Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH7681

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
200806663/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van de achterliggende stukken van een op verzoek van de staatssecretaris van Justitie opgemaakt individueel ambtsbericht van 8 juni 2007, gedeeltelijk ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806663/1.

Datum uitspraak: 25 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], verblijvend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juli 2008 in zaak nr. 07/4321 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van de achterliggende stukken van een op verzoek van de staatssecretaris van Justitie opgemaakt individueel ambtsbericht van 8 juni 2007, gedeeltelijk ingewilligd.

Bij besluit van 16 oktober 2007 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juli 2008, verzonden op 17 juli 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2008, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 18 februari 2009.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan eenieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, voor zover thans van belang, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[…]

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

[…]

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.2. Bij besluit van 16 oktober 2007 heeft de minister zijn besluit van 28 augustus 2007 gehandhaafd om een aantal stukken of passages daaruit die ten grondslag hebben gelegen aan het individueel ambtsbericht van 8 juni 2007, dat is opgemaakt in verband met de asielprocedure van [appellant], niet openbaar te maken. De minister heeft zich daarbij beroepen op de belangen gediend met de bescherming van onderzoeksmethoden en -technieken, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet staande kan worden gehouden dat de minister bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid het belang van bronbescherming en bescherming van gebruikte methoden en technieken zwaarder mocht laten wegen dan het belang van openbaarmaking van de niet verstrekte informatie. Hij voert aan dat uit de uitspraak van de rechtbank niet blijkt waarom de rechtbank van oordeel is dat de belangen bij het niet openbaar maken van deze informatie zwaarder wegen dan de belangen van [appellant] en de Nederlandse gemeenschap bij openbaarmaking daarvan.

2.4. Het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob dient uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. Daarom kan ten aanzien van de openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naargelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het specifieke belang van [appellant] of van anderen bij verstrekking van de verzochte informatie geen rol kan spelen.

De vraag of een ander dan het openbaarheidsbelang zich voordoet, dient door de rechter integraal te worden beoordeeld. Bij de toetsing van het bestuurlijk oordeel of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, dient evenwel te worden beoordeeld of het bestuursorgaan in redelijkheid tot dat oordeel heeft kunnen komen. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen.

2.5. Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kennis te hebben genomen van de niet openbaargemaakte (passages in de aan [appellant] verstrekte) stukken, stelt de Afdeling vast dat de belangen waarop de minister zich heeft beroepen bij deze informatie aan de orde zijn. De informatie heeft betrekking op identiteit, functies en werkomgeving van vertrouwenspersonen en andere geraadpleegde bronnen en op gebruikte methoden en technieken van onderzoek respectievelijk het kennisniveau.

Gelet op de inhoud van deze informatie wordt met de rechtbank geoordeeld dat de minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid het belang van de vertrouwelijkheid daarvan zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het openbaarheidsbelang.

Onder meer in de uitspraak van 19 april 2006 in zaak nr. 200507068/1, is de Afdeling tot een soortgelijk oordeel gekomen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid openbaarmaking van deze informatie achterwege heeft kunnen laten. Het betoog van [appellant] faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009

312