Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH9255

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
200805759/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2003, verzonden op 16 juni 2003, heeft het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen (hierna: het college) het tegen het besluit van 8 augustus 1997 gemaakte bezwaar van [appellanten] opnieuw ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805759/1.

Datum uitspraak: 1 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 juni 2008 in zaak nr. 03/1584 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2003, verzonden op 16 juni 2003, heeft het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen (hierna: het college) het tegen het besluit van 8 augustus 1997 gemaakte bezwaar van [appellanten] opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juni 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [appellant A] en [appellant B] (hierna: [appellanten]) daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 mei 2003 vernietigd en het college veroordeeld aan [appellanten] € 800,00 te betalen aan schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 21 augustus 2003. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 22 augustus 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2009, waar [een der appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. A.M.C. Marius-van Eeghen, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.J. Bosma, advocaat te Breda, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] betogen in hoger beroep allereerst dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, omdat de uitspraak de dag waarop de beslissing in het openbaar is uitgesproken niet vermeldt.

2.2. Ingevolge artikel 8:78 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) spreekt de rechtbank de beslissing, bedoeld in artikel 8:77, eerste lid, onderdeel c, van deze wet, in het openbaar uit, in tegenwoordigheid van de griffier.

2.3. In de uitspraak van de rechtbank is, voor zover thans van belang, vermeld dat deze is gedaan op 16 juni 2008 en is bekendgemaakt door verzending aan partijen op 16 juni 2008. Uit de uitspraak zelf blijkt derhalve niet dat de beslissing overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:78 van de Awb, in het openbaar is uitgesproken. Evenmin bevindt zich bij de op de zaak betrekking hebbende stukken een proces-verbaal waaruit blijkt dat dat is geschied. De rechtbank is bij brief van 23 januari 2009 verzocht het proces-verbaal van openbaarmaking van de aangevallen uitspraak aan de Afdeling te zenden dan wel aan te geven waarom het niet mogelijk is aan dit verzoek te voldoen. Bij brief van 3 februari 2009 heeft de rechtbank laten weten dat geen proces-verbaal voorhanden is waaruit blijkt dat de uitspraak overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:78 van de Awb in het openbaar is uitgesproken. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de uitspraak in strijd met dat artikel niet in het openbaar is uitgesproken.

Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige tegen de aangevallen uitspraak is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.5. Bij besluit van 8 augustus 1997 heeft het college geweigerd aan [appellanten] vrijstelling te verlenen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan voor het vestigen van een theehuis in het pand [locatie] te [plaats] (hierna: het pand).

Bij besluit van 12 juni 2000 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 maart 2002 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het daartegen door [appellanten] ingestelde beroep gegrond verklaard

Bij uitspraak van 5 februari 2003 in zaak no. 200202604/1 heeft de Afdeling het daartegen door het college ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

Bij besluit van 27 mei 2003 heeft het college - opnieuw beslissend - het bezwaar van [appellanten] tegen het besluit van 8 augustus 1997 wederom ongegrond verklaard, omdat zij geen belang meer zouden hebben bij een heroverweging van het besluit van 8 augustus 1997. Daartoe heeft het college aangevoerd dat [appellant B] het pand op 2 maart 2000 aan een derde heeft verkocht en op 4 september 2000 in eigendom heeft overgedragen.

Bij besluit van 2 maart 2004 heeft het college het besluit van 12 juni 2000 vervangen, het besluit van 8 augustus 1997 herroepen en alsnog vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het exploiteren van een theehuis in het pand.

2.6. [appellanten] hebben procesbelang bij de beoordeling van hun beroep tegen het besluit van 27 mei 2003, omdat zij stellen en op voorhand niet onaannemelijk is dat zij schade hebben geleden doordat de op 1 augustus 1995 gevraagde vrijstelling eerst op 2 maart 2004 is verleend. Het college heeft erkend dat aan [appellanten] bij besluit van 8 augustus 1997 ten onrechte geen vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend. Het beroep tegen het besluit van 27 mei 2003 is gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd.

2.7. Op 21 augustus 2003 hebben [appellanten] om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuurswet (Awb) verzocht. [appellanten] hebben hun verzoek om schadevergoeding toegelicht aan de hand van het rapport van accountant G. Speekenbrink van 13 juni 2000 en het rapport van V.P.M. Haex RA van 28 mei 2004 (hierna: het rapport Haex). Het college heeft de rapporten van registeraccountant J. Joling RA van 6 augustus 2004, 11 maart 2005 en 19 mei 2005 overgelegd. Ter beoordeling van het verzoek om vergoeding van schade geleden door de te late verlening van vrijstelling, mede gelet op de door beide partijen overgelegde, tegenstrijdige, deskundige rapporten, heeft de rechtbank een deskundige benoemd. Dit heeft geleid tot het deskundigenbericht van registeraccountant R.C.M. Franken van 3 april 2007 (hierna: het deskundigenbericht) en de door [appellanten] overgelegde contra-expertise van R.C. de Man van 31 mei 2007.

2.8. [appellanten] hebben allereerst verzocht om vergoeding van schade in de vorm van kosten (€ 8.154,00) voor de aanschaf van een inventaris voor de exploitatie van het pand als theehuis. Volgens de inventarisatielijst gaat het om de volgende zaken:

a. daklinden voor het terras

b. stoelen

c. uithangbord

d. faxapparaat

e. verlichting

f. vleugel

g. buffetlamp

ad a. [appellanten] hebben het pand op 1 juni 1990 gekocht en op 1 augustus 1995 gevraagd vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan ter exploitatie van het pand als theehuis. De bomen zijn aangeschaft in april 1993. Het pand is op 2 maart 2000 verkocht aan een derde. Aangenomen moet worden dat de verkoopprijs van het pand mede betrekking had op de bomen, die zijn geplant in de grond van het perceel waarop het pand zich bevindt. Dat, zoals [appellanten] stellen, de waarde van de bomen een verwaarloosbare betekenis heeft gehad voor de verkoopprijs van het pand, is niet een omstandigheid die valt toe te rekenen aan de weigering vrijstelling te verlenen. In zoverre is er geen sprake van schade die door het college moet worden vergoed.

ad b. [appellanten] hebben in 1994 40 gebruikte stoelen van ongeveer € 45,00 per stuk aangeschaft. Zij hebben de stoelen voor € 25,00 per stuk doorverkocht en stellen daardoor € 800,00 aan schade te hebben geleden. Het college heeft dit bedrag en het bedrag aan wettelijke rente inmiddels voldaan. Ter zitting is komen vast te staan dat hierover thans geen geschil meer bestaat.

ad c. De door [appellanten] gestelde kosten voor de aanschaf van een uithangbord ten behoeve van het theehuis en het bedrag aan wettelijke rente vanaf 22 augustus 2003 tot aan de dag der algehele voldoening, komen voor vergoeding in aanmerking. Alhoewel uit de overgelegde bon niet blijkt dat deze ziet op het uithangbord, hebben zij ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat het bedrag van € 270,00 daarop betrekking heeft.

ad d. De door [appellanten] gestelde kosten voor de aanschaf van een faxapparaat komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het faxapparaat is gekocht op 11 juni 1998, derhalve na de weigering van vrijstelling bij besluit van 8 augustus 1997 en de handhaving daarvan bij besluit van 25 november 1997. Het faxapparaat, dat bruikbaar is voor andere doeleinden dan de exploitatie van een theehuis, is niet doorverkocht. Gelet hierop is het onvoldoende aannemelijk dat de gestelde kosten zijn gemaakt ten behoeve van de voorgenomen exploitatie van het theehuis. Het verzoek dient in zoverre te worden afgewezen.

ad e. Ten aanzien van de gestelde schade wegens de aanschaf van kroonluchters, een kubuslamp en zes wandlampen hebben [appellanten] geen bewijsstukken overgelegd, waaruit blijkt dat de gestelde schade is geleden. Het verzoek dient in zoverre te worden afgewezen.

ad f. Ten aanzien van de gestelde schade wegens de aanschaf van een vleugel op 17 juni 1997, die op 6 november 2002 is doorverkocht met een verlies van 35% van de aanschafprijs, is van belang dat een vleugel niet tot de gebruikelijke inventaris van een theehuis behoort en [appellanten], mede gelet op het tijdstip van aankoop van de vleugel, onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de gestelde schade rechtstreeks verband houdt met het vernietigde besluit, zodat de schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.

ad g. De gestelde schade vanwege de aanschaf van een buffetlamp op 25 april 1999 komt evenmin voor vergoeding in aanmerking. [appellanten] hebben de gestelde schade niet aangetoond; bewijsstukken ten aanzien van de aankoop en doorverkoop van de buffetlamp ontbreken.

