Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH9251

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
200806069/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2006 heeft de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op grond van het Besluit geluidhinder spoorwegen (hierna: het Bgs) de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidbelasting, vanwege het spoorweggedeelte traject 251, gelegen in de gemeente Nijkerk, van de gevels van de in het besluit genoemde te saneren woningen vastgesteld. Tevens heeft de staatssecretaris bij dit besluit maatregelen vastgesteld die strekken tot het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege dit spoorweggedeelte.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 20.1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2009/2913
JOM 2009/375
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806069/1.

Datum uitspraak: 1 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2006 heeft de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op grond van het Besluit geluidhinder spoorwegen (hierna: het Bgs) de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidbelasting, vanwege het spoorweggedeelte traject 251, gelegen in de gemeente Nijkerk, van de gevels van de in het besluit genoemde te saneren woningen vastgesteld. Tevens heeft de staatssecretaris bij dit besluit maatregelen vastgesteld die strekken tot het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege dit spoorweggedeelte.

Bij besluit van 4 oktober 2007 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) het besluit van 30 mei 2006 gewijzigd.

Bij besluit van 24 juni 2008 heeft de minister het door [appellant A] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van gelijke datum heeft de minister het door [appellant B] hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2008, beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2009.

2. Overwegingen

2.1. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] richt zich - zo moet uit het beroep worden afgeleid - uitsluitend tegen het besluit waarbij het door [appellant A] gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard.

2.1.1. Uit artikel 20.1, eerste en derde lid, van de Wet milieubeheer volgt, voor zover hier van belang, dat een belanghebbende beroep kan instellen tegen een besluit op grond van de Wet geluidhinder.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.1. De Afdeling is van oordeel dat het belang van [appellant B] niet rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit waarbij het door [appellant A] gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard. [appellant B] is dan ook niet aan te merken als een belanghebbende, zodat voor hem geen mogelijkheid bestaat beroep in te stellen.

2.1.2. Het beroep van [appellant B] is niet-ontvankelijk.

2.2. Op 1 januari 2007 is de wet van 5 juli 2006, houdende wijziging van de Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid eerste fase) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het Bgs zoals dat gold vóór 1 januari 2007 van toepassing is op dit geding.

2.3. Bij het besluit van 4 oktober 2007 is krachtens artikel 27, derde lid, van het Besluit voor onder meer de woning van [appellant A] de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidbelasting vanwege het onderhavige spoorweggedeelte (hierna: hogere waarde) vastgesteld. Verder is, voor zover hier van belang, krachtens artikel 27, negende lid, van het Besluit als maatregel die strekt tot het terugbrengen van de geluidbelasting bij de woning van [appellant A] vastgesteld: het aanbrengen van raildempers.

2.4. [appellant A] wijst er in beroep op dat na het nemen van het bestreden besluit grond waarop een geluidscherm zou kunnen worden geplaatst in eigendom bij een projectontwikkelaar is gekomen.

De Afdeling overweegt het volgende. Bij de beoordeling van het bestreden besluit dient de Afdeling uit te gaan van de feiten zoals deze zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voordeden. Hetgeen [appellant A] aanvoert over feiten die zich na het nemen van het bestreden besluit voordeden kan reeds daarom in dit geding geen rol spelen.

2.5. [appellant A] betoogt voorts dat ten onrechte voor zijn woning hogere waarden van 72 en 73 dB(A) in plaats van maximaal 65 dB(A) zijn vastgesteld, omdat hiermee de bestaande problemen worden vergroot.

2.5.1. Ingevolge artikel 27, derde lid van het Bgs, voor zover hier van belang, kan indien overwegende bezwaren bestaan van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard tegen de toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting, vanwege de spoorweg, een hogere waarde dan 65 dB(A) voor woningen worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 73 dB(A) voor woningen niet te boven mag gaan.

2.5.2. De minister neemt het standpunt in dat het niet mogelijk is om de geluidbelasting door het treffen van maatregelen terug te brengen tot maximaal 65 dB(A). Het plaatsen van een geluidscherm bleek niet mogelijk, omdat grondeigenaren de benodigde grond niet wilden afstaan. Door het nemen van geluidreducerende maatregelen aan de spoorweg - in dit geval: het aanbrengen van raildempers - kan de geluidbelasting met 3 dB(A) teruggebracht worden naar 72 en 73 dB(A). Deze waarden zijn als hogere waarde voor de woning van [appellant A] vastgesteld.

Er is geen grond voor het oordeel dat de minister met deze motivering niet in redelijkheid krachtens artikel 27, derde lid, van het Bgs de hogere waarde van 72 en 73 dB(A) voor de woning van [appellant A] kon vaststellen.

De beroepsgrond faalt.

2.6. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], niet-ontvankelijk.

II. verklaart het beroep, voor zover ingesteld door [appellant A], ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009

262-596.