Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH9230

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
200805095/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland (hierna: het college) [appellante] op straffe van een dwangsom gelast de op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) ter plaatse van de inrit aangebrachte klinkerverharding te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805095/1.

Datum uitspraak: 1 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], waarvan de vennoten [vennoot A], [vennoot B], [vennoot C], [vennoot D] en [vennoot E] zijn, gevestigd, onderscheidenlijk wonend, te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 23 mei 2008 in zaak nr. 07/486 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland (hierna: het college) [appellante] op straffe van een dwangsom gelast de op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) ter plaatse van de inrit aangebrachte klinkerverharding te verwijderen.

Bij besluit van 13 maart 2007 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 mei 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 28 juli 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 200805093/1 ter zitting behandeld op 26 februari 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. S.W. Knoop, advocaat te Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door E.G.H. van Rijn en J.M.A. Engelbertink, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] heeft de klinkerverharding, waar de last op ziet, aangebracht, zonder over een aanlegvergunning te beschikken. De desbetreffende gronden worden gebruikt als inrit van en naar het naastgelegen parkeerterrein dat ten dienste staat aan de Weerselose markt. Op deze gronden rust ingevolge het bestemmingsplan "Weerselose Markt" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Groen Afscherming -G/A-".

2.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor:

a. groenvoorzieningen ter afscherming van de gronden in het plangebied van/ inpassing van de gronden in het plangebied in de omgeving;

b. de aanleg en instandhouding van een weg voor ontsluitend calamiteitenverkeer (noodweg) ter plaatse van de aanduiding op de kaart;

c. watergangen.

Ingevolge het tweede lid zijn op deze gronden toegelaten:

a. groenvoorzieningen;

b. water;

c. overige voorzieningen ten behoeve van de in lid 1 genoemde doeleinden.

Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder c, is het verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken en of werkzaamheden te verrichten:

c. het aanleggen van verhardingen.

Ingevolge het zesde lid is het bepaalde in het vorige lid niet van toepassing op:

a. werkzaamheden van geringe omvang, dan wel welke normale onderhoudswerkzaamheden betreffen;

b. werken en werkzaamheden, welke op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in uitvoering zijn;

c. de aanleg en instandhouding van de noodweg als bedoeld in lid 1 onder b.

Ingevolge het zevende lid zijn de werken of werkzaamheden, als bedoeld in lid 5, slechts toegestaan, indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct dan wel indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke waarden in verband met de functie van de gronden ten behoeve van de inpassing van het marktterrein in dan wel afscherming van de omgeving niet onevenredig wordt/worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, mogen bouwwerken die bestaan op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van het plan, dan wel nadien nog kunnen worden opgericht krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, en die afwijken van het plan, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd op voorwaarde dat de bestaande afwijking van het plan naar aard noch omvang wordt vergroot en behoudens onteigening.

Ingevolge het derde lid mag het gebruik van gronden anders dan voor bebouwing, alsmede het gebruik van zich op die gronden bevindende bouwwerken, dat in strijd is met het in artikel 13, eerste lid, bepaalde en dat reeds plaatsvond vóór de datum waarop het plan onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen (hierna: de peildatum), worden voortgezet.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aangebrachte klinkerverharding geen overtreding oplevert, nu het gebruik van het perceel als inrit voor het parkeerterrein door het overgangsrecht beschermd wordt.

2.3.1. Dit betoog faalt. Vast staat dat op de peildatum op het perceel ter plaatse van de inrit geen klinkerverharding was aangebracht. Met het aanbrengen van een klinkerverharding werd het gebruik van het perceel ter plaatse van de inrit derhalve veranderd, daargelaten of, zoals door [appellante] gesteld maar door het college weersproken, op de inrit voorheen een asfaltverharding was aangebracht.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat voor het aanleggen van de verharding geen vergunning nodig was, omdat het daarbij ging om werkzaamheden van geringe omvang, dan wel normale onderhoudswerkzaamheden, nu zij de aanwezige inrit diende te vervangen in verband met herstel van de zich daaronder bevindende afwateringssystemen.

2.4.1. Ook dat betoog faalt. Nu het grootste deel van de bestaande inrit door klinkers is vervangen, gaat het niet om werkzaamheden van geringe omvang. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat voor het aanbrengen van de klinkers, als waarop de last ziet, aanlegvergunning was vereist.

2.5. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank, door niet in te gaan op haar betoog dat handhaving onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, heeft miskend dat het belang van een goed werkend systeem ten behoeve van afwatering van het parkeerterrein groter is dan dat van een onverharde inrit. Voorts heeft zij volgens haar miskend dat de desbetreffende inrit ook bij calamiteiten kan worden gebruikt en het in dat geval van belang is dat de inrit verhard is.

2.5.1. Ook dat betoog faalt. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten tot handhavend optreden tegen de klinkerverharding. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het belang van een goed werkend afwateringssysteem los staat van de vraag of het perceel, nadat de voor het afwateringssysteem benodigde werkzaamheden waren uitgevoerd, verhard diende te worden. Voorts loopt de ontsluitingsroute van het parkeerterrein bij calamiteiten volgens de van het bestemmingsplan deeluitmakende kaart niet via het perceel.

2.6. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat concreet zicht op legalisering bestaat. Daartoe voert zij in de eerste plaats aan dat het gebruik van het perceel als inrit onder het overgangsrecht, als geregeld in artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften valt. In dit geval is een gedeeltelijke vernieuwing of verandering van de verharding van de inrit aangebracht, wat volgens het eerste lid, onder a, van die bepaling is toegestaan, aldus [appellante].

2.6.1. Reeds omdat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juli 2006 in zaak nr. 200509405/1), een verharding geen bouwwerk is, faalt dit betoog.

2.6.2. Voorts betoogt [appellante] in dit verband dat de aangebrachte klinkerverharding een bijdrage levert aan de inpassing van het marktterrein in de omgeving, omdat het naastgelegen parkeerterrein eveneens met klinkers is verhard en er aldus meer overeenstemming is. Bovendien zijn de landschappelijke waarden door het aanbrengen van de verharding niet onevenredig aangetast en wordt de mogelijkheid van herstel van die waarden ook niet verkleind, zodat het college daarvoor aanlegvergunning kan verlenen, aldus [appellante].

2.6.3. Dit betoog faalt evenzeer. Het college is niet bereid aanlegvergunning voor de verharding te verlenen, omdat door de verharding de landsschappelijke waarden worden aangetast en de mogelijkheden voor herstel van zulke waarden daardoor worden verminderd. Er is op voorhand geen reden om aan te nemen dat, indien een aanlegvergunning zou worden aangevraagd en de aanvraag zou worden afgewezen, die afwijzing toetsing in rechte niet zou kunnen doorstaan.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009

357-476.