Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH7708

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
200804713/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2007 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c (oud), van de Wet milieubeheer met betrekking tot een verandering van bouwdeel H van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (hierna: het OLVG) aan het Oosterpark 9 te Amsterdam afgegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2009, 50 met annotatie van B. Arentz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804713/1.

Datum uitspraak: 25 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] , wonend te [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2007 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c (oud), van de Wet milieubeheer met betrekking tot een verandering van bouwdeel H van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (hierna: het OLVG) aan het Oosterpark 9 te Amsterdam afgegeven.

Bij besluit van 8 april 2008 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de arrondissementsrechtbank Amsterdam ingekomen op 6 mei 2008, beroep ingesteld. De rechtbank Amsterdam heeft het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de Afdeling. Het beroepschrift is bij de Afdeling ingekomen op 18 juni 2008.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2009, waar [appellant] , in persoon, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. P.H. Driessen en A.B. Werkman, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat gold vóór 1 januari 2008, geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.1.1. De verandering van de inrichting waarvoor het dagelijks bestuur een verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, aanhef en onder c (oud), van de Wet milieubeheer heeft afgegeven, betreft een toename van het gebruiksoppervlak met ongeveer 70 m², waardoor de poliklinieken Keel-, neus- en oorziekten en Mondziekten en kaak- en aangezichtschirurgie een extra spreekkamer krijgen en enkele bestaande kamers worden vergroot.

2.2. [appellant] stelt dat het dagelijks bestuur heeft miskend dat de verandering niet de begane grond betreft maar de eerste verdieping.

Hij stelt voorts dat het dagelijks bestuur de verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, aanhef en onder c (oud), van de Wet milieubeheer ten onrechte heeft afgegeven, omdat door de gemelde verandering grotere milieugevolgen optreden. Hij wijst erop dat als gevolg van de uitbreiding van het gebruiksoppervlak meer energie zal worden verbruikt.

Verder stelt [appellant] dat de verklaring niet had mogen worden afgegeven, nu de milieuvergunning aan revisie toe was.

Ter zitting heeft hij voort de stelling naar voren gebracht dat in de uitbreiding waarop de melding betrekking heeft lachgas zal worden gebruikt.

2.2.1. Eerst ter zitting heeft [appellant] aangevoerd dat in de uitbreiding waarop de melding betrekking heeft lachgas zal worden gebruikt. In dit stadium van de procedure is dit, mede nu niet is gebleken dat dit niet eerder had gekund, in strijd met de goede procesorde. De Afdeling laat deze grond daarom buiten beschouwing bij de beoordeling van het beroep.

2.2.2. Het dagelijks bestuur stelt dat de melding en de bijgevoegde tekening betrekking hebben op de begane grond van bouwdeel H van het OLVG en dat de melding geen betrekking heeft op een uitbreiding op een hoger gelegen etage.

Het dagelijks bestuur stelt zich voorts op het standpunt dat de verandering in het bouwdeel H op de begane grond niet zal leiden tot grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting op grond van de vergunning mag veroorzaken. In dat verband wijst het dagelijks bestuur erop dat in de milieuvergunning geen eisen zijn gesteld ten aanzien van een maximum energieverbruik. Het dagelijks bestuur stelt voorts dat, hoewel door de verbouwing het gebruiksoppervlak groter wordt, het energieverbruik niet zal toenemen. Daarbij wijst het dagelijks bestuur onder meer op de strengere bouwnormen voor isolatie.

Het dagelijks bestuur stelt tot slot dat er geen aanleiding was de milieuvergunning te actualiseren op grond van artikel 8.22 of artikel 8.23 van de Wet milieubeheer.

2.2.3. Uit de melding en de bijgevoegde tekeningen blijkt dat de melding uitsluitend betrekking heeft op de begane grond en niet ziet op veranderingen op hoger gelegen etages. Het beroep faalt in zoverre.

2.2.4. Aan de revisievergunning van 13 maart 1996 en de veranderingsvergunningen van 16 juni 1999 en 12 mei 1999 zijn geen voorschriften verbonden die een beperking stellen aan het verbruik van gas en elektra, noch is dit verbruik anderszins door die vergunningen beperkt. Dit betekent dat voor het energieverbruik dat de inrichting op grond van de vergunningen mag veroorzaken, de vergunde situatie bepalend is. Ter zitting heeft het dagelijks bestuur onweersproken gesteld dat door de uitbreiding het oppervlak van de verticale en horizontale buitenwanden kleiner zal worden. Voorts is ter zitting gebleken dat de bestaande buitengevel 15 jaar oud is en reeds daarom minder isolerende werking heeft dan in het kader van de bouwregelgeving wordt geëist bij een nieuw te bouwen buitengevel. Ook de aard van het gebruik van de uitbreiding van het gebruiksoppervlak, namelijk als ruimte voor twee spreekkamers, een werkkamer en twee secretariaten, geeft geen aanleiding te veronderstellen dat het energieverbruik zal toenemen. Gezien het vorenstaande heeft het dagelijks bestuur zich, ook al moge het zo zijn dat de gemelde verandering leidt tot een uitbreiding van het gebruiksoppervlak, op goede gronden op het standpunt gesteld dat deze verandering niet tot een groter energieverbruik zal leiden dan die de inrichting ingevolge de vergunning mag veroorzaken.

Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over energieverbruik kan derhalve niet tot het oordeel leiden dat de voorgenomen verandering niet voldoet aan de aanhef van artikel 8.19, tweede lid (oud), van de Wet milieubeheer en dat het dagelijks bestuur de verklaring als bedoeld onder c in dit artikellid daarom niet had mogen afgeven. Het beroep faalt in zoverre.

2.2.5. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd waarom het dagelijks bestuur zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorgenomen verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25 van de Wet milieubeheer. Voor zover [appellant] heeft beoogd te stellen dat in de nabije toekomst een revisievergunning voor de onderhavige inrichting zal worden aangevraagd en mogelijk verleend, overweegt de Afdeling dat zijn verwachting dienaangaande geen omstandigheid betreft die ingevolge artikel 8.19 (oud) van de Wet milieubeheer kan worden betrokken bij het besluit om de in het tweede lid, onder c, van dat artikel bedoelde verklaring al dan niet af te geven. Het beroep faalt derhalve ook in zoverre.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Lap

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009

288-209.