Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH7705

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
200801362/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Laren (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de afwijkingen van een op 25 mei 2005 verleende bouwvergunning voor het gedeeltelijk vernieuwen van een recreatiewoning op het perceel [locatie] te [plaats], ongedaan te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801362/1.

Datum uitspraak: 25 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2008 in zaak nrs. 08/29 en 08/30 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Laren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Laren (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de afwijkingen van een op 25 mei 2005 verleende bouwvergunning voor het gedeeltelijk vernieuwen van een recreatiewoning op het perceel [locatie] te [plaats], ongedaan te maken.

Bij besluit van 4 september 2007 heeft het college, onder verlenging van de begunstigingstermijn, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 februari 2008, verzonden op 11 februari 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 maart 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Kamphuis, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.R.M. van Lent en J.W.G.A. Jägers, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vast staat en niet in geschil is dat [appellant] de recreatiewoning heeft verbouwd in afwijking van de op 25 mei 2005 verleende bouwvergunning. Het betreft de volgende afwijkingen:

1. De zijvleugel (de slaapkamer en de berging) is aan de achterzijde 1,10 meter langer uitgevoerd dan op de bouwtekening van de vergunning is aangegeven. Hierdoor is de achtergevel tot op de erfgrens gebouwd, aansluitend op de schuur op het naburig perceel.

2. De voorgevel van de zijvleugel is ongeveer 20 centimeter verder naar voren geplaatst dan op de bouwtekening is aangegeven.

2.2. Het voorgaande brengt mee dat is gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan het college had moeten afzien van handhaving.

[appellant] voert daartoe allereerst aan dat de afwijking in de lengte kan worden gelegaliseerd met toepassing van het overgangsrecht als neergelegd in artikel 19 van de ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zwarte Berg", aangezien op de peildatum een achtergevel aanwezig was met gelijke afmetingen, die ook aansloot de schuur van de buren. De maat van deze achtergevel is op de bouwtekening bij de bouwvergunning van 25 mei 2005 abusievelijk niet juist weergegeven. Verder is [appellant] van mening dat het een overtreding betreft van zeer geringe aard en ernst, waarvan handhaving onevenredig is.

Ten aanzien van de afwijking van de voorgevel van de zijvleugel stelt [appellant] dat deze noodzakelijk was vanwege een bij de aanvraag niet voorziene bouwtechnische complicatie. Hij voert aan dat het slechts gaat om een overschrijding van 20 cm over een lengte van 4.9 meter en derhalve sprake is van een overtreding van zeer geringe aard en ernst, waarvan handhaving, gelet ook op de kosten van het ongedaan maken van de afwijkingen, onevenredig is.

Verder voert [appellant] aan het bestemmingsplan "Zwarte Berg" wordt herzien waarbij het vakantiehuisje mogelijk positief zal worden bestemd.

Ten slotte stelt [appellant] - kort samengevat - dat het college al geruime tijd op de hoogte was van de overtredingen, zodat het niet meer in redelijkheid kon overgaan tot handhaving.

2.3.1. Het bestemmingsplan "Zwarte Berg" staat geen recreatiewoning toe op het desbetreffende perceel.

Ingevolge artikel 19, aanhef en onder b, van de planvoorschriften mogen bestaande bouwwerken die hetzij door hun bestaan als zodanig hetzij door hun afmetingen niet voldoen aan de bestemmingen van het plan of aan één of meer bepalingen dezer voorschriften, gedeeltelijk worden vernieuwd of gedeeltelijk worden veranderd met dien verstande dat reeds bestaande afwijkingen van de bepalingen van het plan, ook naar hun aard niet mogen worden vergroot.

2.3.2. Gelet op de stukken en verhandelde ter zitting is niet aannemelijk geworden dat ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan (1978) een achtergevel aanwezig was met dezelfde afmetingen als die thans is gebouwd. De ten behoeve van de recreatiewoning verleende bouwvergunningen geven geen steun voor het standpunt van [appellant] dat de recreatiewoning op dit punt niet afwijkt van de oude situatie. Evenmin blijkt dit uit de overgelegde foto's.

Verder vormt het betoog van [appellant] dat de recreatiewoning in een herziening van het bestemmingsplan mogelijk positief zal worden bestemd, onvoldoende basis voor het aannemen van concreet zicht op legalisatie. Ten tijde van het besluit van 4 september 2007 was, naar niet is weersproken, geen planherziening van die strekking in voorbereiding. Voorts is niet betwist dat de op 6 april 2001 vastgestelde "Beleidsnota Toepassing Artikel 19 WRO" in de weg staat aan het verlenen van vrijstelling voor de vernieuwde recreatiewoning.

Gelet op het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat ten tijde van het besluit van 4 september 2007 geen sprake was van concreet zicht op legalisatie.

2.3.3. Voorts heeft het college kunnen oordelen dat de afwijkingen niet dermate gering zijn, dat handhavend optreden daartegen, gelet op de hoge kosten die zijn gemoeid met het in overeenstemming brengen met de bouwvergunning, onevenredig zou zijn. Gelet op de samenhang tussen de geconstateerde afwijkingen van de bouwvergunning, heeft het college daarbij kunnen uitgaan van de totale vergroting van de recreatiewoning, zoals die is ontstaan door het naar voren plaatsen van de voorgevel en het verlengen van achtergevel.

De voorzieningenrechter is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.3.4. Weliswaar was het college al sinds augustus 2005 op de hoogte van de afwijkingen en heeft deze geruime tijd ongemoeid gelaten, doch daaraan heeft [appellant] niet het in rechte te honoreren vertrouwen kunnen ontlenen dat handhavend optreden zou uitblijven. Evenmin brengt het tijdsverloop mee dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot handhaving. Uit de stukken blijkt dat [appellant] reeds bij aanvang van de werkzaamheden bewust en zonder instemming van het college heeft gebouwd in afwijking van de verleende bouwvergunning en, na deze afwijkingen bij het college te hebben gemeld, de bouw zonder zodanige instemming heeft voltooid. De gevolgen van die handelwijze dienen voor zijn rekening en risico te blijven. De voorzieningenrechter is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009

190-412