor de verbouw van de inmiddels gerealiseerde kantine in een woning diende [appellant sub 6] derhalve een nieuwe bouwvergunning aan te vragen. Gelet hierop faalt het betoog van [appellant sub 6] dat gelet op de in 1972 verleende bouwvergunning het gebruik van de bovenwoning als bedrijfswoning in het onderhavige plan als zodanig had moeten worden bestemd.

2.13.4. De raad heeft erkend dat door een ambtenaar bij brief van 30 december 2004 een toezegging is gedaan en het gemeentebestuur heeft gelet hierop een persoonsgebonden gedoogbeschikking afgegeven zodat het gebruik van de bovenwoning door, naar de Afdeling begrijpt, [appellant sub 6] als bedrijfswoning mag worden voortgezet. In het vaststellingsbesluit is in dit verband, anders dan [appellant sub 6] stelt, vermeld dat de raad als uitgangspunt neemt dat schriftelijke toezeggingen van het bevoegd gezag worden gerespecteerd. In verband hiermee is van belang dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die door niet ter zake beslissingsbevoegden zijn gedaan. De beslissingsbevoegdheid ter zake van de vaststelling van bestemmingsplannen berust niet bij individuele ambtenaren, maar bij de raad. Nu in de brief van 30 december 2004 een toezegging is gedaan door een ambtenaar en niet door de raad, is in dit geval geen sprake van een toezegging van het bevoegd gezag.

Met betrekking tot het feit dat het handhavingstraject is gestaakt, overweegt de Afdeling dat niet het vooruitzicht dat de bedrijfswoning in het onderhavige plan als zodanig zou worden bestemd, maar het voornemen een persoonsgebonden gedoogbeschikking af te geven, het gemeentebestuur heeft doen besluiten van handhavend optreden tegen overtreding van de voorschriften van het bestemmingsplan door [appellant sub 6], af te zien. Gelet hierop kon [appellant sub 6] aan de toezegging van de ambtenaar en het staken van de handhavingacties niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat haar bovenwoning als bedrijfswoning zou worden bestemd. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat de raad in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft besloten. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd met dit beginsel is vastgesteld.

Het betoog faalt in zoverre.

2.13.5. Ten aanzien van de twee bestaande bedrijfswoningen ten behoeve van het bedrijf ETRO B.V. op de percelen [locaties], overweegt de Afdeling dat daargelaten de vraag of deze bedrijfswoningen beide als zodanig zijn bestemd, geen sprake is van gelijke gevallen omdat de bedrijfswoningen op de percelen [locaties] bestaande met bouwvergunning gerealiseerde bedrijfswoningen zijn en [appellant sub 6] de verbouwing van de kantine tot bovenwoning zonder bouwvergunning heeft gerealiseerd.

Het betoog faalt in zoverre.

2.13.6. Met betrekking tot het standpunt van [appellant sub 6] dat in 2005 nog vergunningen zijn verleend ten behoeve van het realiseren van bedrijfswoningen in het plangebied, overweegt de Afdeling als volgt. Behalve het bedrijf ETRO B.V., aan welk bedrijf in 1978 een bouwvergunning is verleend ten behoeve van het realiseren van een bedrijfswoning, heeft [appellant sub 6] in de stukken en desgevraagd ter zitting geen andere concrete gevallen genoemd.

Het betoog faalt in zoverre.

2.13.7. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet. Ingevolge het derde lid, is het bepaalde in de voorgaande leden niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen tot dat tijdstip geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