2.8.1. Voor zover [appellanten] hebben betoogd dat de wettelijke rente moet worden betaald uiterlijk vanaf 8 augustus 1997, de datum van het besluit waarbij het college geweigerd heeft vrijstelling te verlenen voor de vestiging van het theehuis, ziet de Afdeling hiervoor geen grond. Het tijdstip waarop de wettelijke rente ingaat, dient in dit geval te worden gesteld op de datum van ontvangst van het verzoek om schadevergoeding, omdat het eerst dan mogelijk is tot vaststelling van schadevergoeding over te gaan.

2.9. [appellanten] verzoeken voorts om vergoeding van schade bestaande uit kosten gemaakt ten behoeve van administratie, accountants, rechtsbijstand en taxatie.

2.9.1. [appellanten] hebben geen bewijsstukken overgelegd, waaruit blijkt dat zij de gestelde administratiekosten voor het theehuis hebben gemaakt. Het verzoek om schadevergoeding dient in zoverre te worden afgewezen.

2.9.2. Van de gestelde kosten voor het inschakelen van een (register)accountant heeft een deel (aangiften IB) genoemd in de door Haex opgestelde nota van 11 december 2001 betrekking op de privésfeer van [appellanten] en kan van de overige kosten (standaardjaarstukken en extra) niet worden vastgesteld dat zij vanwege het verzoek om schadevergoeding zijn gemaakt. In zoverre hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde kosten het gevolg zijn van het besluit van 8 augustus 1997 en dient het verzoek te worden afgewezen.

2.9.3. De door [appellanten] gestelde kosten van rechtsbijstand verband houdend met bezwaarprocedures en de voorbereidingsfase van besluiten in de periode 14 maart 2000 tot en met 5 september 2003 zijn naar het college heeft gesteld in zijn geheel vergoed. [appellanten] hebben dit niet weersproken. Vergoeding van kosten voor rechtsbijstand die tijdens de beroepsprocedures zijn gemaakt, kan slechts met toepassing van artikel 8:75 van de Awb plaatsvinden; artikel 8:73 van de Awb biedt daarvoor geen basis. Nu, zoals is overwogen in 2.6., het beroep tegen het besluit van 27 mei 2003 gegrond is en, zoals is overwogen in 2.8., [appellanten] aanspraak maken op vergoeding van schade, bedraagt de aanspraak op vergoeding van proceskosten in beroep en hoger beroep € 2.576,00. Voor zover [appellanten] betogen dat ten onrechte in de beroepsprocedure niet het volledige bedrag aan proceskosten voor vergoeding in aanmerking komt, is gelet op het limitatieve en forfaitaire karakter van de exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling zoals neergelegd in artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor een aanvullende vergoeding van kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 8:73 van de Awb geen plaats, zodat het verzoek voor het overige wordt afgewezen.

2.10. [appellant B] stelt dat zij schade heeft geleden doordat de weigering van het college vrijstelling te verlenen haar voor financiële problemen heeft gesteld, waardoor zij zich genoodzaakt zag over te gaan tot verkoop van het pand. Het ontbreken van de exploitatiemogelijkheid als theehuis heeft volgens haar een negatieve invloed gehad op de verkoopprijs van het pand. Voorts stelt zij schade in de vorm van kosten van het taxatierapport te hebben geleden.

2.10.1. Dit betoog slaagt niet. [appellant B] heeft niet aangetoond dat de waarde van het pand achteruit is gegaan door de weigering van het college vrijstelling te verlenen voor het vestigen van een theehuis in het pand. Zij heeft evenmin voldoende aannemelijk gemaakt door financiële problemen, als gevolg van de weigering vrijstelling te verlenen, genoodzaakt te zijn geweest over te gaan tot verkoop van het pand, zodat de kosten van het taxatierapport om die reden niet voor vergoeding in aanmerking komen.

