Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH6970

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
20-03-2009
Zaaknummer
200806720/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2008:BG3436, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Richtlijn 2003/109 / langdurig ingezetenen / formeel beperkt verblijfsrecht

Gelet op artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder n, van het Vb 2000 is het verblijfsrecht op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die is verleend onder de beperking 'medische behandeling', naar zijn aard tijdelijk. Nu een periode van verblijf uitsluitend om redenen van tijdelijke aard, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn, niet in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de duur van het in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn bedoelde verblijf, kan de periode van verblijf waarin de vreemdeling, zoals in dit geval, slechts in afwachting is van de beslissing op een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning die een verblijfsrecht van tijdelijke aard biedt, dan wel de beslissing op het bezwaar tegen de afwijzing van die aanvraag, in elk geval niet bij deze berekening in aanmerking worden genomen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/185 met annotatie van Mevr. mr. drs. G.G. Lodder
RV20090039 met annotatie van Heer de J.C. Coen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806720/1/V3.

Datum uitspraak: 17 maart 2009

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 23 juli 2008 in zaak nr. 07/24706 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 15 mei 2007 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 juli 2008, verzonden op 30 juli 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (hierna: de richtlijn), voor zover thans van belang, blijkens de tekst betrekking heeft op gevallen waarin de verblijfsvergunning formeel beperkt is, dat uit de tekst van deze bepaling niet kan worden afgeleid dat onder het begrip 'formeel beperkte verblijfsvergunning' mede zou moeten worden begrepen een verblijfsrecht in afwachting van een vergunningprocedure en dat dit ook niet voor de hand ligt, gezien het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, van de richtlijn.

Daartoe betoogt de staatssecretaris onder meer, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat deze uitleg tot gevolg heeft dat het mogen afwachten van beslissingen op aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning kan leiden tot een verblijfsrecht als langdurig ingezetene in gevallen waarin verlening van die verblijfsvergunning zelf daartoe niet zou leiden. Niet kan worden aangenomen dat deze uitkomst is beoogd, aldus de staatssecretaris.

2.1.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn is deze niet van toepassing op onderdanen van derde landen die in een lidstaat verblijven uitsluitend om redenen van tijdelijke aard, als au pair of als seizoensarbeider, of als gedetacheerd werknemer van een dienstverlener in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening, of als verlener van grensoverschrijdende diensten, of in gevallen waarin hun verblijfsvergunning formeel beperkt is.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de richtlijn kennen de lidstaten de status van langdurig ingezetene toe aan onderdanen van derde landen die legaal en ononderbroken sedert de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het desbetreffende verzoek op hun grondgebied verblijven.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, worden perioden van verblijf voor de in artikel 3, tweede lid, onder e, vermelde redenen niet in aanmerking genomen bij de berekening van de duur van het in het eerste lid bedoelde verblijf.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de richtlijn, voor zover thans van belang, verstrekken de lidstaten aan langdurig ingezetenen een EG verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, kan, ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van de richtlijn, de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000 worden afgewezen, indien de vreemdeling in de vijf jaren direct voorafgaande aan de aanvraag verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft gehad, dan wel een formeel beperkt verblijfsrecht.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder r, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) houden de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperkingen verband met het ondergaan van medische behandeling.

Ingevolge artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder n, van het Vb 2000 is het verblijfsrecht tijdelijk, indien de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking, verband houdend met het ondergaan van medische behandeling.

Ingevolge artikel 8, aanhef en onder f en h, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14, dan wel van de beslissing op een bezwaarschrift, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag of het bezwaarschrift is beslist.

2.1.2. Op 27 juni 2000 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'medische behandeling' te verlenen. Op deze aanvraag is niet beslist en op 6 mei 2004 heeft de vreemdeling opnieuw een aanvraag ingediend. Bij besluit van 17 januari 2005 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) de aanvraag van 27 juni 2000 afgewezen. Bij besluit van 21 oktober 2005 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dat besluit staat thans in rechte vast.

2.1.3. Niet in geschil is dat de vreemdeling van 27 juni 2000 tot 24 oktober 2005, de dag waarop het besluit van 21 oktober 2005 is bekendgemaakt, rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van artikel 8, aanhef en onder f en h, van de Vw 2000 heeft gehad, omdat zij de beslissing op haar aanvraag om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'medische behandeling' te verlenen en de beslissing op het door haar tegen de afwijzing van die aanvraag ingediende bezwaar in Nederland mocht afwachten.

Gelet op artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder n, van het Vb 2000 is het verblijfsrecht op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die is verleend onder de beperking 'medische behandeling', naar zijn aard tijdelijk. Nu een periode van verblijf uitsluitend om redenen van tijdelijke aard, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn, niet in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de duur van het in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn bedoelde verblijf, kan de periode van verblijf waarin de vreemdeling, zoals in dit geval, slechts in afwachting is van de beslissing op een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning die een verblijfsrecht van tijdelijke aard biedt, dan wel de beslissing op het bezwaar tegen de afwijzing van die aanvraag, in elk geval niet bij deze berekening in aanmerking worden genomen.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen overigens in de grief is aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu uit het hiervoor overwogene voortvloeit dat de aangevoerde beroepsgronden geen aanleiding geven tot een ander oordeel, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 15 mei 2007 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 23 juli 2008 in zaak nr. 07/24706;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitterw.g. Van Gemert

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2009

347-551.

Verzonden: 17 maart 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak