Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH6358

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
200802541/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) beslist over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Barneveld (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 9 januari 2008 vastgestelde wijzigingsplan "Dwarsgraafweg I" (hierna: het wijzigingsplan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802541/1.

Datum uitspraak: 18 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) beslist over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Barneveld (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 9 januari 2008 vastgestelde wijzigingsplan "Dwarsgraafweg I" (hierna: het wijzigingsplan).

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2008, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft het college van burgemeester en wethouders een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. M.J. Smaling, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. I. Pater, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [vergunninghouder], vertegenwoordigd door ing. J.G.P. van Schaik, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij het besluit omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient het college te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust daarnaast op het college de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het wijzigingsplan strekt tot wijziging van het bestemmingsplan "Buitengebied 2000" (hierna: het bestemmingsplan) en heeft betrekking op het perceel [locatie] te [plaats], ter plaatse waarvan door [vergunninghouders] een agrarisch bedrijf wordt geëxploiteerd dat een melkrund- en vleesveehouderij omvat (hierna: het agrarisch bedrijf). Het wijzigingsplan voorziet in het veranderen van de vorm en het vergroten van het bestaande agrarische bouwperceel ten behoeve van de bouw van een schuur (hierna: de schuur) en een tweede bedrijfswoning (hierna: de tweede bedrijfswoning) aan de noordzijde van de Kleine Valksebeek.

2.3. [appellant] betoogt onder meer dat niet vaststaat dat aan de wijzigingsvoorwaarde wordt voldaan die is opgenomen in artikel 39, eerste lid, sub b, van de voorschriften van het bestemmingsplan. In dit verband voert hij aan dat een noodzaak voor een tweede bedrijfswoning niet aanwezig is, gelet op de bestaande bedrijfsvoering en het uitblijven van de verwezenlijking van een eerder vergunde uitbreiding.

2.3.1. Het college heeft zich blijkens het bestreden besluit in navolging van het college van burgemeester en wethouders op het standpunt gesteld dat het wijzigingsplan voldoet aan de wijzigingsregels van het bestemmingsplan.

2.3.2. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan (veranderen vorm bouwperceel), kan het college van burgemeester en wethouders met toepassing van het bepaalde in artikel 11 van de WRO het bestemmingsplan wijzigen voor wat betreft het veranderen van de grenzen van een agrarisch bouwperceel, met inachtneming van het volgende:

a. de oppervlakte van het agrarische bouwperceel mag maximaal 1,5 hectare bedragen;

b. aangetoond dient te worden dat het veranderen van de grenzen noodzakelijk is in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering;

c. er dient te worden gestreefd naar een compacte bouwperceelsvorm;

d. de natuur- en landschapswaarden mogen niet in onevenredige mate worden geschaad.

2.3.3. Nu met de uitbreiding die het wijzigingsplan geeft aan het bouwperceel uitdrukkelijk de bouw van de schuur en de tweede bedrijfswoning is beoogd en deze bebouwing op grond van de voorschriften van het bestemmingsplan ook binnen een bouwperceel moet worden opgericht, dient, gelet op het bepaalde in artikel 39, eerste lid, sub b, van de voorschriften van het bestemmingsplan en anders dan het college van burgemeester en wethouders heeft gesteld in zijn schriftelijke uiteenzetting, niet eerst bij het verlenen van de voor de bouw van de tweede bedrijfswoning tevens benodigde vrijstelling, maar ook thans te zijn aangetoond dat niet alleen de schuur maar ook de tweede bedrijfswoning noodzakelijk zijn in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering.

In dit verband is van belang dat op 10 augustus 2005 door de dienst Ruimte, Economie en Welzijn van de provincie Gelderland een landbouwkundig advies is uitgebracht (hierna: het landbouwkundig advies) met als strekking de voor de verwezenlijking van de tweede bedrijfswoning verzochte vrijstelling niet te verlenen. Daartoe is overwogen dat in de vleesveehouderij van [vergunninghouders] - behoudens een calamiteit - in het algemeen geen werkzaamheden buiten de gebruikelijke arbeidstijden uitgevoerd behoeven te worden en dat dit bij de melkrundveehouderij weliswaar duidelijk anders ligt, maar dat die bedrijfstak nog geen 30 procent van de totale bedrijfsactiviteiten uitmaakt. Gelet hierop, wordt de bouw van een tweede bedrijfswoning voor het totale bedrijf uit landbouwkundig oogpunt niet noodzakelijk geacht.

Weliswaar heeft het college zich in navolging van het college van burgemeester en wethouders op het standpunt gesteld dat de schuur en de tweede bedrijfswoning noodzakelijk zijn in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering en zich hierbij gebaseerd op door Van Westreenen adviseurs voor het buitengebied (hierna: Van Westreenen) namens [vergunninghouders] in bij brieven van 26 september 2005 en 17 mei 2006 aangedragen gegevens, maar niet inzichtelijk is gemaakt waarom het gestelde in het landbouwkundig advies niet dan wel niet langer juist zou zijn. Uit de inhoud van de brieven van Van Westreenen, waarin door Van Westreenen is gereageerd op het landbouwkundig advies, volgt niet dat het landbouwkundig advies onjuist is. In de door het college onderschreven reactie van het college van burgemeester en wethouders op de vanwege [appellant] ingediende zienswijze is de nadruk gelegd op de omvang van het bedrijf, de ligging van het bedrijf in het landbouwontwikkelingsgebied en de locatie van de tweede bedrijfswoning, zonder dat wordt ingegaan op de noodzaak om vanuit een doelmatige bedrijfsvoering ter plaatse een tweede bedrijfswoning aanwezig te hebben.

2.3.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is reeds hierom gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Gelet hierop behoeven de overige door [appellant] aangevoerde gronden geen bespreking.

2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 15 februari 2008, kenmerk 2008-001417;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de provincie Gelderland aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Matulewicz

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009

45-583.