In het voorheen geldende bestemmingsplan "Ten westen van de Watering" waren de gronden ter plaatse van het perceel [locaties sub 3] bestemd als "Industriële bedrijven, klasse A (BIA)". Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de voorschriften van dat plan zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor groothandel en industriële bedrijven, met de daartoe benodigde bedrijfswoningen, met dien verstande dat bij elk bedrijf één dienstwoning mag worden gebouwd. Hieruit volgt dat op het perceel [locaties sub 3] onder het voorheen geldende plan één bedrijfswoning was toegestaan. Het gebruik als wonen is weliswaar aangevangen voor de inwerkingtreding van het voorheen geldende bestemmingsplan "Ten westen van de Watering" maar is in 1986 beëindigd ten behoeve van het realiseren van een kantine. In 2002 is het gebruik van de kantine als tweede woning op het perceel [locaties sub 3], gelet op de ter plaatse reeds aanwezige bedrijfswoning, in strijd met het voorheen geldende plan wederom aangevangen. Zo het gebruik van de bovenwoning als tweede bedrijfswoning met het van kracht worden van het voorheen geldende plan al onder het overgangsrecht zou zijn gebracht, is met het staken van het gebruik daarvan in 1986 de beschermende werking van het overgangsrecht vervallen. Gelet hierop en gelet op het feit dat het maximum van één bedrijfswoning per bedrijf ten tijde van het wederom aanvangen van het gebruik als wonen reeds was ingevuld door de bedrijfswoning op het perceel [locatie], is het gebruik van de bovenwoning als tweede bedrijfswoning in strijd met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen het overgangsrecht van dat plan.

Uit het vorenstaande volgt dat het gebruik als tweede bedrijfswoning is uitgesloten van de beschermende werking van het overgangsrecht in het onderhavige plan. Er bestaat gelet hierop geen grond voor het oordeel dat het gebruik als tweede bedrijfswoning als zodanig had moeten worden bestemd. In verband hiermee is evenwel van belang dat gelet op de persoonsgebonden gedoogbeschikking het gemeentebestuur zich niet bij het gebruik van de bovenwoning als bedrijfswoning wenst neer te leggen, behoudens het gebruik door [appellant sub 6] zelf. Uit het bovenstaande volgt dat voor dit gebruik in het plan geen regeling is getroffen. In een situatie als deze, waarin moet worden aangenomen dat van gemeentewege niet wordt opgetreden tegen het huidige gebruik door [appellant sub 6] en niet de verwachting bestaat dat het gebruik van de bovenwoning als bedrijfswoning door [appellant sub 6] binnen de planperiode zal worden beëindigd, dient vanuit het oogpunt van rechtszekerheid, onder meer ten aanzien van omwonenden, voor dat gebruik een regeling in het plan te worden opgenomen. Dit kan door het gebruik onder een uitsluitend aan de persoon van [appellant sub 6] gebonden overgangsrecht te brengen.

Gelet op het ontbreken van een regeling voor deze situatie in het plan, is het plan op dit punt in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

2.13.8. Het beroep van [appellant sub 6] is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van het perceel [locatie].

2.13.9. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van het perceel [locatie].

2.13.10. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige gronden van [appellant sub 6] geen bespreking meer.

[locatie sub 4]

2.14. [appellant sub 3] stelt dat aan zijn perceel aan de [locatie sub 4] een woonbestemming had moeten worden toegekend dan wel dat zijn pand onder het overgangsrecht had moeten worden gebracht. Hij heeft immers reeds in 1995 het pand gekocht en het in dat jaar in gebruik genomen als woning en er is bovendien geen bedrijfsruimte aanwezig op het desbetreffende perceel. In verband hiermee stelt [appellant sub 3] dat het pand sinds 1966 door verschillende eigenaren is gebruikt als woning, niet zijnde bedrijfswoning. Verder stelt hij dat het bedrijventerrein wordt omgeven door woningbouw en dat bovendien op het bedrijventerrein verschillende woningen aanwezig zijn die zijn bestemd als "Woondoeleinden".

2.14.1. Het college heeft zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat voor het pand aan de [locatie sub 4] een bouwvergunning voor een bedrijfswoning is verleend. Ook valt het pand wat betreft uiterlijke verschijningsvorm aan te merken als een bedrijfswoning, aldus het college en de raad. Bovendien is het volgens het college en de raad niet wenselijk nieuwe woningen toe te laten nu dit bedrijventerrein inwaarts is gezoneerd en slechts een uitzondering is gemaakt voor reeds bestaande vergunde situaties.

2.14.2. De gronden ter plaatse van [locatie sub 4] zijn bestemd als "Bedrijfsdoeleinden" met de nadere aanduiding "bedrijfswoningen bestaand".