2.11. De door [appellanten] gevraagde vergoeding van schade, die zij stellen te hebben geleden door de uren die zij zelf aan de onderhavige procedure hebben moeten besteden, komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het geen vermogensschade betreft. Daarbij is in aanmerking genomen dat zij niet hebben gesteld of aannemelijk hebben gemaakt dat de uren, indien er geen geschil zou hebben bestaan, aan loonvormende arbeid en/of werkzaamheden met een financiële tegenprestatie zouden zijn besteed.

2.12. [appellanten] hebben eveneens verzocht om vergoeding van gederfde inkomsten als gevolg van het niet hebben kunnen exploiteren van het theehuis.

Zij stellen in dit verband allereerst dat de periode waarover schade vergoed moet worden, begint op 1 juni 1992, omdat het college op die dag aangegeven zou hebben dat er in beginsel geen bezwaren tegen vestiging van een theehuis in het pand zouden bestaan. In ieder geval begint de periode volgens hen op 1 augustus 1995, de dag van de aanvraag, omdat er juridisch geen beletselen waren voor het direct verlenen van de vrijstelling.

[appellanten] betogen voorts dat de schadeperiode dient te eindigen op 2 maart 2004, omdat het college op die dag alsnog vrijstelling van het bestemmingsplan heeft verleend voor het exploiteren van een theehuis in het pand, dan wel op 1 augustus 2005, omdat in de praktijk ten aanzien van de berekening van omzetderving een termijn van tien jaar wordt gehanteerd.

2.12.1. Dit betoog slaagt niet. De periode waarin mogelijkerwijs schade is geleden als gevolg van de weigering vrijstelling te verlenen, loopt van 8 augustus 1997, de datum van het besluit waarbij het college de vrijstelling heeft geweigerd, tot en met 4 september 2000, de dag waarop [appellant B] het pand in eigendom aan een derde heeft overgedragen.

Schade ontstaan voorafgaand aan het besluit van 8 augustus 1997 kan niet worden geacht door dat besluit te zijn veroorzaakt. Op grond van artikel 8:73 van de Awb komt alleen schade voor vergoeding in aanmerking die wordt geleden als gevolg van een onrechtmatig gebleken besluit.

Op 4 september 2000 heeft de eigendomsoverdracht van het pand plaatsgevonden. Beweerdelijk geleden schade die is geleden na die datum komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het exploiteren van een theehuis na verkoop van het pand niet langer mogelijk zou zijn geweest.

Voor zover [appellant B] in dit verband nog heeft betoogd dat zij zich door financiële problemen, veroorzaakt door de weigering vrijstelling te verlenen, genoodzaakt zag het pand te verkopen en anders tot 1 augustus 2005 het theehuis zou hebben geëxploiteerd, heeft zij, zoals onder 2.10.1. is overwogen, onvoldoende aannemelijk gemaakt door financiële problemen als gevolg van de weigering vrijstelling te verlenen, genoodzaakt te zijn geweest over te gaan tot verkoop van het pand.

2.12.2. Het in opdracht van de rechtbank vervaardigde deskundigenbericht van 3 april 2007 heeft de door het bedrijfschap Horeca en Catering verzamelde branchegemiddelden van ondernemingen, die qua typologie en grootte vergelijkbaar zijn met het te realiseren theehuis, als uitgangspunt gekozen voor de berekening van de inkomensschade. De inkomensschade is berekend als het verschil tussen de inkomsten die met het theehuis gegenereerd hadden kunnen worden en de werkelijk genoten inkomsten in die periode. De conclusie van het deskundigenbericht is dat er geen sprake is van inkomensschade als gevolg van de besluiten van 8 augustus 1997 en 12 juni 2000.

