Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH9214

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
200806391/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2008, nummer 1365498, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Breda (hierna: de raad) bij besluit van 20 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Prinsenbeek, partiële herziening vm. Savalterrein".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806391/1.

Datum uitspraak: 1 april 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2008, nummer 1365498, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Breda (hierna: de raad) bij besluit van 20 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Prinsenbeek, partiële herziening vm. Savalterrein".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2008, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2008, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 11 september 2008.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2009, waar [appellant sub 2], vergezeld door zijn vrouw, en het college, vertegenwoordigd door A.J.A.M. van de Laar, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad als partij gehoord, vertegenwoordigd door A.J.J. Neele, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet voor het voormalige bedrijfsterrein 'Savalterrein' in de mogelijkheid om ongeveer 56 woningen te realiseren. Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de spoorlijn Breda - Roosendaal en aan de westzijde door de weg Westrik. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door de bestaande bebouwing en een houtwal en aan de oostzijde door de rijksweg A16 en de HSL.

2.3. [appellant sub 1] stelt dat het plan ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om een geluidsscherm van drie meter hoog te plaatsen tussen de voorziene woningen en het spoor. Dit scherm zal voor hem leiden tot een aantasting van de leefomgeving en tot extra overlast vanwege de reflectie van geluid, zo stelt hij.

2.3.1. De Afdeling overweegt dat ter zitting is komen vast te staan dat de locatie van het geluidsscherm buiten het plangebied ligt. Het geluidsscherm kan derhalve in deze procedure niet aan de orde komen.

2.3.2. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

2.4. [appellant sub 2] stelt dat het plan ten onrechte voorziet in de aanleg van een extra ontsluitingsweg aansluitend aan een nu doodlopende weg naast zijn woning aan de [locatie 1]. Hij voert hiertoe aan dat de aanleg van de ontsluitingsweg zal leiden tot verkeersonveilige situaties, nu aan de bestaande weg een aantal garages liggen terwijl de nieuwe weg is bedoeld voor voetgangers en fietsers. Tevens heeft de raad niet onderbouwd dat er sprake zal zijn van een beperkt aantal autobewegingen van en naar de garages. Volgens [appellant sub 2] zijn er op het stukje weg per dag 40 tot 50 autobewegingen. Voorts betoogt [appellant sub 2] dat de voorziene ontsluitingsweg overbodig is omdat het plan al in een extra weg ten opzichte van het voorontwerp voorziet. Ook voorziet de weg niet in een kortere route naar het centrum. Tot slot stelt [appellant sub 2] dat het college ten onrechte niet op al zijn bedenkingen is ingegaan.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het pad alleen is bedoeld voor het langzame verkeer en dat het pad aansluiting geeft op de openbare weg. Het bestaande weggedeelte wordt slechts gebruikt ter ontsluiting van een aantal garages van de aangrenzende woningen. Voorts heeft het college zich aangesloten bij het standpunt van de raad dat geen problemen met het in- en uitrijden worden voorzien omdat het om een zeer beperkt aantal autobewegingen per dag gaat.

2.4.2. De raad heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting vermeld dat in het plan twee hoofdontsluitingen zijn voorzien op de weg Westrik. Dit zijn ontsluitingen waarvan door alle vormen van verkeer gebruik kan worden gemaakt. De extra ontsluiting door de aanwezige houtwal richting de Zuidlaan is bedoeld voor voetgangers. Hierdoor ontstaat volgens de raad een meer veilige route voor voetgangers om zich naar het centrum van Prinsenbeek te verplaatsen. De aanwezige garageboxen horen bij de woningen [locatie 1] en [locatie 2]. De raad gaat ervan uit dat elke woning maximaal 6 autobewegingen per dag genereert. Dit betekent dat op het stukje weg per dag maximaal 12 autobewegingen plaatsvinden. Dit aantal tast de verkeersveiligheid van de voetgangers niet aan, aldus de raad.

2.4.3. Het perceel van [appellant sub 2] ligt direct ten noorden van het plangebied. Het plan voorziet voor de bestaande houtwal in de bestemming "Groenvoorzieningen (G)".

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d., van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Kom Prinsenbeek" uit 2005, welk artikel ook op dit plan van toepassing is, zijn de op de plankaart als groenvoorzieningen aangewezen gronden bestemd voor verhardingen voor fiets- of voetpaden.

2.4.4. Over het betoog van [appellant sub 2] dat de wijze waarop het college de ingebrachte bedenkingen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb, overweegt de Afdeling dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat het college de bedenkingen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.4.5. De raad heeft het voornemen om door de bestaande houtwal aan de rand van het plangebied een voetpad aan te leggen dat aansluit op het bestaande stukje weg naast het perceel [locatie 1]. De aan die weg gelegen garages behoren bij de twee aangrenzende woningen. Tevens wordt van de weg gebruik gemaakt voor het stallen van een bedrijfsauto bij één van de woningen. De Afdeling is van oordeel dat het college bij het bestreden besluit in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van een gemiddelde van zes autobewegingen per dag per woning. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich per dag 40 tot 50 autobewegingen voordoen. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid met de raad op het standpunt kunnen stellen dat de autobewegingen niet voor een verkeersonveilige situatie voor voetgangers zullen zorgen.

Over de noodzaak van het pad overweegt de Afdeling dat de raad voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het pad zal voorzien in een meer verkeersveilige route voor voetgangers en daarmee in een aparte behoefte naast de twee reguliere ontsluitingswegen voor alle verkeer. Over de vrees van [appellant sub 2] dat het pad ook zal worden gebruikt als route bij calamiteiten, wordt overwogen dat in het plan juist een tweede reguliere ontsluitingsweg is voorzien om het verkeer bij calamiteiten beter te kunnen afwikkelen. Het pad zal niet geschikt zijn als route voor gemotoriseerd verkeer. Voor zover [appellant sub 2] verwacht dat behalve voetgangers ook (brom-)fietsers van het pad zullen gebruik maken, merkt de Afdeling op dat ter zitting is gebleken dat in het inrichtingsplan belemmeringen zijn voorzien die het pad ongeschikt maken voor (brom-)fietsverkeer. In het geval dit gebruik zich toch voordoet, kan daartegen handhavend worden opgetreden.

2.4.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Troost

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009

234-545.