Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH7706

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
200804841/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (hierna: het college) het woonhuis (hierna: de villa) en de garage (hierna ook: de panden) van [appellant] op het perceel plaatselijk bekend [locatie] in [plaats] aangewezen als beschermd gemeentelijk monument.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 5
Burgerlijk Wetboek Boek 5 1
Grondwet
Grondwet 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 221 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
JOM 2010/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804841/1.

Datum uitspraak: 25 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 mei 2008 in zaak nr. 07/4903 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (hierna: het college) het woonhuis (hierna: de villa) en de garage (hierna ook: de panden) van [appellant] op het perceel plaatselijk bekend [locatie] in [plaats] aangewezen als beschermd gemeentelijk monument.

Bij besluit van 6 juni 2007 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 mei 2008, verzonden op 19 mei 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 augustus 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2009, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. T.J.P. Jager, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door drs. L.D.N. Driesen-van der Male, ambtenaar in dienst bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 1, van de Monumentenverordening Leidschendam-Voorburg 2004 (hierna: de monumentenverordening) verstaat de verordening onder monument:

a. zaak die van algemeen belang is wegens zijn cultuurhistorische waarde, betekenis voor de wetenschap of schoonheid;

b. terrein of gebied dat van algemeen belang is wegens een daar bovengronds aanwezige zaak en/of waarde als bedoeld onder a.

Ingevolge die aanhef en onder 2 verstaat de verordening onder beschermd gemeentelijk monument: monument dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd monument is aangewezen.

Ingevolge die aanhef en onder 8 verstaat de verordening onder redengevende omschrijving: de omschrijving die ten grondslag ligt aan het aanwijzingsbesluit en die bestaat uit algemene gegevens, een omschrijving van de bestaande toestand en een waardestelling.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan het college, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, na toetsing aan de selectiecriteria besluiten een monument aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument. De selectiecriteria zijn: de cultuurhistorische waarde, de architectuurhistorische waarde, de ensemble waarde, de gaafheid en herkenbaarheid en de zeldzaamheid. Een besluit tot aanwijzing als gemeentelijk monument dient gebaseerd te zijn op een redengevende omschrijving.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, vraagt het college voordat het over de aanwijzing een besluit neemt advies aan de monumentencommissie.

Ingevolge het derde lid wordt iedere eigenaar/zakelijk gerechtigde door het college gehoord voordat het monument wordt aangewezen.

2.2. [appellant] betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank heeft miskend dat de aanwijzingsprocedure niet zorgvuldig is geweest. Hij voert aan dat de monumentencommissie niet onafhankelijk is, omdat deze een dominante rol heeft gespeeld voorafgaande aan de aanwijzing en niet het college maar de monumentencommissie op 2 april 2007 op basis van foto's inhoudelijk op zijn zienswijze is ingegaan. Hij voert verder aan dat het college ten onrechte geen overleg met hem heeft gevoerd over de aanwijzing voorafgaande aan een brief van 7 juni 2006, waarin het college hem van de voorgenomen aanwijzing op de hoogte heeft gesteld, en hem ten onrechte niet heeft gehoord over zijn zienswijze. [appellant] voert in dit verband ook aan dat het college noch de monumentencommissie de panden hebben bezichtigd. Voorts voert hij aan, samengevat weergegeven, dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn villa en garage als beschermd gemeentelijk monument zijn aangewezen, terwijl andere, volgens hem gelijkwaardige, panden niet als zodanig zijn aangewezen.

