Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH7698

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
200802559/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2008, no. 1314831, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Maasdonk (hierna: de raad) bij besluit van 26 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Verlengde De Run".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802559/1.

Datum uitspraak: 25 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2008, no. 1314831, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Maasdonk (hierna: de raad) bij besluit van 26 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Verlengde De Run".

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2008, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E. Beele, advocaat te 's-Hertogenbosch, is verschenen.

Voorts is de raad, vertegenwoordigd door W.C.M. van Veghel, ambtenaar in dienst van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Het beroep van [appellant] voor zover gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Verkeersgebied (V)", voor de gronden aan de voorzijde van het perceel [locatie] en de gronden naast dit perceel, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.3. Met het plan wordt beoogd een nieuw woongebied mogelijk te maken, aansluitend aan de kern Geffen.

Het beroep van [appellant] voor het overige

2.4. [appellant] stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Wonen (W)", de subbestemming "W1 - vrijstaande woningen" en de aanduiding "7-14 te bouwen woningen", voor zover dit plandeel is gelegen op het perceel van [appellant] aan de [locatie].

[appellant] stelt dat het college niet heeft gemotiveerd waarom het geen rekening houdt met de toezegging van het college van burgemeester en wethouders. Deze toezegging hield volgens [appellant] in dat indien [appellant] de gronden achter zijn perceel niet zou aankopen zijn perceel niet zou worden betrokken in de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk.

Voorts stelt [appellant] dat het bestemmen van een gedeelte van zijn tuin ten behoeve van de nieuwe woonwijk in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. In dit kader voert hij aan dat ten onrechte niet is bezien of het plan ook kan worden verwezenlijkt zonder de gronden van [appellant] daarin te betrekken. Dat een eventuele waardevermindering van zijn woning wellicht wordt gecompenseerd neemt de strijd met het evenredigheidsbeginsel niet weg, aldus [appellant].

Nu onduidelijk is of op het perceel van [appellant] woningen zullen worden gebouwd en zo ja of daartoe zal worden onteigend, had het volgens [appellant] in de rede gelegen om voor het perceel [locatie] een wijzigingsbevoegdheid op te nemen.

Voorts stelt [appellant] dat nu onduidelijkheid bestaat omtrent een eventuele onteigening, onzeker is of het plan binnen de planperiode kan worden gerealiseerd. [appellant] wijst erop dat geen noodzaak tot onteigening bestaat, aangezien hij bereid is de woningen zelf te realiseren.

Tevens twijfelt [appellant] aan de economische uitvoerbaarheid van het plan. Hij is van mening dat in de plantoelichting de economische uitvoerbaarheid onvoldoende is aangetoond.

Het bestreden besluit

2.5. Het college heeft bij het bestreden besluit goedkeuring aan het plan verleend.

Het college is van mening dat [appellant] de door hem gestelde toezeggingen onvoldoende met bewijs heeft onderbouwd. Het college acht de woningbouw achter het perceel van [appellant] logisch vanuit planologisch en exploitatietechnisch oogpunt. In het geval dat de bebouwingsmogelijkheden die het plan biedt maximaal worden benut, is het perceel van [appellant] benodigd.

Verder betoogt het college dat het plan binnen de planperiode kan worden uitgevoerd. Indien noodzakelijk zal de raad tot onteigening overgaan.

Voorts acht het college het plan ook economisch en financieel uitvoerbaar.

De financiële uitvoerbaarheid

2.6. Hetgeen door [appellant] is aangevoerd heeft betrekking op de vraag of datgene waarin het plan voorziet, ook daadwerkelijk kan worden verwezenlijkt. Derhalve verstaat de Afdeling het beroep van [appellant] voor zover gericht tegen de economische uitvoerbaarheid van het plan als gericht tegen de financiële uitvoerbaarheid van het plan.

2.7. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp daarvoor vergezeld van een toelichting waarin zijn neergelegd de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van het in artikel 9 bedoelde onderzoek voor zover dit onderzoek het in het plan begrepen gebied betreft.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 verrichten burgemeester en wethouders ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied der gemeente onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente.

Ingevolge het tweede lid, heeft bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan het in het eerste lid bedoelde onderzoek van stonde af aan mede betrekking op de uitvoerbaarheid van het plan.

2.8. De toelichting op het plan en het ontwerp daarvoor vermelden dat het gemeentebestuur gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan de exploitatie-opzet zal vaststellen.

Bij de exploitatie zal rekening worden gehouden met een mogelijk gefaseerde uitvoering van het plan, welke rekening houdt met de woningbouwplannen in het centrum van Geffen.

Gezien het vorenstaande gaat het plan, noch het ontwerp daartoe vergezeld van een toelichting waarin de uitkomsten van het onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid zijn neergelegd.

De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" en de subbestemming "W1 - vrijstaande woningen" met de aanduiding "7-14 te bouwen woningen", voor zover dit plandeel is gelegen op het perceel van [appellant] aan de [locatie] is vastgesteld in strijd met artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 in samenhang met artikel 9, eerste en tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Woningbouwmogelijkheden

2.9. Zoals reeds vermeld onder 2.4 heeft het perceel [locatie] gedeeltelijk de bestemming "Wonen (W)" met de subbestemming "W1-vrijstaande woningen" en de aanduiding "7-14 te bouwen woningen".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, zijn de als zodanig op de plankaart aangewezen gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor vrijstaande woningen.

Tevens mag het aantal woningen op de gronden met de genoemde aanduiding niet meer bedragen dan 14 en niet minder bedragen dan 7.

2.10. Over het betoog van [appellant] dat door het niet nakomen van door het college van burgemeester en wethouders gedane toezeggingen het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat zijn perceel niet zou worden betrokken in de nieuwbouw. De raad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld.

2.11. Gezien de toegekende bestemming, subbestemming en aanduiding maakt het plan woningbouw mogelijk op het achterste gedeelte van het perceel van [appellant].

Blijkens het bestreden besluit heeft het college bij het goedkeuren van genoemd plandeel voor zover dat betrekking heeft op de [locatie], overwogen dat het plan voorziet in de bouw van tussen de 7 en 14 woningen en dat bij een maximale benutting het perceel van [appellant] noodzakelijk is om dit aantal te verwezenlijken.

De Afdeling verstaat dit aldus dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet duidelijk was hoeveel woningen op de oostelijke bebouwingsstrook parallel aan de Papendijk zullen worden gebouwd en of de gronden van [appellant] derhalve daadwerkelijk benodigd zullen zijn voor de voorziene woningbouw. Hieruit volgt dat het zowel ten tijde van de vaststelling van het plan als van de goedkeuring daarvan niet vaststond dat het plan voor zover dat betrekking heeft op het perceel [locatie] binnen de planperiode zal worden gerealiseerd.

2.12. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel "Wonen (W)" met de subbestemming "W1-vrijstaande woningen", en de aanduiding "7-14 te bouwen woningen" voor het perceel [locatie] is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.13. Gezien de overwegingen 2.8 en 2.12 is het beroep gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op het plandeel "Wonen (W)" met de subbestemming "W1-vrijstaande woningen", en de aanduiding "7-14 te bouwen woningen" voor het perceel [locatie] dient te worden vernietigd.Gezien de samenhang met het overige gedeelte van de oostelijke bebouwingsstrook ziet de Afdeling aanleiding om de goedkeuring van het plandeel "Wonen (W)" met de subbestemming "W1-vrijstaande woningen", en de aanduiding "7-14 te bouwen woningen" voor de gehele oostelijke bebouwingsstrook, parallel aan de Papendijk, te vernietigen.

Artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht

Financiële uitvoerbaarheid

2.14. Uit de stukken blijkt dat, alhoewel de resultaten daarvan niet zijn opgenomen in de plantoelichting, wel onderzoek is verricht naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Grondexploitatie, "Verlengde De Run"", van 22 juni 2007.

De Afdeling ziet hierin aanleiding om na te gaan of met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelfvoorziend goedkeuring kan worden verleend aan het besluit voor zover dat is vernietigd in overweging 2.13.

2.15. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft [appellant] inmiddels inzage gekregen in het rapport van 22 juni 2007.

Volgens het rapport zullen bij realisering van het plan de opbrengsten de kosten overtreffen.

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het genoemde rapport gebreken dan wel leemten in kennis vertoont. Gelet hierop is de Afdeling dan ook van oordeel dat het plan financieel uitvoerbaar is.

Woningbouw

2.16. Ter zitting is namens de raad verklaard dat het perceel van [appellant] zeker zal worden benut voor nieuwbouw. De raad acht het vanuit planologisch oogpunt van belang dat er een logische afronding van het plangebied ontstaat. Derhalve acht hij bebouwing van de gehele oostelijke bebouwingsstrook wenselijk. Ook vanwege exploitatietechnische redenen acht hij van belang dat het plan woningbouw op het perceel van [appellant] mogelijk maakt. Het gemeentebestuur hanteert als uitgangspunt dat de grond behoudens een eventueel recht op zelfrealisatie binnen de planperiode van 10 jaar door de gemeente zal worden verworven voor de bouw van woningen. In het uiterste geval zal worden onteigend, zo is namens de raad ter zitting verklaard.

De Afdeling is van oordeel dat de gevolgen van het plan voor [appellant] in relatie tot de met het plan te dienen doelen niet onevenredig zijn. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat ook na verwezenlijking van het plan [appellant] op het overblijvende perceel over een ruim bemeten (achter)tuin zal blijven beschikken en de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat indien bebouwing plaatsvindt op de oostelijke bebouwingsstrook, het in de rede ligt de gehele oostelijke strook en derhalve ook de achterzijde van het perceel van [appellant] daarbij te betrekken.

Gelet op hetgeen de raad ter zitting heeft verklaard is de Afdeling van oordeel dat thans voldoende is verzekerd dat de woningbouw op het perceel van [appellant] binnen de planperiode zal worden gerealiseerd.

2.17. Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht goedkeuring te verlenen aan het plandeel "Wonen (W)" met de subbestemming "W1-vrijstaande woningen", en de aanduiding "7-14 te bouwen woningen" voor de oostelijke bebouwingsstrook, parallel aan de Papendijk.

Conclusie

2.18. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het beroep is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Verkeersgebied (V)" voor de gronden aan de voorzijde van het perceel [locatie] en de gronden naast dit perceel;

II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 12 februari 2008, no. 1314831, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel "Wonen (W)" met de subbestemming "W1-vrijstaande woningen", en de aanduiding "7-14 te bouwen woningen" voor de oostelijke bebouwingsstrook, parallel aan de Papendijk;

IV. verleent goedkeuring aan het plandeel "Wonen (W)" met de subbestemming "W1-vrijstaande woningen", en de aanduiding "7-14 te bouwen woningen" voor de oostelijke bebouwingsstrook, parallel aan de Papendijk;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 12 februari 2008;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Tuit

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009

425.