Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH8582

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
200800310/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / nieuw gebleken feiten en omstandigheden / categoriaal beschermingsbeleid / Noord-Irak

De voorzieningenrechter heeft terecht niet op voorhand uitgesloten geacht dat het uit voormelde brieven blijkende standpunt van Amnesty International, dat aan asielzoekers afkomstig uit Noord-Irak bescherming moet worden geboden, kan afdoen aan het eerdere besluit, voor zover daarbij is geweigerd de vreemdeling een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de

Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te verlenen, aangezien dat standpunt mede is gebaseerd op relevante nieuw gebleken feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het eerdere besluit van

9 mei 2007. De voorzieningenrechter heeft voorts terecht evenmin op voorhand uitgesloten geacht dat voormelde feitelijke en verifieerbare

ANP-berichten kunnen afdoen aan het eerdere besluit, aangezien uit die berichten blijkt dat de veiligheidssituatie in Noord-Irak is verslechterd ten opzichte van de situatie op 9 mei 2007. De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht overwogen dat voormelde stukken nieuw gebleken feiten en omstandigheden, in vorenbedoelde zin, behelzen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800310/1/V2.

Datum uitspraak: 20 maart 2009

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 4 januari 2008 in zaak nrs. 07/44846 en 07/44847 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 januari 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 januari 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grieven klaagt de staatssecretaris, voor zover thans van belang, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de door de vreemdeling ingebrachte stukken ten betoge dat een categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Noord-Irak dient te worden gevoerd, nieuw gebleken feiten en omstandigheden behelzen, omdat op voorhand is uitgesloten dat deze stukken kunnen afdoen aan het eerdere besluit.

2.1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl).

Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.1.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.1.3. De vreemdeling heeft eerder, op 31 mei 1998, een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Bij besluit van 24 februari 1999 heeft de staatssecretaris deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van

25 oktober 2000 heeft de staatssecretaris deze afwijzing in bezwaar gehandhaafd.

Voorts heeft de vreemdeling op 4 april 2007 een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij besluit van 9 mei 2007 heeft de staatssecretaris deze aanvraag afgewezen. Op 24 november 2007 heeft de vreemdeling opnieuw een aanvraag als vorenbedoeld ingediend. Het op die aanvraag genomen besluit van 29 november 2007 is van gelijke strekking als de besluiten van

25 oktober 2000 en 9 mei 2007, zodat op het tegen dat besluit ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

2.1.4. Ter nadere toelichting van het aan zijn aanvraag van 24 november 2007 ten grondslag gelegde betoog, dat een categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Noord-Irak dient te worden gevoerd, heeft de vreemdeling, voor zover thans van belang, in zijn zienswijze verwezen naar:

- brieven van Amnesty International aan de staatssecretaris van 23 juli 2007 en 30 oktober 2007 en

- berichten van het Algemeen Nederlands Persbureau (hierna: ANP) "Turkije bombardeert dorpen in Noord-Irak" van 13 november 2007 en "Turkije zet invasie Noord-Irak door" van 15 november 2007.

2.1.5. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, dateren deze stukken van ná het eerdere besluit van 9 mei 2007 en konden deze derhalve niet eerder worden overgelegd.

De voorzieningenrechter heeft, bij de beantwoording van de vraag of niet op voorhand is uitgesloten dat deze stukken kunnen afdoen aan het eerdere besluit van 9 mei 2007, het door de staatssecretaris in het besluit van 29 november 2007 naar aanleiding van die stukken ingenomen standpunt dat geen aanleiding bestaat voor asielzoekers uit Noord-Irak een beleid van categoriale bescherming te voeren, terecht buiten beschouwing gelaten, nu hij eerst diende te treden in de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, als hiervoor onder 2.1.2. bedoeld, die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen.

De voorzieningenrechter heeft terecht niet op voorhand uitgesloten geacht dat het uit voormelde brieven blijkende standpunt van Amnesty International, dat aan asielzoekers afkomstig uit Noord-Irak bescherming moet worden geboden, kan afdoen aan het eerdere besluit, voor zover daarbij is geweigerd de vreemdeling een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te verlenen, aangezien dat standpunt mede is gebaseerd op relevante nieuw gebleken feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het eerdere besluit van 9 mei 2007. De voorzieningenrechter heeft voorts terecht evenmin op voorhand uitgesloten geacht dat voormelde feitelijke en verifieerbare ANP-berichten kunnen afdoen aan het eerdere besluit, aangezien uit die berichten blijkt dat de veiligheidssituatie in Noord-Irak is verslechterd ten opzichte van de situatie op 9 mei 2007. De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht overwogen dat voormelde stukken nieuw gebleken feiten en omstandigheden, in vorenbedoelde zin, behelzen. De grief faalt.

2.2. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de

Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de vreemdeling onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Loo

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2009

418.

Verzonden: 20 maart 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak