Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH7679

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
200805754/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 22 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) aan [appellant] een volledig overzicht van zijn persoonslijst zoals opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA) toegezonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805754/1/H3.

Datum uitspraak: 25 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 juni 2008 in zaak nr. 07/2767 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij brief van 22 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) aan [appellant] een volledig overzicht van zijn persoonslijst zoals opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA) toegezonden.

Bij brief van 3 april 2007 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het slechts ten dele gevolg geven aan zijn aangifte van verblijf en adres.

Bij besluit van 15 juni 2007 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juni 2008, verzonden op 12 juni 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juli 2008, hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.J.G. Schroeder, en het college, vertegenwoordigd door L.H. Drost, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Wet GBA) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder persoonslijst: het geheel van gegevens als bedoeld in artikel 34, eerste lid, over één persoon in een basisadministratie.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, wordt op grond van zijn aangifte van verblijf en adres degene die niet in een basisadministratie is ingeschreven, naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derden van de tijd in Nederland verblijf zal houden en:

a. de Nederlandse nationaliteit bezit,

b. op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld, of

c. vreemdeling is en rechtmatig verblijf geniet als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000,

ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente waar hij zijn adres heeft.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, worden in de basisadministratie van de gemeente van inschrijving over de ingeschrevene als algemene gegevens de gegevens over de burgerlijke staat opgenomen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, worden als algemene gegevens de gegevens opgenomen die als zodanig zijn vermeld in bijlage I bij de Wet GBA.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van deze bijlage I worden, voor zover thans van belang, onder gegevens over de burgerlijke staat mede verstaan de geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland en zo nodig gebiedsdeel van de ouders.

Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wet GBA worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Ingevolge artikel 44, worden gegevens over het verblijfsrecht van de vreemdeling ontleend aan mededelingen daarover van de minister van Justitie aan het college van burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 46, vierde lid, wordt als datum van aanvang van het verblijf in Nederland en van vestiging van het adres in de gemeente de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het verblijf en adres aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, doet de minister van Justitie van de gegevens over het verblijfsrecht van de vreemdeling, die voor de bijhouding van de basisadministratie van belang zijn, mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokken vreemdeling in de basisadministratie is ingeschreven.

Ingevolge het tweede lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde mededeling wordt gedaan.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, is degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derden van de tijd in Nederland verblijf zal houden, verplicht zich binnen vijf dagen na de aanvang van zijn verblijf in persoon te melden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn woonadres heeft om daarbij schriftelijk aangifte van verblijf en adres te doen. Indien hij geen woonadres heeft, is hij verplicht een briefadres te kiezen en dient hij zich binnen de gestelde termijn te melden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn briefadres heeft om de bedoelde aangifte te doen.

Ingevolge het zevende lid, aanhef en onder d, blijft aangifte van verblijf en adres achterwege indien de betrokkene een vreemdeling is die niet is ingeschreven in een basisadministratie en geen rechtmatig verblijf geniet als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.

Ingevolge artikel 78, eerste lid, voor zover thans van belang, zendt het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken na een inschrijving als bedoeld in artikel 26 aan de ingeschrevene kosteloos en in begrijpelijke vorm een volledig overzicht van zijn persoonslijst.

Ingevolge artikel 83, aanhef en onder a, wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om aan een aangifte geen of slechts ten dele gevolg te geven gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Ingevolge artikel 121, eerste lid, vindt op de datum van inwerkingtreding van dit artikel inschrijving plaats van de personen die in het persoonsregister, bedoeld in artikel 26, tweede lid, onder a, van het Besluit bevolkingsboekhouding (Stb. 1967, 442), zijn opgenomen.

Ingevolge artikel 141, eerste lid, voor zover thans van belang, kan het college van burgemeester en wethouders bij de eerste inschrijving van een persoon van wie in het persoonskaartenarchief een persoonskaart is opgenomen, op de persoonslijst op te nemen gegevens ontlenen aan de desbetreffende persoonskaart.

 

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: het Besluit GBA) draagt de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in het vreemdelingenadministratiesysteem zorg dat de in artikel 58 van de Wet GBA bedoelde mededeling over het verblijfsrecht van de vreemdeling in overeenstemming met de systeembeschrijving geautomatiseerd over het netwerk wordt ontvangen en verzonden.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de datum van aanvang van zijn verblijf in Nederland en van vestiging van zijn adres 30 oktober 2006 is, zijnde de datum waarop hij aangifte van zijn adres voor opname in de GBA heeft gedaan. Hij voert hiertoe aan dat hij recht heeft op een registratie in de GBA met ingang van 5 februari 2004, te weten de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning. Hij verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 januari 2008 waarin is geoordeeld dat hij achteraf bezien op 29 november 2005 toen hij zich wilde inschrijven bij het Centrum voor Werk en Inkomen in verband met de alsnog op 15 september 2006 met terugwerkende kracht verleende verblijfsvergunning aanspraak kon maken op registratie als werkzoekende. Voorts voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij, omdat hij niet op aangifte kon worden ingeschreven, ook niet ambtshalve kon worden ingeschreven. [appellant] is van mening dat hij met ingang van de eerste dag van zijn verblijfsrecht ambtshalve kon worden ingeschreven.