Ingevolge artikel 10, vierde lid, onder e, van de planvoorschriften is ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoningen bestaand" maximaal 1 bedrijfswoning toegestaan.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet. Ingevolge het derde lid, is het bepaalde in de voorgaande leden niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen tot dat tijdstip geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

In het voorheen geldende bestemmingsplan "Ten westen van de Watering" waren de gronden bestemd als "Industriële bedrijven, klasse A (BIA), met bijbehorende erven". Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder f, van de voorschriften van dat plan mag bij elk bedrijf één dienstwoning met een goothoogte van ten hoogste 6 meter en een inhoud van ten hoogste 500 m3 worden gebouwd, welke aan de wegzijde moet zijn gelegen. Ingevolge artikel 29, onder II, van de voorschriften van dat plan mag het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan bestaande gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat met het in het plan voorgeschreven gebruik in strijd is, worden voortgezet, met dien verstande dat de bestaande afwijking naar de aard niet mag worden vergroot of verzwaard.

2.14.3. Uit het vorenstaande volgt dat in het huidige noch in het voorheen geldende bestemmingsplan de gronden ter plaatse van de woning van [appellant sub 3] een woonbestemming hadden en dat ter plaatse enkel een bedrijfswoning was toegestaan.

Uit de overgelegde vergunning in samenhang bezien met de daartoe strekkende aanvraag blijkt dat op 18 mei 1966 vergunning is verleend voor het oprichten van een bedrijfswoning dienende tot woonhuis. Er is derhalve een vergunning verleend voor het realiseren van een bedrijfswoning.

[appellant sub 3] stelt dat uit zijn nadere stuk van 7 januari 2009 - waarin hij heeft verwezen naar de kadastrale gegevens, de vorige rechthebbenden op zijn woning bij naam heeft genoemd en per rechthebbende heeft aangegeven welk beroep hij uitoefende - blijkt dat zijn pand sinds de bouw in 1966 wordt gebruikt als woning, niet zijnde bedrijfswoning. Hoewel [appellant sub 3] reeds in zijn zienswijze stelt dat zijn pand wordt gebruikt als woning, niet zijnde bedrijfswoning, hebben het college en de raad in het geheel geen onderzoek gedaan naar de vraag wanneer het gebruik van het pand van [appellant sub 3] als woning, niet zijnde bedrijfswoning, is aangevangen en of er derhalve door inwerkingtreding van het voorheen geldende bestemmingsplan rechten zijn ontstaan voor de rechthebbende op die woning. Ter zitting heeft de raad enkel gesteld dat bij het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan niet bekend was dat het pand werd gebruikt als woning, niet zijnde bedrijfswoning, en aangekondigd zo nodig handhavend te zullen optreden.

Nog afgezien van de vraag of de raad voor het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan onderzoek had moeten doen naar het gebruik van de woningen op het bedrijventerrein, had de raad in ieder geval naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 3] onderzoek moeten verrichten naar het gebruik van de woning van [appellant sub 3]. Immers, indien vast komt te staan dat het gebruik als woning, niet zijnde bedrijfswoning, voor de inwerkingtreding van het voorheen geldende plan is aangevangen en ononderbroken is voortgezet, viel dit gebruik gelet op artikel 29, onder II, van de voorschriften van dat plan onder het overgangsrecht van dat plan en was derhalve sprake van legaal gebruik. Gelet hierop en gelet op artikel 21, eerste en derde lid, van de voorschriften van het onderhavige plan zou dat gebruik met het onderhavige plan voor de tweede keer onder het overgangsrecht zijn gebracht. Dit is in beginsel niet toegestaan. In verband hiermee heeft [appellant sub 3] ter zitting bovendien terecht gesteld dat indien sprake is van legaal gebruik niet handhavend kan worden opgetreden tegen dat gebruik. De Afdeling overweegt dat het college, gelet op het vorenstaande, niet heeft onderkend dat het plan op dit punt is voorbereid in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

2.14.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plandeel niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.14.5. Het beroep van [appellant sub 3] is gegrond. Het bestreden besluit dient voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoningen bestaand" op het perceel [locatie sub 4] wegens strijd met artikel 3:2 in samenhang met artikel 10:27 van de Awb te worden vernietigd.

