Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH9220

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
200804124/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het illegale gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) en de daarop staande bebouwing voor de stalling van en handel in tractoren en landbouwmachines - met uitzondering van de stalling van tien tractoren en/of landbouwmachines voor eigen gebruik ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering - uiterlijk binnen vijf maanden na verzending van dit besluit te staken en niet te hervatten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804124/1.

Datum uitspraak: 1 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 april 2008 in zaak nr. 07/1843 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het illegale gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) en de daarop staande bebouwing voor de stalling van en handel in tractoren en landbouwmachines - met uitzondering van de stalling van tien tractoren en/of landbouwmachines voor eigen gebruik ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering - uiterlijk binnen vijf maanden na verzending van dit besluit te staken en niet te hervatten.

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 april 2008, verzonden op 29 april 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 april 2007 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2009, waar [appellant], bijgestaan door J.B.M. Lauwerijssen, en het college, vertegenwoordigd door M.W.C. Heesbeen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1994" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarische bedrijfscentra".

Ingevolge artikel II.15, lid A, onder I, onderdeel 1, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangegeven gronden bestemd voor agrarische bedrijfsdoeleinden ten behoeve van de uitoefening van een agrarisch bedrijf met de daarbij behorende voorzieningen.

Ingevolge artikel II.15, lid C, is ten aanzien van het gebruik het bepaalde in artikel III.2 van toepassing.

Ingevolge artikel III.2, eerste lid, onder 1, voor zover thans van belang, is het verboden de in het plan begrepen gronden - voor zover zij onbebouwd blijven - anders te gebruiken dan in overeenstemming met de in het plan aan die gronden gegeven bestemming.

Ingevolge artikel III.2, tweede lid, onder 1, voor zover thans van belang, is het verboden bouwwerken anders te gebruiken dan ten dienste van de in deze voorschriften aan de bijbehorende grond gegeven bestemming.

Niet in geschil is dat [appellant] ten tijde van het besluit van 6 november 2006 het perceel en de daarop staande bebouwing gebruikte voor de stalling van en handel in tractoren en landbouwmachines, zoals dat door het college tijdens een controle van 1 november 2001 was vastgesteld. Dit is in strijd is met het bepaalde in de artikelen III.2, eerste lid, onder 1 en III.2, tweede lid, onder 1, van de planvoorschriften.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit gebruik onder het overgangsrecht, als neergelegd in de artikelen V.2, tweede lid, onder 1 en artikel V.2, tweede lid, onder 2 van de planvoorschriften, kan worden gebracht.

2.2.1. Ingevolge artikel V.2, tweede lid, onder 1, mag het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan bestaande gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge artikel V.2, tweede lid, onder 2, mag het bestaande gebruik als bedoeld onder 1 worden gewijzigd in een ander met het plan strijdig gebruik, mits de afwijking van het plan naar de aard niet wordt vergroot.

Het bestemmingsplan heeft rechtskracht verkregen op 3 mei 1996.

2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 augustus 2007 in zaak nrs. 200705312/1 en 200705312/2) dient degene die zich op het overgangsrecht beroept de feiten en omstandigheden waarop dat beroep berust aannemelijk te maken.

2.2.3. Ter onderbouwing van zijn stelling dat op de peildatum reeds de activiteiten als vastgesteld tijdens de controle op het perceel van 1 november 2001 plaatsvonden, heeft [appellant] een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Oost-Brabant overgelegd waarin staat dat sinds 16 februari 1994 op het perceel een handelsbedrijf in tractoren en landbouwmachines is gevestigd. Tevens heeft hij een toelichting op de winst- en verliesrekening van 1995 overgelegd waarin is aangegeven dat met de verkoop van landbouwwerktuigen en tractoren een omzet is behaald van fl. 700.820,00. Voorts heeft hij getuigenverklaringen overgelegd waarin staat dat vanaf 1990 op het perceel de handel in en de stalling van tractoren heeft plaatsgevonden.

Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel, de toelichting op de winst- en verliesrekening en de verklaringen kan worden afgeleid dat reeds voor de peildatum op het perceel handel in en stalling van tractoren plaatsvond, echter niet dat deze activiteiten sinds de peildatum plaatsvinden in de omvang, zoals die tijdens de controle op 1 november 2001 werd vastgesteld. Het ging toen om ongeveer 84 tractoren en een aantal machines of onderdelen van machines. Uit mededelingen die de vader van [appellant] heeft gedaan in het licht van de in 1995 ingediende aanvraag om bouwvergunning voor een werktuigenloods ten behoeve van het agrarische bedrijf op het perceel, blijkt bovendien dat op het perceel slechts hobbymatig tractoren werden opgeknapt en verkocht en dat zich onder de machines en werktuigen op het perceel aanzienlijk minder tractoren bevonden dan het aantal dat tijdens de controle van 1 november 2001 op het perceel werd aangetroffen.

Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruik dat hij van het perceel maakte tijdens de controle van 1 november 2001 kan worden aangemerkt als de voortzetting van het op 3 mei 1996 bestaande gebruik als bedoeld in artikel V.2, tweede lid, onder 1, van de planvoorschriften, zodat dat gebruik niet wordt beschermd door het in dat artikel neergelegde overgangsrecht.

Anders dan [appellant] betoogt is in het advies van de commissie bezwaarschriften dat aan het besluit van 10 april 2006 ten grondslag is gelegd en waarvan de beoordeling en conclusie door het college is overgenomen, ingegaan op diens bezwaar dat het gebruik van het perceel onder het overgangsrecht kon worden gebracht. Dit betoog kan reeds daarom niet leiden tot het daarmee door [appellant] beoogde doel.

2.3. De rechtbank heeft het besluit van 10 april 2007 vernietigd, omdat het in strijd met het bepaalde in artikel 5:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet vermeldt welk voorschrift is overtreden. De rechtbank heeft echter aanleiding gezien de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, van de Awb.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 10 april 2007 in stand te laten.

2.4.1. Dit betoog faalt. Bij brief van 28 augustus 2002 en bij brief van 21 september 2006 waar in het besluit van 6 november 2006 naar wordt verwezen, heeft het college aan [appellant] meegedeeld dat het gebruik van het perceel en de daarop staande bebouwing in strijd is met de aan het perceel gegeven bestemming. Voorts is in het advies van de commissie bezwaarschriften onweersproken gesteld dat zulks door [appellant] wordt erkend. De rechtbank heeft hieruit terecht afgeleid dat bij [appellant] geen onduidelijkheid bestond over de grondslag van de dwangsomoplegging. Dat het gebruik van het perceel volgens [appellant] onder het overgangsrecht kan worden gebracht, staat daaraan niet in de weg.

Onder deze omstandigheden en in aanmerking genomen dat het college in het kader van de beroepsprocedure bij de rechtbank de planvoorschriften die door [appellant] worden overtreden heeft overgelegd, heeft de rechtbank, gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.2.3, aanleiding mogen zien de rechtsgevolgen in stand te laten als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, van de Awb.

Voor het betoog van [appellant] dat daarvoor uitsluitend aanleiding bestaat indien inhoudelijk geen andere beslissing mogelijk is dan een besluit met hetzelfde dictum als het vernietigde besluit, kan geen grondslag worden gevonden in het recht. Dit betoog leidt daarom niet tot een ander oordeel. Ook zijn betoog dat hij bij het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 10 april 2007 nog steeds dwangsommen kan verbeuren, leidt niet tot een ander oordeel.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009

270-543.