Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH9218

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
200801951/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van vier airco-units op het dak van het kantoorgebouw op het perceel [locatie] te Amsterdam (hierna onderscheidenlijk: het kantoorgebouw en het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2009/3518
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801951/1.

Datum uitspraak: 1 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 januari 2008 in zaak nr. 06/4869 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2006 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van vier airco-units op het dak van het kantoorgebouw op het perceel [locatie] te Amsterdam (hierna onderscheidenlijk: het kantoorgebouw en het perceel).

Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft het dagelijks bestuur, voor zover thans van belang, onder aanpassing van het besluit van 11 mei 2006, inhoudende dat vrijstelling wordt verleend voor het plaatsen van voormelde airco-units, het door [appellant] tegen dat besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 januari 2008, verzonden op 5 februari 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 9 april 2008.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2009, waar [appellant], in persoon, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. T. Ruhnke, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen heeft [appellant] ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de legalisering van vier airco-units.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Vijzelstraat-Amstel" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Gemengde doeleinden".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden die op de plankaart als zodanig zijn bestemd, voor zover thans van belang, aangewezen voor woningen, behalve daar waar op de plankaart de aanduiding "woningen niet toegestaan" voorkomt;

Ingevolge artikel 3, het derde lid, onder k, voor zover thans van belang, bedraagt de bouwhoogte van panden die op de waarderingskaart zijn aangeduid als orde 2, ten hoogste de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaande bouwhoogte.

Ingevolge artikel 3, het vierde lid, aanhef en onder f, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 3, onder k, voor ventilatie-inrichtingen tot ten hoogste 5 meter.

Niet in geschil is dat het kantoorgebouw als een orde 2-pand als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder k, van de planvoorschriften moet worden aangemerkt en dat door het plaatsen van de ongeveer 1 m hoge airco-units het kantoorgebouw niet voldoet aan de ingevolge dat artikel maximaal toegestane bouwhoogte. Voorts is niet in geschil dat voor de toepassing van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften een airco-unit kan worden begrepen onder een ventilatie-inrichting.

Teneinde bouwvergunning voor de vier airco-units te kunnen verlenen, heeft het dagelijks bestuur krachtens artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) gelezen in samenhang met artikel 3, vierde lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften vrijstelling verleend.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het verlenen van vrijstelling heeft kunnen komen. Daartoe voert hij aan dat hij ten gevolge van de airco-units geluidsoverlast ondervindt.

2.3.1. In artikel 9 (beschrijving in hoofdlijnen), tweede lid, aanhef en onder d, voor zover thans van belang, is bepaald dat de vrijstelling als bedoeld in artikel 3, het vierde lid, aanhef en onder f, voor ventilatie-inrichtingen slechts in geval van aantoonbaar technische noodzaak zal worden verleend. Deze installaties dienen zo klein als technisch mogelijk te zijn en zoveel mogelijk uit het zicht te worden geplaatst. In de beoordeling van elk verzoek om vrijstelling zal rekening worden gehouden met de bouwhoogte van de omringende bebouwing.

2.3.2. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de geplaatste airco-units een inpandige oplossing geen optie is, aangezien die units deel uitmaken van een circuit waarbij de ruimtes in het kantoorgebouw worden gekoeld en waarbij de inpandige warmte moet worden afgedragen aan de buitenlucht. Volgens het dagelijks bestuur zijn de airco-units klein en uit het zicht geplaatst. Het kantoorgebouw is het hoogste van het bouwblok zodat de airco-units niet vanuit de omringende bebouwing zichtbaar zijn. Ook vanuit stedenbouwkundig oogpunt bestaan volgens het dagelijks bestuur geen bezwaren tegen de plaatsing daarvan.

Het dagelijks bestuur stelt zich ten aanzien van de gestelde geluidsoverlast op het standpunt dat deze niet onredelijk hoog is. Hieraan legt het een geluidsonderzoek van de Dienst Milieu en Bouwtoezicht van 5 juli 2006 ten grondslag, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een memo van 14 juli 2006. Hierin staat dat bij de airco-units op het kantoorgebouw geluidsmetingen zijn verricht op grond waarvan de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant] is vastgesteld op 39 dB(A). Volgens de Dienst Milieu en Bouwtoezicht blijft die geluidsbelasting onder de toegestane norm van 50 dB(A).

Ten aanzien van de geluidsbelasting in de woning blijkt uit het verhandelde ter zitting en een brief van de Dienst Milieu en Bouwtoezicht van 17 maart 2006 dat ambtenaren van de gemeente op 14 september 2005 en 21 september 2005 naar aanleiding van klachten in de woning van [appellant] geluidsmetingen hebben verricht, waarbij werd vastgesteld dat de geluidsmetingen inclusief het aanwezige achtergrondniveau niet boven de 25 dB(A) kwamen.

In het aangevoerde kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat deze geluidonderzoeken naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen dat het dagelijks bestuur deze niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent het besluit tot het verlenen van de gevraagde vrijstelling ten grondslag heeft mogen leggen.

Onder deze omstandigheden kunnen vorenstaande standpunten van het dagelijks bestuur niet onredelijk worden geacht. Het betoog van [appellant] dat hij lijdt aan een chronische slaapstoornis, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat zijn woning zich bevindt in een stedelijke omgeving waarop de bestemming "Gemengde doeleinden" rust, waarmee het plaatsen van een airco-unit op zichzelf beschouwd niet in strijd is. Ook de door [appellant] ter zitting overgelegde offerte voor het uitvoeren van geluidmetingen door Peutz, geeft geen grond voor een ander oordeel.

De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het verlenen van vrijstelling heeft kunnen komen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009

270-543.