2.14.6. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoningen bestaand" op het perceel [locatie sub 4].

2.14.7. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige gronden van [appellant sub 3] geen bespreking meer.

[locaties sub 5]

2.15. Het college heeft goedkeuring onthouden aan de plandelen ter plaatse van [locaties sub 5] omdat de raad met een enkele verwijzing naar milieutechnische redenen onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij aan de desbetreffende gronden de bestemmingen "Erven" en "Garages en bergplaatsen" heeft toegekend. In dit kader heeft het college betekenis toegekend aan het feit dat een deel van [appellant sub 7] op die gronden is gevestigd en dat de gronden in het voorheen geldende bestemmingsplan "Industrieterrein West-Knollendam" de bestemming "Industriële bedrijven, klasse A (BIA)" hadden. Het college stelt verder dat in de omgeving grote industriële gebouwen staan, onder meer ter plaatse van het perceel van [appellant sub 7] gewenste bebouwing in dezelfde bebouwingslijn ligt. In dit verband stelt het college bovendien dat het college van burgemeester en wethouders in strijd met artikel 44, eerste lid, van de Woningwet een bouwvergunning heeft geweigerd wegens strijd met het ontwerpbestemmingsplan.

2.15.1. [appellant sub 2] voert aan dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de bestemming voor een deel van het perceel [locaties sub 5] en dat het college hiermee de bandbreedte die het heeft bij het gebruik van zijn goedkeuringsbevoegdheid, heeft overschreden. In dit verband stelt [appellant sub 2] dat het college ten onrechte bij zijn besluit heeft betrokken dat in strijd met het recht een bouwvergunning is geweigerd. Immers, de bouwvergunning was geweigerd wegens strijd met het toen geldende bestemmingsplan en niet, zoals het college stelt, wegens strijd met het ontwerpbestemmingsplan. Indien in het nieuw vast te stellen bestemmingsplan de door [appellant sub 7]a gewenste bouwmogelijkheden worden opgenomen, wordt de afstand tussen het bedrijf van [appellant sub 7] en het perceel van [appellant sub 2] voorts ten onrechte versmald van 8 tot 3 meter, aldus [appellant sub 2]. Voorts had het college volgens hem geen goedkeuring moeten onthouden aan de desbetreffende plandelen nu de plandelen waaraan goedkeuring is onthouden ruimtelijk en landschappelijk een onderdeel vormen van de [locatie sub 6] en niet van het bedrijventerrein en [appellant sub 7] zijn bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende plan niet heeft benut.

2.15.2. De gronden ter plaatse van [locaties sub 5] waaraan het college goedkeuring heeft onthouden, waren bestemd als "Erven" en "Garages en bergplaatsen".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Erven" bestemd voor erven, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen en nutsvoorzieningen. Ingevolge het tweede lid, mogen ten behoeve van deze bestemming uitsluitend worden gebouwd, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ingevolge het derde lid, mag de goot- of boeiboordhoogte niet meer bedragen dan de hoogte van de vloer van de eerste verdieping van het bijbehorende hoofdgebouw plus 0,25 meter en de hoogte niet meer dan 4,5 meter bedragen.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Garages en bergplaatsen" bestemd voor stalling van voertuigen en bergingen van huishoudelijke aard. Ingevolge het tweede lid, mogen op deze gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend hoofdgebouwen worden gebouwd. Ingevolge artikel 1, onder 44, wordt onder hoofdgebouw verstaan een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmeting of functie als belangrijkste gebouw valt aan te merken.

Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Industrieterrein West-Knollendam" waren de gronden ter plaatse bestemd als "Industriële bedrijven, klasse A (BIA)". Ingevolge artikel 6, onder b, van de voorschriften van dat plan mag de goothoogte van gebouwen op de gronden die als zodanig zijn aangewezen ten hoogste 12 meter bedragen.

