Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH9227

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
200807189/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 augustus 2008, nummer 2008/30864, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Valkenburg aan de Geul (hierna: de raad) bij besluit van 11 februari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Compensatiewoningen Schone Poel".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807189/1/R2.

Datum uitspraak: 1 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2008, nummer 2008/30864, heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Valkenburg aan de Geul (hierna: de raad) bij besluit van 11 februari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Compensatiewoningen Schone Poel".

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 22 oktober 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad en [appellant] hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2009, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door P.H.M. Haenen, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de [belanghebbende] als partij gehoord, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de mogelijkheid om twee woningen op te richten in het kader van de Ruimte voor Ruimteregeling. Het college heeft het plan goedgekeurd.

2.3. [appellant] stelt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:9 van de Awb omdat de raad zich er niet van heeft vergewist of het onderzoek van de Kwaliteitscommissie Limburg, die moet adviseren over de toepassing van de Ruimte voor Ruimteregeling, op zorgvuldige wijze is uitgevoerd. Voorts is de kwaliteitswinst onvoldoende gemotiveerd omdat de stal niet zichtbaar is vanaf de weg. Het college heeft ook over enkele bedenkingen geen eigen afweging gemaakt, maar slechts verwezen naar het vaststellingsbesluit. Daarnaast betoogt [appellant] dat het college ten onrechte slechts de twee in het plan voorziene woningen heeft beoordeeld, terwijl duidelijk is dat er hierna nog meer woningen zullen komen. Ook is het college ten onrechte niet ingegaan op het deskundigenadvies dat [appellant] heeft ingediend en op de problematiek omtrent de aanwezige infrastructuur. Voorts worden door het plan de belangen van [appellant], met name wat betreft zijn privacy, onevenredig geschaad. Tevens is onvoldoende onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van dassen in het plangebied, aldus [appellant].

2.4. Het college kan zich ten aanzien van het merendeel van de bedenkingen verenigen met het door de raad ingenomen standpunt. Voorts heeft de raad volgens het college duidelijk aangegeven dat hij zelfstandig tot een beoordeling is gekomen. In het verweerschrift heeft het college daaraan nog toegevoegd dat de Kwaliteitscommissie geen afweging behoefde te maken over de aanvaardbaarheid van de sloop van de varkensstal omdat de aanwezigheid van dit soort stallen per definitie een aantasting is van het landschap. Volgens het college is de raad in de plantoelichting ingegaan op de aanwezige infrastructuur en de benodigde parkeerplaatsen. Naar de aanwezigheid van dassen is onderzoek gedaan door de Dassenwerkgroep Limburg. De bevindingen van dit onderzoek zijn de door de raad in de reactie op de zienswijze vermeld. Over het advies dat door [appellant] is ingediend met betrekking tot het bouwvoornemen, stelt het college dat hierin onvoldoende reden is gelegen voor het oordeel dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.5. De woning van [appellant] staat aan de [locatie 1]. Het plangebied grenst aan zijn perceel.

Het plan voorziet voor de gronden tussen [locatie 1] en [locatie 2] in een plandeel met de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de bestemmingskaart als woondoeleinden aangegeven gronden bestemd voor woondoeleinden en parkeervoorzieningen.

2.6. Over het betoog van [appellant] dat het college in het bestreden besluit niet kon volstaan met een verwijzing naar de beantwoording van de raad op de door hem ingebrachte zienswijze, overweegt de Afdeling het volgende. Nu het college in het bestreden besluit bij enkele onderdelen van de bedenkingen van [appellant] heeft vermeld in te stemmen met de beantwoording door de raad van de door [appellant] ingebrachte zienswijze, dient deze beantwoording voor deze onderdelen te worden beschouwd als het standpunt van het college. Een dergelijke handelwijze leidt niet op voorhand tot de conclusie dat het college zich niet - mede naar aanleiding van door [appellant] ingebrachte bedenkingen - een eigen oordeel heeft gevormd omtrent hetgeen een belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening vereist. In het algemeen staat geen wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel aan een dergelijke handelwijze in de weg. Niet is gebleken dat dat in dit geval anders is.

Het betoog van [appellant] faalt.

2.7. Niet in geschil is dat het plan voorziet in de mogelijkheid maximaal twee woningen op te richten. Voor zover [appellant] aanvoert dat het college bij de beoordeling van het plan rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat in de toekomst nog meer woningen zullen worden opgericht, overweegt de Afdeling dat op grond van artikel 28, eerste lid, van de WRO het college het voorliggende plan dient te beoordelen. Nu de bedenkingen van [appellant] in zoverre niet zijn gericht tegen een ontwikkeling waarin het plan voorziet en er ook geen plannen voor meer woningen bestaan waarmee rekening moest worden gehouden, behoefde het college deze bedenking niet bij zijn beoordeling van het plan te betrekken.

2.8. Ingevolge artikel 3:5, eerste lid, van de Awb, wordt in afdeling 3.3 van die wet onder adviseur verstaan: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.

Ingevolge artikel 3:9 van de Awb dient, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

2.8.1. De Kwaliteitscommissie Limburg die over de aanvraag van de raad heeft geadviseerd, is niet bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren, maar op grond van het streekplanbeleid. Gelet hierop is de Kwaliteitscommissie geen adviseur als bedoeld in artikel 3:5 van de Awb, zodat artikel 3:9 van die wet niet van toepassing is. Niettemin dient een bestuursorgaan een besluit altijd zorgvuldig voor te bereiden. De Afdeling stelt vast dat uit paragraaf 4 van de plantoelichting blijkt dat de raad bij de voorbereiding van het plan onderzoek heeft gedaan naar de feiten en omstandigheden binnen het plangebied. Het voornemen voor de bestemmingsplanwijziging is vervolgens aan de hiervoor genoemde Kwaliteitscommissie voorgelegd in het kader van een uniforme toepassing van de regeling Ruimte voor Ruimte Zuid-Limburg. Niet is gebleken dat het advies van de Kwaliteitscommissie onzorgvuldig tot stand is gekomen of op onjuiste feiten is gebaseerd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Ook het college heeft het advies in redelijkheid bij zijn beoordeling van het plan kunnen betrekken.