2.12.3. Voor zover [appellanten] hiertegen hebben ingebracht dat nader onderzoek naar de toepasbaarheid van branchegemiddelden zou moeten worden verricht, vormt dit onvoldoende reden om niet uit te gaan van het in het deskundigenbericht gekozen uitgangspunt. Anders dan [appellanten] stellen, is in het deskundigenbericht aangegeven dat het door het rapport Haex gehanteerde uitgangspunt minder goed bruikbaar is, omdat onduidelijk is waarom de branchecijfers van een ijssalon respectievelijk coffeeshop representatief zouden zijn voor een theehuis. Evenmin is rekening gehouden met de grootte van het te realiseren theehuis. Voor zover [appellanten] in hun reactie van 4 juli 2007 hebben gewezen op bijzondere omstandigheden die in belangrijke mate kostendrukkend zouden hebben gewerkt, op grond waarvan niet uitgegaan zou kunnen worden van de in het deskundigenbericht gekozen branchegemiddelden, is van belang dat zij hun stellingen niet hebben onderbouwd met concrete of verifieerbare feiten. In het deskundigenbericht is in reactie daarop gemotiveerd aangegeven dat onduidelijk is waarom een situatie van een bedrijf aan huis een positief effect zou hebben op de omzet. Dat geldt ook ten aanzien van het gebruik van fruit uit eigen boomgaard. Dat zou weliswaar een beperkt drukkend effect hebben gehad op de inkoopkosten, maar anderzijds weer hebben geleid tot een toename van arbeidskosten.

Voor zover [appellanten] stellen dat de gehanteerde kostenpercentages veel te hoog zijn, is van belang dat de in het deskundigenbericht gehanteerde kostenpercentages zijn ontleend aan branche-informatie en gebaseerd zijn op gemiddelden. Daarbij is erkend dat in iedere individuele situatie omstandigheden van toepassing zijn die de werkelijke kosten in positieve of negatieve zin beïnvloeden. Nu het achteraf onmogelijk is de kosten daadwerkelijk te berekenen, omdat het theehuis niet is gerealiseerd, geven branchegemiddelden de beste indicatie van de kosten.

Ten aanzien van de personeelskosten is in het deskundigenbericht het standpunt ingenomen dat het inhuren van personeel noodzakelijk zou zijn geweest. Gelet op de volledige arbeidsongeschiktheid van [appellant A] en de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van [appellant B] (minimaal 25%) is het niet aannemelijk dat zij in staat zouden zijn geweest de benodigde arbeid voor de exploitatie van het theehuis, zoals omschreven in het door haar opgestelde bedrijfsplan, zelf te leveren met instandhouding van hun arbeidsongeschiktheidsuitkering. Daartoe is onvoldoende dat zij, zoals zij stellen, in staat zouden zijn geweest langdurig op therapeutische basis te werken.

2.12.4. In het deskundigenbericht is voorts in aanmerking genomen dat [appellant B] wegens het niet kunnen exploiteren van het theehuis in staat is geweest loonvormende arbeid te verrichten en vaste inkomsten uit die arbeid te genereren. Deze vervangende inkomsten dienen van de inkomensschade te worden afgetrokken. Voor zover [appellant B] daar tegenover stelt dat zij ook een betaalde (deel)tijdbaan zou hebben gehad naast haar werk in het theehuis, ligt dit niet voor de hand, in het bijzonder vanwege haar arbeidsbeperkingen en gelet op de belasting die voortvloeit uit de combinatie van werkzaamheden. Voor zover [appellant B] stelt dat verrekening van voordeel in dit geval onredelijk zou zijn, slaagt dit evenmin. Indien zij in de schadeperiode naast de inkomsten uit arbeid (en uitkeringen) ook aanspraak maakt op vergoeding van inkomensschade zou zij voordeliger uit zijn geweest dan wanneer het college niet onrechtmatig zou hebben gehandeld.

2.13. De slotsom is dat [appellanten] aanspraak maken op een bedrag van € 270,00 aan schadevergoeding.

2.14. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 juni 2008 in zaak nr. 03/1584;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen van 27 mei 2003;

V. bepaalt dat de gemeente Drimmelen aan [appellanten] moet betalen een vergoeding van € 270,00 (zegge: tweehonderd zeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 augustus 2003 tot aan de dag van algehele voldoening;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.576,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderdzesenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door gemeente Drimmelen aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat gemeente Drimmelen aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 332,00 (zegge: driehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Planken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009

299.