Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH7664

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
200803383/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) het verzoek van [appellant] van 4 april 2006 om handhavend op te treden tegen het gebruik van de openbare basisschool "De Toermalijn" (hierna: de school) aan de Zuster Boomaarsstraat 4 te Bavel (hierna: het perceel) voor buitenschoolse opvang (hierna: bso) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803383/1.

Datum uitspraak: 25 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 april 2008 in zaak nr. 06/6250 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) het verzoek van [appellant] van 4 april 2006 om handhavend op te treden tegen het gebruik van de openbare basisschool "De Toermalijn" (hierna: de school) aan de Zuster Boomaarsstraat 4 te Bavel (hierna: het perceel) voor buitenschoolse opvang (hierna: bso) afgewezen.

Bij besluit van 29 november 2006 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 april 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2009, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Mastilovic, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Kober kindercentra, vertegenwoordigd door W. Peperkamp en J.H.M.W. Sjoerdsma - van den Bogaert, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 25 juni 1999 heeft het college bouwvergunning verleend voor het vergroten van de school. Volgens de bij de bouwvergunning behorende bouwtekening heeft de vergroting betrekking op drie lokalen waarin de aanduiding "bso" staat vermeld. Het verlenen van de bouwvergunning is gepubliceerd in "Het stadsblad" van 7 juli 1999.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat het college bouwvergunning heeft verleend voor de bso aan de bevoegdheid tot handhavend optreden in weg staat. Hij voert daartoe aan dat hij niet in de gelegenheid is gesteld tijdig bezwaar te maken tegen die bouwvergunning, zodat die in rechte niet onaantastbaar is geworden.

2.2.1. Het betoog faalt. Hoewel de verlening van de bouwvergunning in deze procedure niet aan de orde is, is van een gebrek in de wijze van publiceren ervan niet gebleken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de bouwvergunning in rechte onaantastbaar is geworden. De rechtbank is derhalve tot de juiste slotsom gekomen dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden.

2.2.2. Aangezien de bevoegdheid tot handhavend optreden ontbreekt, kan hetgeen [appellant] ter zake overigens heeft aangevoerd niet tot een ander oordeel leiden.

2.3. Het betoog van [appellant] dat de bezwarencommissie (hierna: de commissie) niet onpartijdig is, omdat een gemeenteambtenaar als secretaris van de commissie fungeert, treft geen doel, aangezien de secretaris geen deel uitmaakte van de commissie. Voor zover [appellant] aanvoert dat de commissie niet deskundig is, faalt deze grond eveneens. Nog daargelaten dat de grond niet kan worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 29 november 2006 of het oordeel van de rechtbank daarover, heeft [appellant] die grond niet gestaafd met feiten waaruit ondeskundigheid zou blijken.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gegeven deze beslissing, dient het in hoger beroep gedane verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009

190-179-560.