Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH9221

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
200804151/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vernieuwen en vergroten van een garage/berging op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804151/1.

Datum uitspraak: 1 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 april 2008 in zaak nr. 07/1923 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vernieuwen en vergroten van een garage/berging op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 april 2007 heeft het college het door [appellanten] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2008, verzonden op 28 april 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 april 2007 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 juni 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 15 juli 2008 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellant] tegen het besluit van 28 maart 2006 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, dat besluit herroepen in die zin dat alsnog vrijstelling en bouwvergunning voor de garage wordt geweigerd, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [vergunninghouder] een reactie ingediend.

Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2009, waar [een der appellanten], bijgestaan door mr. W. Visser, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.S. Klaver, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Verhagen, advocaat te Eindhoven, daar als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de legalisering van een op het perceel gebouwde garage (hierna: de garage).

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bungalowpark-Leende" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Tuinen-II".

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor tuinen met de daarbij behorende bijgebouwen en andere bouwwerken.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, onder 1, voor zover thans van belang, gelden indien en voor zover op de aldus bestemde gronden bijgebouwen worden gebouwd, daarvoor en voor de daarbij behorende bouwwerken de volgende eisen.

c. de gezamenlijk oppervlakte van bijgebouwen bedraagt per woning ten hoogste 20 m² bij een perceelsoppervlakte tot 2000 m².

d. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 2,50 m; de totale hoogte bedraagt ten hoogste 3,50 m.

De garage is hiermee in strijd, nu de nokhoogte daarvan 4,80 m bedraagt, de goothoogte meer bedraagt dan 2,50 m en de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen op het perceel, dat een oppervlakte heeft van 1.678 m², meer bedraagt dan 20 m². Teneinde bouwvergunning voor het project te kunnen verlenen, heeft het college krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.3. Bij besluit van 16 maart 2004 heeft het college beleidsregels vastgesteld die zijn vervat in de beleidsnotitie "Beleidsregels artikel 19, lid 3 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, (…)" (hierna: de beleidsregels 2004). Daarin zijn de zogenoemde eisen opgenomen waaraan moet worden voldaan voordat het college krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling voor een bouwplan kan verlenen. Bij besluit van 12 juni 2006 heeft het college hiervoor nieuwe beleidsregels vastgesteld (hierna: de beleidsregels 2006).

2.4. Het college heeft aan het besluit van 28 maart 2006 de beleidsregels 2004 en aan het besluit van 25 april 2007 de beleidsregels 2006 ten grondslag gelegd. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bij besluit van 25 april 2007 terecht toepassing heeft gegeven aan de beleidsregels 2006. Hij voert daartoe aan dat het college aan het besluit in bezwaar van 25 april 2007 geen voor [appellant] nadeliger beleidsregel ten grondslag mag leggen dan het aan het besluit van 28 maart 2006 ten grondslag heeft gelegd.

2.4.1. Dit betoog faalt. Het college was ingevolge artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht gehouden het primaire besluit in bezwaar volledig te heroverwegen, waarbij moest worden getoetst aan het beleid zoals dat gold ten tijde van de heroverweging. De rechtbank heeft daarom met juistheid geoordeeld dat het college terecht bij de bij besluit van 25 april 2007 verleende vrijstelling toepassing heeft gegeven aan de beleidsregels 2006. Anders dan [appellant] betoogt, is niet gebleken dat hij door het indienen van zijn bezwaarschrift in een slechtere positie is komen te verkeren.

Het college heeft immers bij besluit van 25 april 2007 het besluit van 28 maart 2006 tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning gehandhaafd.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte grond heeft gevonden voor het oordeel dat de garage wat betreft de goothoogte en wat betreft de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen en aan- en uitbouwen op het zij- en achtererf op het perceel, voldoet aan de beleidsregels 2006.

2.5.1. Voor de toepassing van de beleidsregels 2006 wordt onder goothoogte verstaan: de hoogte in meters van de druiplijn, de bovenkant van de goot, het boeiboord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel, gemeten vanaf het peil. Onder druiplijn wordt in Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal verstaan: lijn die van onderen het dak begrenst. In de beleidsregels 2006 is aangegeven dat de goothoogte niet hoger mag zijn dan 3 m. Uit de van de bouwaanvraag deeluitmakende bouwtekening (hierna: de bouwtekening) volgt dat de goothoogte gemeten vanaf het peil tot aan de druiplijn 3 m bedraagt. De rechtbank was daarom terecht van oordeel dat de garage wat betreft de goothoogte voldoet aan de beleidsregels 2006.

2.5.2. Niet in geschil is dat het perceel een oppervlakte heeft van 1.678 m². In de beleidsregels 2006 is aangegeven dat bij een perceel met een zodanige oppervlakte ten hoogste 100 m² aan bijgebouwen en aan- en uitbouwen op het zij- en achtererf mag worden gebouwd. Zoals aangegeven op de bouwtekening bedraagt de totale oppervlakte van de garage, de berging en de carport op het zij- en achtererf van het perceel ongeveer 99 m². De rechtbank was daarom ook terecht van oordeel dat de garage wat betreft de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen en aan- en uitbouwen op het zij- en achtererf op het perceel voldoet aan de beleidsregels 2006.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond.

2.7. Bij besluit van 15 juli 2008 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet geheel aan diens bezwaren is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van [appellant], gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

2.8. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5.1. en 2.5.2. is overwogen, slaagt het betoog van [appellant] dat de garage wat betreft de goothoogte en wat betreft de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen en aan- en uitbouwen op het zij- en achtererf op het perceel in strijd is met de beleidsregels 2006, niet.

2.9. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 15 juli 2008 is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep ongegrond;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 15 juli 2008 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009

270-543.