2.2.1. Het college heeft op 15 februari 2005 bureau TasT opdracht gegeven een conceptlijst van te beschermen monumenten in Leidschendam op te stellen die op 21 maart 2006 gereed was. De gemeentelijke monumentencommissie heeft op 9 mei 2006 met de conceptlijst ingestemd en het college geadviseerd die selectie vast te stellen. Bij brief van 7 juni 2006 heeft het college zijn voornemen de villa en de garage aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument aan [appellant] meegedeeld, onder bijvoeging van een redengevende omschrijving. In die brief is gewezen op de mogelijkheid over de aanwijzing een zienswijze kenbaar te maken en over een tijdig ingediende zienswijze mondeling gehoord te worden. Bij brief van 17 oktober 2006 heeft het college [appellant] verzocht mede te delen of zijn schriftelijke zienswijze van 16 juni 2006 mondeling zou willen toelichten, onder de vermelding dat indien het college op 1 december 2006 op dit verzoek geen reactie heeft ontvangen het college ervan uitgaat dat aan een mondelinge toelichting geen behoefte bestaat. [appellant] heeft zijn zienswijze bij brief van 23 november 2006 nader toegelicht. De monumentencommissie heeft het college in een nader advies van 2 april 2007, naar aanleiding van de zienswijze van [appellant], opnieuw geadviseerd de villa en de garage aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument, omdat deze daarvoor voldoende architectonische kwaliteit bezitten, de beeldbepalende ligging van de panden aan de Vliet de waarde ervan verhoogd en de panden een wezenlijk ankerpunt vormen in de gevelwand aan de Vliet binnen een beschermd dorpsgezicht. [appellant] heeft voorts bij brieven van 9 maart 2007 en 3 april 2007 ken gemaakt bezwaar te hebben tegen de voorgenomen aanwijzing en de daarbij gevolgde procedure. Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college de villa en de garage als beschermd gemeentelijk monument aangewezen.

2.2.2. De rechtbank heeft, het voorgaande in aanmerking nemend, de stelling van [appellant] dat het college geen overleg met hem heeft gevoerd, terecht niet gevolgd. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid overwogen, samengevat weergegeven, dat [appellant] ruimschoots in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, wat hij ook heeft gedaan, en dat hij van de geboden gelegenheid zijn zienswijze mondeling toe te lichten geen gebruik heeft gemaakt.

2.2.3. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, is de monumentencommissie bij de monumentenverordening ingesteld en is de advisering door de monumentencommissie op die verordening gebaseerd. De rechtbank heeft verder met juistheid overwogen dat, nu niet is gebleken dat de monumentencommissie onder verantwoordelijkheid van het college werkt, zij een adviseur is als bedoeld in artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat het college in beginsel gebruik mocht maken van haar adviezen van 9 mei 2006 en 2 april 2007. Uit de, hiervoor weergegeven, gevolgde procedure tot aanwijzing van de panden volgt niet dat de monumentencommissie niet onafhankelijk is. [appellant] heeft dit ook anderszins niet aannemelijk gemaakt.

2.2.4. Ten aanzien van de stelling van [appellant] dat het college noch de monumentencommissie de panden hebben bezichtigd, heeft het college in het verweerschrift, onweersproken, gesteld dat zowel de betrokken gemeentelijke medewerkers als de monumentencommissie de panden vanaf de openbare weg in ogenschouw hebben genomen. Volgens het college was een aanvullend persoonlijk bezoek, gezien het onderzoek van bureau TasT en de door dat bureau gegeven presentatie, niet noodzakelijk. De Afdeling ziet in deze werkwijze op zichzelf geen aanleiding de voorbereiding van het besluit van 10 april 2007 onzorgvuldig te achten.

2.2.5. Het betoog van [appellant] dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn panden, anders dan volgens hem vergelijkbare panden, als beschermd gemeentelijk monument zijn aangewezen, slaagt evenmin. Ter beoordeling staat of de villa en garage van [appellant] in redelijkheid konden worden aangewezen als beschermd gemeentelijk monument. Dat er wellicht andere monumentale panden zijn die niet als beschermd gemeentelijk monument zijn aangewezen, leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat de villa en garage van [appellant] niet in redelijkheid als beschermd gemeentelijk monument konden worden aangewezen.

2.3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college een onjuiste afweging heeft gemaakt tussen het met de aanwijzing te dienen algemeen belang en zijn financiële belang. Hij stelt dat zijn perceel ten gevolge van de aanwijzing aanzienlijk in waarde is gedaald. Volgens [appellant] wegen de monumentale belangen die het college met de aanwijzing van de panden beoogt te beschermen niet op tegen dit door hem te lijden financiële nadeel. In dit verband voert hij aan dat de jaarlijkse extra onderhoudskosten voor de panden ten gevolge van de aanwijzing een veelvoud bedragen van de ingevolge de gemeentelijke subsidieverordening maximaal te verstrekken subsidie ten bedrage van € 3.000,00 voor kosten van onderhoud en restauratie van een beschermd gemeentelijk monument.

2.3.1. In hoger beroep heeft [appellant] een door makelaar A.F. Enderink opgesteld taxatierapport overgelegd. Daarin is gesteld dat de aanwijzing de mogelijkheden tot bouw van extra woningen op het perceel, die met gebruik van een wijzigingsbevoegdheid in het geldende bestemmingsplan in beginsel is toegestaan, beperkt en dat [appellant] daardoor een schade zal lijden van ten minste € 450.000,00.

Ter zitting is van de zijde van de gemeente aan de hand van een getoonde kaart, onweersproken, toegelicht dat de aanwijzing geen betrekking heeft op het gedeelte van het perceel waar de extra woningen krachtens voormelde wijzigingsbevoegdheid zouden kunnen worden toegestaan.

Verder heeft de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: de gemeenteraad) inmiddels een nieuwe subsidieverordening vastgesteld, die op 1 mei 2008 in werking is getreden, op grond waarvan voor reguliere kleine restauraties een subsidie van maximaal € 7.500,00 en voor grote restauraties een subsidie van maximaal € 15.000,00 kan worden verstrekt. De gemeenteraad heeft volgens het verweerschrift tevens het actieprogramma monumenten en archeologie vastgesteld, waarbij, naast het regulier beschikbare subsidiebudget voor monumentenrestauraties ten bedrage van € 39.000,00, voor de komende vier jaar extra subsidie ten bedrage van € 150.000,00 per jaar beschikbaar is gesteld ter stimulering van de restauratie van gemeentelijke monumenten en van gebouwen in beschermde stadsgezichten.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat [appellant] de gestelde extra jaarlijkse onderhoudskosten ten gevolge van de aanwijzing niet nader heeft onderbouwd. [appellant] heeft dit ook in hoger beroep niet gedaan.

De rechtbank heeft, het voorgaande in aanmerking nemend, met juistheid overwogen dat in het door [appellant] gestelde financiële belang geen reden is gelegen de door het college gemaakte belangenafweging onredelijk te achten.

2.4. [appellant] voert voorts aan, onder verwijzing naar artikel 14 van de Grondwet, artikel 1, eerste lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), dat de aanwijzing een onevenredige aantasting van zijn eigendomsrecht betekent en valt gelijk te stellen met een onteigening, omdat hij niet langer vrijelijk over zijn panden kan beschikken. Volgens hem heeft het college ook dit individuele belang ten onrechte ondergeschikt geacht aan het met de aanwijzing te dienen algemeen belang en had het college ook daarom in redelijkheid de panden niet mogen aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.

2.4.1. De Afdeling is met de Voorzitter van de toenmalige Afdeling rechtspraak in de uitspraak van 15 december 1992 in zaak nr. SO3922804 van oordeel dat plaatsing op een gemeentelijke monumentenlijst geen onteigening is als bedoeld in artikel 14 van de Grondwet. Onteigening als bedoeld in artikel 14 van de Grondwet leidt ertoe dat het gehele eigendomsrecht van de betrokkene komt te vervallen. Daarvan is bij plaatsing op een monumentenlijst geen sprake: het eigendomsrecht blijft berusten bij de eigenaar; slechts de uitoefening ervan wordt aan nadere voorwaarden gebonden. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek dient de eigenaar de op wettelijke voorschriften en regels gegronde beperkingen ten aanzien van de uitoefening van zijn eigendomsrecht in acht dient te nemen. De monumentenverordening legt dergelijke beperkingen op. Van strijd met het bepaalde in artikel 1, eerste lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is dan ook geen sprake.

Evenmin is sprake van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, reeds omdat die bepaling de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang, onverlet laat. De monumentenverordening en de daarop gebaseerde aanwijzing zijn zodanige reguleringen en bij de vaststelling daarvan komt de betrokken autoriteiten een ruime mate van beleidsvrijheid toe. In dit verband is voorts van belang dat niet is gebleken dat de aanwijzing voor [appellant] gevolgen heeft die onevenredig zijn ten opzichte van het met de aanwijzing te dienen doel, zoals hiervoor is geoordeeld.

2.5. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het college de garage en de villa ten onrechte heeft aangewezen als beschermd gemeentelijk monument, omdat deze niet monumentwaardig zijn. [appellant] voert daartoe aan dat de rechtbank onvoldoende belang heeft gehecht aan de door hem overgelegde adviezen van Architectenburo Van Vliet B.V. (hierna: Van Vliet) van 6 augustus 2007 onderscheidenlijk Projectontwikkelaars & Bouwers Van Omme & De Groot (hierna: Van Omme & De Groot) van 4 maart 2008. In hoger beroep heeft [appellant] verder een reactie van Van Vliet van 25 maart 2008 op het verweerschrift van het college bij de rechtbank en een advies van C. Bauwman van morePlatz (hierna: Bauwman) van 18 augustus 2008 overgelegd.

2.5.1. Volgens de redengevende omschrijving waarop het bij besluit van 6 juni 2007 gehandhaafde aanwijzingsbesluit van 10 april 2007 is gebaseerd, zijn de villa en de garage uit stedenbouwkundig, architectuurhistorisch en cultuurhistorisch oogpunt waardevol, onder meer vanwege hun beeldbepalende, parallelle ligging aan de noordwestzijde van de Vliet en de kenmerkende gevels van de panden. Volgens de waardestelling in de redengevende omschrijving is de uit ongeveer 1935 daterende villa van lokaal belang, vanwege de beeldbepalende ligging aan de Vliet, als onderdeel van en herinnering aan de ontwikkelings- en bewoningsgeschiedenis van Veur en Leidschendam, vanwege de relatieve zeldzaamheid van dit type villa's in het oude Veur, in het bijzonder door zijn grootte, vanwege de gaaf bewaarde hoofdvorm, zorgvuldig uitgevoerde detaillering en materiaalgebruik, alsook als voorbeeld van een woonhuis uit het Interbellum met een vrije toepassing van eigentijdse materialen en stijlen, in het bijzonder de Nieuwe Haagse School.

2.5.2. Van Omme & De Groot stelt in zijn advies, samengevat weergegeven, dat de bouwkundige kwaliteit van de panden zodanig slecht en gedateerd is dat sloop en nieuwbouw ter plaatse is aangewezen, onder meer omdat de villa niet aan hedendaagse isolatienormen voldoet.

Volgens het advies van Bauwman, samengevat weergegeven, is de villa, vanwege zijn ligging aan de Vliet en de duidelijke hoofdvorm, zonder twijfel een opmerkelijk gebouw, waarvan het karakter wordt ondersteund door de uitzonderlijke grootte van de omgevende kavel. Deze stijlelementen worden volgens haar echter tegenwoordig slechts door een beperkte groep als waardevol gewaardeerd. Volgens Bauwman bezit de villa onvoldoende cultuurhistorische of architectonische waarde om als monument te worden aangewezen.

Hieruit volgt dat het advies van Van Omme & De Groot geen betrekking heeft op de monumentale waarden van de aangewezen panden en dat Bauwman in haar advies blijk geeft van een andere opvatting over de beschermingswaardigheid van de karakteristieken van de villa, die zij op zichzelf onderkent. In deze adviezen kan daarom geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat het college de panden ten onrechte heeft aangewezen als beschermd gemeentelijk monument.

2.5.3. Volgens het advies van Van Vliet van 6 augustus 2007, samengevat weergegeven, is onduidelijk wat specifiek karakteristiek is aan de situering van de villa en de garage en aan hun situering ten opzichte van elkaar. Hij stelt dat dit type villa nog geen erg lange traditie kent en dat nog veel van dergelijke villa's in gebruik zijn, die doorgaans niet als monument zijn aangewezen. Wat betreft de waardestelling stelt hij dat de villa weliswaar mooi aan de Vliet is gelegen en dat het bijzonder is dat in Veur slechts één zo'n villa is gebouwd, maar dat dit de villa nog niet monumentwaardig maakt, ook al niet omdat Veur een niet erg rijke, agrarische gemeente was en de luxe villa daarom niet kenmerkend was voor de ontwikkeling van Veur.

Volgens een ter zitting getoonde en toegelichte plattegrond en foto van het perceel ligt de garage op ruime afstand van de villa. [appellant] heeft ter zitting gesteld dat de garage, anders dan de villa, niet uit 1935 stamt, maar in 1973 is gebouwd en dat hij de bouwvergunning voor de bouw daarvan over kan leggen. Van de zijde van het college is ter zitting gesteld dat volgens het gemeentelijke dossier de garage ongeveer in 1935 is gebouwd en dat daaruit niet blijkt dat de garage nadien ingrijpend is verbouwd. Verder is ter zitting van de zijde van de gemeente bevestigd dat in de redengevende omschrijving de karakteristieken van de garage zijn beschreven onder het kopje 'bijgebouw'. Daaraan is toegevoegd dat, hoewel de garage niet in de waardestelling is vermeld, de waardestelling daarop wel mede betrekking heeft. Desgevraagd verklaarde de vertegenwoordiger van het college ter zitting geen stukken betreffende de garage bij zich te hebben.

Naar het oordeel van de Afdeling blijken de monumentale waarde van de garage en de karakteristieke ligging van de garage en de villa ten opzichte van elkaar onvoldoende uit de redengevende omschrijving. In reactie op het advies van Van Vliet van 6 augustus 2007 is het college in een nader verweerschrift bij de rechtbank van 24 september 2007 wel ingegaan op de garage. Daarbij wordt onder meer gesteld dat combinatie van beide gebouwen interessant is, omdat het een vroeg voorbeeld van een garage betreft. Tevens wordt aangegeven dat de villa is van een soort waarin eind negentiende, begin twintigste eeuw, losse villa's werden gekoppeld aan een garage. De Afdeling constateert dat niet duidelijk is geworden in welk jaar de garage is gebouwd en waarom de garage en de villa die op relatief grote afstand van elkaar liggen en dus niet gekoppeld zijn, gezamenlijk beschermingswaardig zijn. Dit betekent dat het college het aanwijzingsbesluit van 10 april 2007, dat bij het besluit op bezwaar van 6 juni 2007 is gehandhaafd, onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van [appellant] gegrond verklaren en het besluit van het college van 6 juni 2007 wegens schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. De Afdeling acht het geraden de in bezwaar gehandhaafde aanwijzing geheel te vernietigen, aangezien het aan het college is om, zo hij hiertoe termen aanwezig acht, gemotiveerd te besluiten tot aanwijzing van enkel de villa. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 mei 2008 in zaak nr. 07/4903;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg van 6 juni 2007, kenmerk BJZ/2007/09375;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Leidschendam-Voorburg aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Leidschendam-Voorburg aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009

164-507.