Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH7694

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
200804920/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] vrijstelling te verlenen voor het realiseren van een inpandige bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804920/1.

Datum uitspraak: 25 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 mei 2008 in zaak nr. 07/2356 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] vrijstelling te verlenen voor het realiseren van een inpandige bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 augustus 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 mei 2008, verzonden op 19 mei 2008, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 augustus 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door ing. J.P. Dwarshuis, en het college, vertegenwoordigd door A.C. Teuben-Bokma, ambtenaar van de gemeente, bijgestaan door J. Dijkstra, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het perceel is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Sewei" bestemd voor "Bedrijfsdoeleinden".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, zijn de als zodanig op de plankaart aangegeven gronden onder meer bestemd voor industrie, ambachtelijke- en nijverheidsbedrijven, groothandel, reparatie-, verhuur- en dienstverlenende bedrijven, wegvervoerbedrijven en instellingen voor openbaar bestuur, welke zodanig gezoneerd dienen te worden dat voor wat betreft geur, stof, geluid, trilling en gevaar, voor nabijgelegen woningen een aanvaardbaar woonklimaat aanwezig blijft.

Ingevolge artikel 6, derde lid, sub a, onder 5, mogen geen dienstwoningen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 6, vijfde lid, aanhef en sub c, voor zover van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 3, sub a, onder 5, voor het bouwen van ten hoogste 1 bedrijfswoning per bedrijf.

In artikel 6, lid 2, onder f, met opschrift "Beschrijving in hoofdlijnen" is bepaald dat de toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid voor dienstwoningen er niet toe mag leiden dat daardoor de milieuvoorwaarden voor de omliggende bedrijven aanmerkelijk worden verzwaard. Tevens dient de noodzaak vanuit de bedrijfsvoering te worden aangetoond.

2.2. Appellant exploiteert op het perceel een bedrijf dat zich toelegt op loonwerk voor derden alsmede reparatie en onderhoud aan bedrijfsvoertuigen

en -materieel.

2.3. Het college heeft aan zijn gehandhaafde besluit om vrijstelling ingevolge artikel 6, vijfde lid, aanhef en sub c, te weigeren ten grondslag gelegd dat de realisatie van een bedrijfswoning leidt tot een aanmerkelijke verzwaring van de milieuvoorwaarden van met name het op het naastgelegen perceel [locatie 2] gevestigde [bedrijf]. Anders dan [appellant] betoogt, blijkt genoegzaam uit het advies van de commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Joure van 24 april 2007, waarnaar in het besluit op bezwaar wordt verwezen, dat het college daaraan tevens ten grondslag heeft gelegd dat de noodzaak om bij het bedrijf te wonen niet is aangetoond.

2.4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de in artikel 6, lid 2, onder f, neergelegde beschrijving in hoofdlijnen voldoende duidelijk en concreet is geformuleerd om als aanvullend toetsingskader voor bouwaanvragen te kunnen dienen. Dat oordeel is in hoger beroep niet betwist.

2.4.1. [appellant] betoogt met succes dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen noodzaak bestaat om bij het bedrijf te wonen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 26 januari 2005, in zaak nr. 200404881/1, is met betrekking tot de vraag naar de noodzaak van een bedrijfswoning van belang of de bedrijfsvoering ter plaatse zoveel tijd en aandacht van de aanvrager opeist dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. Het college heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de bedrijfsactiviteiten van het door [appellant] op het perceel geëxploiteerde bedrijf. Daarbij is van belang dat [appellant] er in dit verband op heeft gewezen dat door hem onderhoud en reparaties worden verricht aan zogenoemde pijlwagens die worden ingezet bij incidenten op rijkswegen, welke werkzaamheden een noodzaak van beschikbaar zijn op het perceel met zich brengen en niet zijn te verenigen met het wonen elders.

2.4.2. Voorts slaagt het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bedrijfswoning waarop het verzoek om vrijstelling betrekking heeft leidt tot een aanmerkelijke verzwaring van de milieuvoorwaarden voor [bedrijf]. Van belang is dat de planwetgever ter plaatse de bouw van bedrijfswoningen onder voorwaarden toelaatbaar heeft geacht. Aan [bedrijf] is bij besluit van 2 oktober 1992 een vergunning ingevolge de Hinderwet verleend voor het oprichten en in werking hebben van een dakdekkersbedrijf. Aan die vergunning is het voorschrift verbonden dat de geluidbelasting, afkomstig van de in de inrichting aanwezige installaties en veroorzaakt door werkzaamheden, ter plaatse van een niet tot de inrichting behorende woning, niet hoger mag zijn dan de in dat voorschrift gegeven grenswaarden. Het college heeft niet onderzocht of de aan [bedrijf] vergunde bedrijfsactiviteiten leiden tot een overschrijding van die grenswaarden, dan wel, voor zover het bedrijf van [bedrijf] thans onder de werking van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer zou vallen, tot een overschrijding van de ingevolge dat besluit geldende grenswaarden ter plaatse van de door [appellant] gewenste bedrijfswoning. De enkele omstandigheid dat de dichtst bij het perceel waarop [bedrijf] is gevestigd aanwezige woning op grotere afstand is gesitueerd dan de bedrijfswoning waarop het verzoek om binnenplanse vrijstelling betrekking heeft, is onvoldoende voor de conclusie dat de bedrijfsvoering van [bedrijf] wordt beperkt door realisering van de bedrijfswoning. Vaststaat dat ten tijde van de verlening aan [bedrijf] van voormelde Hinderwetvergunning een woning aanwezig was op kortere afstand van haar perceel dan de door [appellant] gewenste bedrijfswoning. Gesteld noch gebleken is dat [bedrijf] sindsdien zijn bedrijfsactiviteiten heeft uitgebreid of geïntensiveerd of daartoe concrete plannen heeft.

2.4.3. Aan het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel dient te worden voorbijgegaan, nu hij dit niet eerder in de procedure heeft aangevoerd en de rechtbank daarover geen oordeel heeft kunnen geven. Niet is gebleken dat hij dit niet eerder naar voren kon brengen.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 8 augustus 2007 vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 mei 2008 in zaak nr. AWB 07/2356;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân van 8 augustus 2007, kenmerk PV 2006-0046.mrh;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Skarsterlân aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Skarsterlân aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Willems

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009

412.