2.15.3. Uit het vorenstaande volgt dat ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Erven", voor zover van belang, ten behoeve van het bedrijf van [appellant sub 7]a slechts aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een beperkte oppervlakte en hoogte mochten worden gerealiseerd. Ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Garages en bergplaatsen" mochten gelet op het vorenstaande geen bouwwerken ten behoeve van een bedrijf worden gerealiseerd. Hieruit volgt dat de gronden van [appellant sub 7]a waaraan deze bestemmingen waren toegekend slechts beperkt konden worden bebouwd ten behoeve van het bedrijf, terwijl op deze gronden gelet op het voorheen geldende bestemmingsplan veel meer bebouwing was toegestaan.

2.15.4. Op het college rust de taak om een bestemmingsplan, mede naar aanleiding van bedenkingen, te toetsen aan vereisten van rechtmatigheid en doelmatigheid, waarbij het zijn eigen oordeel omtrent hetgeen een goede belangenafweging in het kader van een goede en doelmatige ruimtelijke ordening vereist in de plaats mag stellen van het oordeel van het gemeentebestuur. Niet is gebleken dat het college met de onthouding van goedkeuring de ruimte die het heeft bij het gebruik van zijn goedkeuringsbevoegdheid, ook rekening houdend met de beleidsvrijheid van de raad in deze, heeft overschreden. Hierbij betrekt de Afdeling het feit dat het college goedkeuring heeft onthouden naar aanleiding van de door [appellant sub 7] ingediende bedenkingen.

Het betoog faalt in zoverre.

2.15.5. In de onthouding van goedkeuring aan vorengenoemde plandelen is, anders dan [appellant sub 2] stelt, niet overwogen dat in het nieuw vast te stellen bestemmingsplan bedrijfsgebouwen tot op 3 meter van het perceel van [appellant sub 2] mogelijk gemaakt moeten worden. In dit verband is overigens van belang dat op 1 juli 2008 de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking is getreden, waarin een met artikel 30, eerste lid, van de WRO gelijk te stellen bepaling ontbreekt. Nu een ontwerpbestemmingsplan niet voor 1 juli 2008 ter inzage is gelegd, dient de raad op grond van de Wro een nieuw bestemmingsplan vast te stellen voor de gronden waaraan het college goedkeuring heeft onthouden, waarbij gelet op het ontbreken van een met artikel 30, eerste lid, van de WRO gelijk te stellen bepaling, niet de verplichting geldt het besluit van het college in acht te nemen. Het beroep van [appellant sub 2] mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.15.6. Het college heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom op het perceel van [appellant sub 7] geen bedrijfsgebouwen dienen te worden toegestaan. De Afdeling overweegt in dit verband dat het college hierbij terecht heeft betrokken dat de desbetreffende gronden in het voorheen geldende bestemmingsplan "Industrieterrein West-Knollendam" waren bestemd als "Industriële bedrijven, klasse A (BIA)" en dat op het naastgelegen perceel grote industriële gebouwen van het bedrijf van [appellant sub 7] als zodanig zijn bestemd. Het college heeft zich bovendien in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het standpunt van de raad, waarbij [appellant sub 2] zich in beroep heeft aangesloten, dat het perceel van [appellant sub 7] ruimtelijk en landschappelijk gezien behoort bij de [locatie sub 6] en niet bij het westelijk liggende bedrijventerrein gelet op de situatie ter plaatse onvoldoende is gemotiveerd. Het college wijst er in dit verband terecht op dat de door [appellant sub 7] gewenste bebouwing in dezelfde bebouwingslijn ligt als het naastgelegen bedrijfsgebouw van [appellant sub 7].

Uit het vorenstaande volgt dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het besluit van de raad waarbij aan een deel van de gronden van [appellant sub 7] de bestemmingen "Erven" en "Garages en bergplaatsen" zijn toegekend, niet berust op een deugdelijke motivering en derhalve is vastgesteld in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog van [appellant sub 2] faalt.