2.9. Uit de stukken, waaronder de plantoelichting, blijkt dat het agrarisch bedrijf aan de weg Schone Poel is beëindigd. De bestaande bedrijfsbebouwing is gelegen aan de rand van een natuurgebied. De stal is door zijn verschijningsvorm en volume storend in de omgeving. De stal heeft een oppervlakte van 1367 m². Daarnaast is een stal van 280 m² in de gemeente Voerendaal gesloopt. De oppervlakte van de woningen is maximaal 300 m² aan hoofdgebouwen en 120 m² aan bijgebouwen. In totaal wordt dus 420 m² teruggebouwd, wat aanzienlijk minder is dan de huidige omvang van de gebouwen. Er is dus ook sprake van zogenoemde ontsteningswinst, hetgeen bij de Ruimte voor Ruimteregeling centraal staat.

2.9.1. De streekplanherziening van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2001 'POL-aanvulling Ruimte voor Ruimte Zuid-Limburg', zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Limburg op 15 juli 2004 (hierna: de Ruimte voor Ruimteregeling), is als onderdeel van de integrale herziening opnieuw vastgesteld bij het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006. Op pagina 10 en 11 van de Ruimte voor Ruimteregeling is vermeld dat:

"een ruimere regeling geldt voor intensieve veehouderijen en niet-agrarische bedrijven. Voor deze typen van bedrijven is de Ruimte voor Ruimteregeling ook van toepassing buiten de linten en clusters. Deze bedrijven zijn namelijk vanuit provinciaal en rijksbeleid niet gewenst in het buitengebied van Zuid-Limburg. Deze bedrijven kenmerken zich door een intensieve, grootschalige en veelal landschapsontsierende bebouwing. Bij de sloop hiervan is sprake van meervoudige winst. […] Wij zijn van mening dat voor deze typen van bedrijven de kwaliteitswinst van sloop in voldoende mate opweegt tegen de afbreuk die gedaan wordt door de bouw van een compensatiewoning.".

2.9.2. De Afdeling overweegt dat in de stukken, zoals hiervoor onder 2.9 samengevat weergegeven, uitgebreid is gemotiveerd op welke manier de sloop van de stallen en de bouw van de woningen leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Over de stelling van [appellant] dat de stal in Voerendaal al eerder ten behoeve van een Ruimte voor Ruimtewoning is ingebracht en dus niet nogmaals mag worden meegeteld, overweegt de Afdeling het volgende. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de stal in Voerendaal weliswaar is gesloopt in het kader van een bedrijfsbeëindiging, maar dat het desbetreffende perceel binnen de bebouwde kom ligt. De bouw van de woningen die daar zijn opgericht, viel derhalve niet onder de Ruimte voor Ruimteregeling. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de oppervlakte van de gesloopte stal in Voerendaal in het kader van onderhavige procedure mocht worden meegeteld.

[appellant] heeft zijn stelling dat de stal niet zichtbaar is vanaf de weg niet aannemelijk gemaakt. Deze stelling is in ieder geval niet juist sinds de fruitbomen op het perceel van het agrarische bedrijf zijn gekapt. Voor zover [appellant] heeft gewezen op het door hem ingediende advies van Op 't Root & Beers Architecten & Ingenieurs van 22 april 2008, overweegt de Afdeling dat het college dit stuk bij de behandeling van de ingebrachte bedenkingen heeft betrokken. Het feit dat in dit stuk een ander standpunt wordt ingenomen over de optimale stedenbouwkundige inrichting van het plangebied dan hetgeen de raad in het plan heeft neergelegd, betekent niet dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In de brief heeft het college dan ook in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.10. Wat betreft de capaciteit van de bestaande infrastructuur is de Afdeling van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de realisatie van twee woningen zal leiden tot verkeershinder of parkeerproblemen. Hierbij is in aanmerking genomen dat het plan ingevolge artikel 7, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften voorziet in het realiseren van parkeermogelijkheden op eigen terrein.

2.11. Het bouwvlak dat het dichtst bij de woning van [appellant] ligt, bevindt zich op een afstand van ongeveer 15 meter van de zijgevel van de woning van [appellant] en ligt niet evenwijdig aan zijn woning. Binnen dit bouwvlak zal een woning worden gerealiseerd. Voorts bevinden zich tussen de woning van [appellant] en het bouwvlak nog bijgebouwen op het perceel van [appellant]. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellant].

2.12. Over het betoog van [appellant] dat niet voldoende onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van dassen in het plangebied overweegt de Afdeling dat ter zitting is komen vast te staan dat aan de rand van het plangebied een toegang naar een dassenburcht aanwezig is, maar dat de burcht zelf buiten het plangebied ligt. Uit een onderzoek van de Dassenwerkgroep Limburg volgt dat de bouw van de twee huizen aan de Bronsdalweg gezien de grote afstand tot de burcht, geen belemmering vormt voor het behoud van de dassenburcht. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college bij het goedkeuringsbesluit niet van dit onderzoek heeft mogen uitgaan.

2.13. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Troost

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009

234-545.