Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH9246

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
200804947/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) [appellant A] bouwvergunning geweigerd voor het plaatsen van een dakopbouw op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804947/1.

Datum uitspraak: 1 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 mei 2008 in zaak nr. 07/6894 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) [appellant A] bouwvergunning geweigerd voor het plaatsen van een dakopbouw op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 31 juli 2007 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] (hierna: [appellant A] e.a.) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 mei 2008, verzonden op 22 mei 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant A] e.a. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] e.a. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2009, waar [appellant B], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door F.M. de Schipper, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de legalisering van de dakopbouw op het perceel.

2.2. [appellant A] e.a. betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Daartoe voeren zij aan dat in de negatieve welstandsadviezen van 25 april 2006 en 13 juni 2006 van de welstandscommissie Dorp Stad en Land (hierna: de welstandscommissie), die aan het besluit op bezwaar van 31 juli 2007 ten grondslag zijn gelegd, en de daarop door de welstandscommissie gegeven toelichting van 28 september 2007 te strikt wordt vastgehouden aan het beleid dat is neergelegd in de door de gemeenteraad in mei 2004 vastgestelde Welstandsnota Westland (hierna: de welstandsnota). Tevens voeren [appellant A] e.a. daartoe aan dat in die toelichting ten onrechte niet wordt ingegaan op de door hen in beroep overgelegde brief van architectenbureau M. Starrenburg van 12 september 2007 (hierna: Starrenburg).

2.2.1. In de welstandsnota staat, voor zover thans van belang, dat bij dakopbouwen wordt gestreefd naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn.

In de welstandsadviezen is, voor zover thans van belang, aangegeven dat het beleid van de gemeente is gericht op het bewaken van de samenhang in de rij woningen en herhaling van de uniforme exemplaren. Tevens staat daarin dat de dakopbouw als voorzien in het bouwplan wat betreft de gevelindeling in strijd is met redelijke eisen van welstand, nu die afwijkt van de overige dakopbouwen die in hetzelfde woningblok zijn gelegen als het perceel.

2.2.2. Niet in geschil is dat de dakopbouw van [appellant A] e.a. aan de achterzijde een raam en een schuifpui heeft, terwijl de overige dakopbouwen die in hetzelfde woningblok zijn gebouwd of die bij de verkoop van de woningen als optie zijn aangeboden, daar drie ramen op regelmatige afstand hebben. Gelet daarop bestaat er geen grond voor het oordeel dat het beleid als vervat in de welstandsnota, in de welstandsadviezen onevenredig strikt is geïnterpreteerd. Dat de uitbouw vanaf de weg niet zichtbaar is, zoals [appellant A] e.a. betogen, staat aan dat oordeel niet in de weg.

[appellant A] e.a. kunnen voorts niet worden gevolgd in hun betoog dat in de toelichting van de welstandscommissie niet wordt ingegaan op de brief van Starrenburg. Zo valt daarin te lezen dat hoewel de welstandscommissie zich kan vinden in het argument van Starrenburg dat voor wat betreft een aantal aspecten van het bouwplan aan de criteria uit de welstandsnota wordt voldaan, dat er niet aan afdoet dat het bouwplan in ieder geval met betrekking tot de gevelindeling niettemin strijdig is met redelijke eisen van welstand.

Ook de door [appellant A] e.a. aangevoerde omstandigheid dat de welstandscommissie de situatie ter plaatse niet in ogenschouw heeft genomen, leidt niet tot het oordeel dat aan haar adviezen een zodanig gebrek kleeft dat het college dit niet aan het besluit van 31 juli 2007 ten grondslag heeft mogen leggen. Niet valt in te zien dat de welstandscommissie op basis van de haar ter beschikking staande tekeningen zich geen goed oordeel heeft kunnen vormen over het bouwplan.

In het in hoger beroep aangevoerde kan daarom geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de adviezen van de welstandscommissie en de daarop gegeven toelichting naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen dat het college deze niet

- of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

2.3. Tenslotte kan het betoog van [appellant A] e.a. dat het college tijdens het bouwen van de dakopbouw ten onrechte geen bouwstop heeft opgelegd niet slagen, reeds omdat dit niet ziet op het besluit dat thans ter beoordeling voorligt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009

270-543.