2.15.7. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Goothoogte ter plaatse van het bedrijfsterrein van [appellant sub 7]

2.16. [appellant sub 7] stelt dat de maximale goothoogte, die in het onderhavige plan gelijk is aan de maximale bouwhoogte, ten onrechte is verlaagd van 12 meter in het voorheen geldende plan naar 10 meter in het onderhavige plan. Dit heeft volgens haar een planologische verslechtering bij nieuwbouw tot gevolg.

2.16.1. Het college en de raad stellen dat op een klein deel van de gronden van [appellant sub 7] de maximale bouwhoogte 8 meter bedraagt. Bij de bepaling van de maximale bouwhoogte van 10 meter voor de overige gronden van [appellant sub 7] is een hoogte gekozen die past bij de rest van het bedrijventerrein, waarop de bebouwing vrijwel overal lager is dan 10 meter. De bijzondere ligging direct aan het open gebied, maar goed in het zicht bij benadering van het plangebied vanuit het noorden, maakt het nog belangrijker om een te stedelijk beeld te voorkomen, aldus het college en de raad. De bouwhoogte van 10 meter laat volgens het college en de raad voldoende ruimte voor groei en dynamiek. De bestaande bebouwing die hoger is dan 10 meter is bovendien als zodanig bestemd, aldus het college en de raad.

2.16.2. Het grootste deel van de gronden van [appellant sub 7] is bestemd als "Bedrijfsdoeleinden". Ter plaatse van deze gronden zijn voor een klein deel de aanduidingen "*8" en "*11" en voor een groot deel de aanduiding "*10" opgenomen. Met deze aanduiding wordt de maximale bouwhoogte plat dak aangeduid.

Ingevolge artikel 10, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften mag de maximale hoogte van gebouwen niet meer bedragen dan aangegeven op de plankaart. Uit dit artikel in samenhang bezien met de plankaart volgt dat de op de plankaart opgenomen aanduidingen tevens de maximale goothoogte betreffen.

In het voorheen geldende bestemmingsplan hadden alle gronden van [appellant sub 7] de bestemming "Industriële bedrijven, klasse A (BIA)". Ingevolge artikel 6, onder b, van de voorschriften van dat plan mag de goothoogte van gebouwen op de gronden die als zodanig zijn aangewezen ten hoogste 12 meter bedragen.

Uit het vorenstaande volgt dat de maximale goothoogte op het grootste deel van het perceel van [appellant sub 7] in het onderhavige plan met 2 meter is verlaagd ten opzichte van de maximale goothoogte in het voorheen geldende plan.

2.16.3. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. In dit verband overweegt de Afdeling dat het college bij de belangenafweging in redelijkheid heeft kunnen betrekken dat [appellant sub 7] sinds 1997, het jaar waarin zij eigenaar werd van het grootste deel van haar gronden, geen gebruik heeft gemaakt van de maximale bouwmogelijkheden, met daaronder begrepen de toegestane maximale goothoogte, die het voorheen geldende plan bood. Ter zitting heeft de raad in dit verband gesteld dat het realiseren van het concrete bouwplan van [appellant sub 7], waarvoor hij reeds investeringen heeft verricht, is toegestaan volgens het onderhavige plan. Uit artikel 10 van de planvoorschriften in samenhang bezien met de plankaart volgt bovendien dat [appellant sub 7] daarnaast nog bouwmogelijkheden heeft op haar gronden. Niet is gebleken dat deze bouwmogelijkheden, mede gelet op de maximale goothoogte, onvoldoende zijn. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang bij het inpassen van de gronden van [appellant sub 7] in de directe omgeving dan aan het belang van [appellant sub 7] bij behoud van de maximale goothoogte van 12 meter op haar perceel.

Het betoog faalt.

2.16.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 7] is in zoverre ongegrond.

Bestemming "Tuinen" ter plaatse van de [locatie sub 6]

2.17. [appellant sub 7] voert verder aan dat aan haar gronden aan de [locatie sub 6] ten onrechte de bestemming "Tuinen" is toegekend. Nu haar gronden op een bedrijventerrein liggen was de bestemming "Erven" passender geweest en bovendien biedt de laatstgenoemde bestemming meer gebruiksmogelijkheden, mede gelet op het hierop gevestigde recht van overpad ten gunste van de bewoners van [locatie sub 6] en het gebruik van dit perceel als ontsluiting van haar bedrijf.

2.17.1. De raad stelt dat het stedenbouwkundig van belang is het open en kleinschalige karakter van het bebouwingslint West Knollendam zo veel mogelijk te conserveren. De bestemmingen "Erven" en "Tuinen" sluiten hier goed bij aan, waarbij met name de bestemming "Tuinen" van belang is om de ruimtelijke karakteristiek te conserveren en dichtgroeien te voorkomen, aldus de raad.

2.17.2. In het deskundigenbericht is vermeld dat de gronden met de bestemming "Tuinen" ter plaatse van het perceel van [appellant sub 7] op dit moment bestaan uit grasland en een weg.

Ingevolge artikel 5 van de planvoorschriften zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Tuinen" bestemd voor tuinen. Hieruit volgt dat de bestaande weg niet als zodanig is bestemd.

De weg dient volgens het deskundigenbericht als ontsluiting van de percelen [locatie sub 6] en [appellant sub 7] dient voor deze percelen het recht van overpad te verlenen. Daarnaast dienen de desbetreffende gronden als achteringang van het bedrijfsterrein van [appellant sub 7]. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de bestemming "Tuinen" op de desbetreffende gronden binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt.

Gelet hierop heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

2.17.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

2.17.4. Het beroep van [appellant sub 7] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Tuinen" ter plaatse van de gronden van [appellant sub 7], zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart, wegens strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb te worden vernietigd.

2.17.5. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om op dit punt zelf in de zaak te voorzien door goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Tuinen" ter plaatse van het gearceerde deel op de bij deze uitspraak bijbehorende kaart.

Proceskostenvergoeding

2.18. Het college dient ten aanzien van [appellanten sub 1], [appellant sub 3], Eurocol, [appellanten sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een veroordeling in de proceskosten van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 7] niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Verblijfsdoeleinden" ter plaatse van haar gronden;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 7], voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk, en de beroepen van [appellant sub 3], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Forbo Eurocol B.V., en [appellant sub 6] gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 13 november 2007, kenmerk 2007-51339, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 10, zesde lid, van de planvoorschriften, aan het plandeel met de bestemming "Tuinen" ter plaatse van de gronden van [appellant sub 7], zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart, en aan de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van het bedrijfsterrein van Forbo Eurocol B.V., ter plaatse van het perceel [locatie], ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoningen bestaand" op het perceel [locatie sub 4], ter plaatse van de aanduiding "B(z)" op de percelen [locaties sub 1] en ter plaatse van het perceel [locaties sub 2];

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 13 november 2007 in stand blijven voor zover daarin goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van het perceel [locaties sub 2];

V. onthoudt goedkeuring aan artikel 10, zesde lid, van de planvoorschriften, aan het plandeel met de bestemming "Tuinen" ter plaatse van de gronden van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 7], zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart, en aan de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van het bedrijfsterrein van Forbo Eurocol B.V., ter plaatse van het perceel [locatie] en ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoningen bestaand" op het perceel [locatie sub 4];

VI. bepaalt dat deze uitspraak met betrekking tot de onder V genoemde plandelen in de plaats treedt van het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 13 november 2007;

VII. verklaart de beroepen van [appellant sub 7] voor het overige en [appellant sub 2] geheel ongegrond;

VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805 (zegge: achthonderdenvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan [appellanten sub 1] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 7] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805 (zegge: achthonderdenvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan [appellant sub 7] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan [appellant sub 3] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Forbo Eurocol B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805 (zegge: achthonderdenvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Forbo Eurocol B.V. onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellanten sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805 (zegge: achthonderdenvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan [appellanten sub 5] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 6] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805 (zegge: achthonderdenvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan [appellant sub 6] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 1], € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor [appellant sub 7], € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor [appellant sub 3], € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Forbo Eurocol B.V., € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 5] en € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor [appellant sub 6] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009

429-559.

<HR>

plankaart