Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH8574

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
200805316/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanzeggingen tot legesbetaling / geen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb / geen handelingen in de zin van artikel 72, derde lid van de Vw 2000

De verplichting voor de vreemdelingen om voor het in behandeling nemen van hun aanvragen leges te voldoen, volgt uit artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 gelezen in samenhang met artikel 3.34h van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: het VV 2000). In artikel 24, tweede lid is tevens bepaald dat, als betaling achterwege blijft, de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.

Gelet op deze rechtstreeks uit de wet voortvloeiende op de vreemdelingen rustende verplichting om het in het VV 2000 bepaalde bedrag aan leges te voldoen, zijn de aanzeggingen niet gericht op enig rechtsgevolg en kunnen derhalve niet worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Aangezien bezwaren tegen de legesheffing naar voren kunnen of hadden kunnen worden gebracht in het kader van de bezwaarprocedure tegen het besluit de aanvraag niet in behandeling te nemen, zijn de aanzeggingen evenmin handelingen in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000.

De grief faalt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 24
Vreemdelingenwet 2000 72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805316/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2009

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2], mede voor hun minderjarige kinderen [kind 1] en [kind 2],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 27 juni 2008 in zaak nr. 07/43007 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2], mede voor hun minderjarige kinderen [kind 1] en [kind 2]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden brieven van 12 oktober 2007 hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] (hierna respectievelijk: de vreemdelingen sub 1 en 2), mede voor [kind 1] (hierna: de vreemdeling sub 3), bezwaar gemaakt tegen de aan hen gerichte aanzeggingen tot legesbetaling (hierna: de aanzeggingen).

Bij besluit van 18 oktober 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 juni 2008, verzonden op 2 juli 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdelingen sub 1 en 2, mede voor de vreemdeling sub 3 en [kind 2] (hierna: de vreemdeling sub 4; hierna gezamenlijk: de vreemdelingen) ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 juli 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling overweegt ten aanzien van het voor de vreemdeling sub 4 ingestelde hoger beroep ambtshalve het volgende.

2.1.1. Onder belanghebbende wordt ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verstaan degene, wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 7:1 van de Awb dient degene, aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.

2.1.2. De staatssecretaris heeft op 3 oktober 2007 tevens een aanzegging aan de vreemdeling sub 4 verzonden. Voor haar is daartegen echter geen bezwaar gemaakt. Het besluit op bezwaar van 18 oktober 2007 ziet uitsluitend op de vreemdelingen sub 1, 2 en 3.

Nu het belang van de vreemdeling sub 4 niet rechtstreeks bij dit besluit is betrokken, is zij geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte nagelaten het voor de vreemdeling sub 4 ingestelde beroep niet ontvankelijk te verklaren.

2.2. In de enige grief klagen de vreemdelingen sub 1, 2 en 3 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aanzeggingen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb noch handelingen in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) zijn. Zij betogen hiertoe dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb. Voorts betogen zij dat, nu bij het niet voldoen van leges de aanvragen niet in behandeling worden genomen, de aanzeggingen voor bezwaar vatbaar dienen te zijn.

2.2.1. Voor zover het betoog betrekking heeft op artikel 6:3 van de Awb, berust dit op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak. Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt immers niet dat zij dit artikel ten grondslag heeft gelegd aan haar oordeel.

2.2.2. De verplichting voor de vreemdelingen om voor het in behandeling nemen van hun aanvragen leges te voldoen, volgt uit artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000 gelezen in samenhang met artikel 3.34h van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: het VV 2000). In artikel 24, tweede lid is tevens bepaald dat, als betaling achterwege blijft, de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.

Gelet op deze rechtstreeks uit de wet voortvloeiende op de vreemdelingen rustende verplichting om het in het VV 2000 bepaalde bedrag aan leges te voldoen, zijn de aanzeggingen niet gericht op enig rechtsgevolg en kunnen derhalve niet worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Aangezien bezwaren tegen de legesheffing naar voren kunnen of hadden kunnen worden gebracht in het kader van de bezwaarprocedure tegen het besluit de aanvraag niet in behandeling te nemen, zijn de aanzeggingen evenmin handelingen in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000.

De grief faalt.

2.3. Het voor de vreemdeling sub 4 ingestelde hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover daarbij is beslist op het voor haar ingestelde beroep, te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gezien het onder 2.1.2. overwogene, het voor de vreemdeling sub 4 ingediende inleidende beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

Het door de vreemdelingen sub 1 en 2, mede voor de vreemdeling sub 3, ingestelde hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.5. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het voor de behandeling van het voor de vreemdeling sub 4 ingestelde hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het voor de vreemdeling sub 4 ingestelde hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 27 juni 2008 in zaak nr. 07/43007, voor zover daarbij is beslist op het voor de vreemdeling sub 4 ingestelde beroep;

III. verklaart het voor de vreemdeling sub 4 bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan de vreemdelingen het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. P.B.M.J. van der Beek Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Zwemstra

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009

91-553.

Verzonden: 19 maart 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak