Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH7701

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
200802719/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2007 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [wederpartij], een boete opgelegd van € 35.000,00 wegens overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en 15, eerste en tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 165 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802719/1.

Datum uitspraak: 25 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/4277 van de rechtbank Haarlem van 6 maart 2008 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2007 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [wederpartij], een boete opgelegd van € 35.000,00 wegens overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en 15, eerste en tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 30 mei 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 maart 2008, verzonden op 7 maart 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover daarin een boete is opgelegd op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wav. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Hokke, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. S.B.J. Hiemstra, advocaat te Haarlem en vergezeld door [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel b en onder 1˚, van de Wav, wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, draagt de werkgever die door een vreemdeling arbeid laat verrichten bij een andere werkgever er bij de aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de werkgever bij wie de arbeid feitelijk wordt verricht een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1˚ tot en met 3˚, van de Wet op de identificatieplicht (hierna: de Wid), van de vreemdeling ontvangt.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, stelt de werkgever die het afschrift van het document, bedoeld in het eerste lid, ontvangt, de identiteit van de vreemdeling vast aan de hand van het genoemde document en neemt hij het afschrift op in de administratie.

Ingevolge artikel 18 wordt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15 als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge het tweede lid gelden de ter zake van deze wet gestelde beboetbare feiten ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 2 wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd.

Volgens artikel 4 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 en voor overtreding van artikel 15, eerste onderscheidenlijk tweede lid, op € 1.500,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

2.2. Blijkens het door inspecteurs van de Arbeidsinspectie op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 12 oktober 2006 (hierna: het boeterapport) waren vijf vreemdelingen van Bulgaarse nationaliteit (hierna: de vreemdelingen) in de woning aan de [locatie] te [plaats] bezig met het uitvoeren van stucadoors-, schilder- en timmerwerkzaamheden en het verwijderen en vervangen van planken, zonder dat daarvoor tewerkstellingsvergunningen waren verleend.

Voorts blijkt uit het boeterapport en de daarbij gevoegde bijlagen dat [wederpartij] met de vennootschap onder firma Fixet Haarlem V.O.F., gevestigd te Haarlem (hierna: Fixet) en de eigenaar van de woning [eigenaar woning] een overeenkomst tot aanneming van werk heeft gesloten, waarbij [eigenaar woning] opdrachtgever is, Fixet opdrachtnemer en [wederpartij] de aannemer die de renovatiewerkzaamheden aan de woning zal uitvoeren. [wederpartij] heeft op zijn beurt een gedeelte van de te verrichten werkzaamheden uitbesteed aan AQZ Onderhoud, gevestigd te Amsterdam.

2.3. De rechtbank heeft vastgesteld dat de artikelen 2, eerste lid, en 15, eerste en tweede lid, van de Wav door [wederpartij] zijn overtreden. Daartegen wordt in hoger beroep niet opgekomen.

2.4. De minister betoogt dat de rechtbank [wederpartij] ten onrechte in zijn standpunt is gevolgd dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel, omdat het gezien de onlosmakelijke samenhang tussen het eerste en het tweede lid van artikel 15 van de Wav, onjuist is dat voor beide overtredingen een boete is opgelegd. De wetgever heeft bepaald dat het om twee onderscheidenlijk beboetbare feiten gaat, zodat enige samenhang tussen overtreding van beide bepalingen niet kan leiden tot het oordeel dat overtreding van slechts één van de bepalingen kan worden beboet, aldus de minister.

2.4.1. De Afdeling heeft eerder overwogen (onder meer uitspraak van 3 oktober 2007 in zaak nr. 200701639/1, dat het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever, in de zin van de Wav, is om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of aan de voorschriften van die wet wordt voldaan.

[wederpartij] heeft nagelaten de identiteit van de vreemdelingen vast te stellen aan de hand van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1˚ tot en met 3˚, van de Wid, en voorts om een afschrift van het document op te nemen in de administratie. Voorts heeft [wederpartij] als werkgever, in de zin van Wav, die de vreemdelingen bij Fixet arbeid heeft laten verrichten, nagelaten om bij de aanvang van de arbeid door de vreemdelingen er onverwijld zorg voor te dragen dat Fixet een afschrift van het genoemde document heeft ontvangen.

Er bestaat, in aanmerking genomen de op [wederpartij] in het kader van de naleving van de Wav rustende verantwoordelijkheden, geen grond voor het oordeel dat niet voor beide overtredingen een boete kon worden opgelegd, aangezien de overtredingen hun grondslag vinden in te onderscheiden gedragingen.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling ten aanzien van het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 30 mei 2007, voor zover daarop na het vorenstaande nog moet worden beslist, als volgt.

2.6. Het betoog van [wederpartij] in beroep dat hij ten onrechte voor overtreding van zowel artikel 15, eerste lid, als artikel 15, tweede lid, van de Wav is beboet, omdat overtreding van voormelde artikelen op hetzelfde ondeelbare moment heeft plaatsgevonden aangezien hij wegens vakantie afwezig was zodat sprake is van eendaadse samenloop, faalt, reeds omdat de in artikel 15, eerste lid, en artikel 15, tweede lid, van de Wav opgenomen verplichtingen te onderscheiden gedragingen vormen die, zoals hiervoor in 2.4.1. is overwogen, door de minister afzonderlijk kunnen worden beboet. Dat beide gedragingen, naar [wederpartij] stelt, hun oorzaak vinden in eenzelfde feit, namelijk diens afwezigheid, maakt dit niet anders, nu die afwezigheid op zichzelf niet de overtreding is.

2.7. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.8. Het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 30 mei 2007 dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 6 maart 2008 in zaak nr. 07/4277;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Beerse

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009

154/382-490.