Bovendien heeft de rechtbank volgens hem ten onrechte overwogen dat zijn verblijf in Nederland niet was aangevangen op 3 juli 1992 omdat hij ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet GBA op 1 oktober 1994 geen ingezetene in Nederland was.

2.2.1. Artikel 46, vierde lid, van de Wet GBA schrijft dwingend voor dat als datum van aanvang van verblijf in Nederland en van vestiging van adres dient te worden genomen de dag waarop de aangifte daartoe is ontvangen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niet in geschil is dat deze op 30 oktober 2006 heeft plaatsgevonden. Met juistheid heeft de rechtbank dan ook overwogen dat het college de datum van vestiging in Nederland terecht op 30 oktober 2006 heeft gesteld. Dat de Centrale Raad van Beroep in gemelde uitspraak heeft geoordeeld dat [appellant] achteraf bezien met terugwerkende kracht aanspraak kon maken op registratie als werkzoekende omdat de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 5 februari 2004 is verleend maakt dit oordeel niet anders, nu artikel 46, vierde lid, van de Wet GBA het college niet de bevoegdheid geeft om de datum van aanvang van verblijf in Nederland en van vestiging van adres te baseren op de ingangsdatum van een verblijfsvergunning. Dit artikel geeft het college evenmin de bevoegdheid om ambtshalve een andere datum van aanvang van verblijf in Nederland en van vestiging adres te stellen. Het betoog faalt derhalve.

Met de inwerkingtreding op 1 oktober 1994 van de Wet GBA en de krachtens deze wet vastgestelde regelingen is het Besluit Bevolkingsboekhouding komen te vervallen. Ingevolge artikel 121, eerste lid, van de Wet GBA was het college op 1 oktober 1994 slechts gehouden om personen uit het persoonsregister in de GBA in te schrijven. Vast staat dat [appellant] op dat moment, door zijn vertrek naar Kaapverdië op 13 juli 1994, niet meer in het persoonsregister was opgenomen. Hierom faalt zijn betoog ook ten aanzien van dit punt.

2.3. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het door hem overleggen van zijn verblijfsvergunning gelijk is te stellen met een mededeling van de minister van Justitie, als bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de Wet GBA. De rechtbank heeft als gevolg daarvan ten onrechte overwogen dat een onderzoeksplicht van het college niet aan de orde is omdat de verantwoordelijkheid ligt bij de minister van Justitie, aldus [appellant].

2.3.1. Dit betoog faalt eveneens. Terecht heeft de rechtbank verwezen naar de artikelen 44 en 58 van de Wet GBA, gelezen in samenhang met artikel 40 van het Besluit GBA, die vermelden dat de minister van Justitie de gegevens over het verblijfsrecht aanlevert aan de colleges van burgemeester en wethouders.

2.4. Ten slotte betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het op zijn weg ligt om de door hem gestelde gegevens ter zake van zijn ouders met officiële documenten te ondersteunen. Hij voert hiertoe aan dat deze gegevens betreffende de geboortendata, geboortenplaatsen en geboortenlanden van zijn ouders ook, bij gebreke van betrouwbaardere geschriften, kunnen worden ontleend aan een door hem onder eed of belofte afgelegde verklaring, als bedoeld in artikel 36, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet GBA. Hierbij acht hij van belang dat het college reeds over deze gegevens beschikte omdat deze zijn opgenomen op zijn persoonskaart, als bedoeld in het Besluit Bevolkingsboekhouding en de Wet GBA is bedoeld als voortzetting van de feitelijke situatie zoals deze bestond voor de inwerkingtreding van de Wet GBA.

2.4.1. Voorop staat dat de gegevens in de basisadministratie betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor de gegevens omtrent de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, is een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Aan een "lager" document mogen gegevens worden ontleend wanneer op het moment van inschrijving in redelijkheid geen beter document kan worden overgelegd.

Nu [appellant] geen brondocument, als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c of d, van de Wet GBA heeft overgelegd en hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet over een dergelijk document kan beschikken, heeft het college een juiste toepassing gegeven aan de Wet GBA. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen. Ten overvloede merkt de Afdeling op dat op de vóór 1 oktober 1994 daterende persoonskaart van [appellant] uitsluitend de namen van diens ouders zonder verdere gegevens waren vermeld. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009

350-497.