Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH9222

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
200804728/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 27 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heusden (hierna: het college) [appellante] tijdelijke vrijstelling geweigerd voor het plaatsen van een tijdelijke stacaravan onderscheidenlijk een tunnelkas op het perceel aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend als sectie […], nummer […] te Drunen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804728/1.

Datum uitspraak: 1 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 mei 2008 in zaken nrs. 07/1937 en 07/3440 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heusden.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 27 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heusden (hierna: het college) [appellante] tijdelijke vrijstelling geweigerd voor het plaatsen van een tijdelijke stacaravan onderscheidenlijk een tunnelkas op het perceel aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend als sectie […], nummer […] te Drunen (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 15 mei 2008, verzonden op 21 mei 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 juli 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting gevoegd behandeld op 17 februari 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door J.P. van den Enden en mr. F. Wubbena, advocaat te Oosterhout, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De verzoeken om vrijstelling zien op de tijdelijke legalisering van een tunnelkas en het plaatsen van een stacaravan op het perceel, vooruitlopend op de door [appellante] beoogde bouw van een bedrijfswoning, bedrijfshal en een kas op het perceel.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Elshout" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden A" met de nadere aanduiding k.

Ingevolge artikel 7, aanhef en onder a en b, onderdeel 5, voor zover thans van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven en tevens voor kassen en overige aan de glastuinbouw verbonden (gemeenschappelijke) teeltondersteunende voorzieningen zoals nutsvoorzieningen, energie voorzieningen en warmtebuffers.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, voor zover thans van belang, mag op de als zodanig aangegeven gronden uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming met inachtneming van de volgende eisen:

a. er mogen uitsluitend agrarische bedrijfsgebouwen ten behoeve van de bestaande agrarische bedrijven worden gebouwd;

b. situering van de bebouwing, met uitzondering van erfafscheidingen, uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven bebouwingsvlak.

Ingevolge artikel 1, onder 32, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan, een bedrijf dat geheel of overwegend is gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door haar op het perceel beoogde stacaravan en de tunnelkas in strijd zijn met het bestemmingsplan.

2.3.1. Dit betoog faalt. De bedoelde stacaravan en de tunnelkas zijn beiden gesitueerd buiten het op de plankaart aangegeven bebouwingsvlak, hetgeen in strijd is met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften. De rechtbank heeft reeds daarom terecht geoordeeld dat de stacaravan en de tunnelkas in strijd zijn met het bestemmingsplan.

2.4. Ten aanzien van de geweigerde vrijstellingen stelt het college zich op het standpunt dat in strijd met het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 niet aannemelijk is gemaakt dat de beoogde stacaravan en de tunnelkas niet langer dan vijf jaren in stand zullen blijven. Het college acht het in dit verband niet aannemelijk dat het medewerking zal verlenen aan de permanent beoogde bebouwing waarop in de huidige verzoeken om vrijstelling vooruit wordt gelopen. Hiervoor is volgens het college noodzakelijk dat op het perceel reeds sprake is van een bestaand agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en a, van de planvoorschriften. Het college heeft zich in de besluiten van 27 maart 2007 op het standpunt gesteld dat die situatie zich in dit geval niet voordoet. Hieraan heeft het de adviezen van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: de AAB) van 24 oktober 2006 en 11 januari 2007 ten grondslag gelegd. Het laatste advies is uitgebracht naar aanleiding van een door [appellante] overgelegde reactie van Organisatie Adviesbureau C.E.A. (hierna: het adviesbureau) van 17 november 2006.

2.5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid de gevraagde vrijstellingen heeft kunnen weigeren. Volgens haar wordt reeds vanaf 1995 op het perceel een agrarisch bedrijf geëxploiteerd en mocht zij aan een brief van het college van 25 september 2006 het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat haar de gevraagde vrijstellingen zouden worden verleend.

2.5.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.

2.5.2. In de adviezen die de AAB heeft uitgebracht op grond van overleg met [appellante], de door haar bij het college aangeleverde stukken, de door haar ingediende zienswijze waar de reactie van het adviesbureau deel van uit maakt en feitelijk onderzoek ter plaatse, staat dat de verhouding tussen omzet en inkoop van het bedrijf dat door [appellante] op het perceel wordt geëxploiteerd zodanig is dat ondubbelzinnig sprake is van een handelsbedrijf. Tevens staat daarin dat het omzetvolume in relatie tot de zeer beperkte omvang van het containerveld -nog afgezien van de mate van gebruik ervan- dermate groot is, dat hooguit een marginaal gedeelte van de omzet daadwerkelijk hierop gekweekt zou kunnen worden. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de adviezen van de AAB naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan de besluiten van 27 maart 2007 ten grondslag heeft mogen leggen. De door [appellante] overgelegde foto's, verklaringen, reactie van het adviesbureau en het uittreksel van het handelsregister, leiden niet tot een ander oordeel, nu zij hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrijf geheel of overwegend is gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen. Dat uit deze stukken kan worden afgeleid dat er op het perceel een zekere mate van kweek plaatsvindt, zoals [appellante] betoogt, staat aan dat oordeel niet in de weg.

Nu het college er in redelijkheid van uit heeft kunnen gaan dat geen bouwvergunning zal kunnen worden verleend voor een bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing op het perceel, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat aannemelijk is gemaakt dat de beoogde stacaravan en de tunnelkas niet langer dan vijf jaren in stand zullen blijven.

2.5.3. Voorts kan [appellante] niet worden gevolgd in zijn betoog dat er in de brief van 25 september 2006 namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan zij het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat het college de gevraagde vrijstellingen zou verlenen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit die brief blijkt dat het college, er vanuit gaande dat het door [appellante] op het perceel geëxploiteerde bedrijf kon worden aangemerkt als een agrarisch bedrijf, voornemens was een tijdelijke vrijstellingsprocedure te starten hetgeen ook daadwerkelijk is gebeurd. Hangende deze procedure heeft het college zich na onderzoek van de AAB op het nadere standpunt gesteld dat er op het perceel geen sprake is van een bestaand agrarisch bedrijf en medewerking tot vrijstelling geweigerd. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college dat niet heeft kunnen doen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009

270-543.