Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH6344

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
200806194/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Steenwijkerland (hierna: de raad) bij besluit van 18 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Tuk, Bergstein".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806194/1.

Datum uitspraak: 18 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Steenwijkerland,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Steenwijkerland,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Steenwijkerland (hierna: de raad) bij besluit van 18 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Tuk, Bergstein".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2008, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2008, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 23 september 2008.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2009, waar het college, vertegenwoordigd door drs. G. Rooks, ambtenaar in dienst van de provincie, is verschenen.

Voorts is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door N.A. van de Nadort, portefeuillehouder ruimtelijke ordening, en J. Mulder, ambtenaar in dienst van de gemeente, en de stichting "Stichting Woonconcept" en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Rotij Planontwikkeling Beheer B.V.", vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Met het plan wordt de bouw van 190 woningen met een zorgcomplex mogelijk gemaakt ten noorden van de kern Tuk op de locatie Bergstein.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.3. [appellant sub 1], wonend aan de [locatie sub 1], stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend.

[appellant sub 1] twijfelt aan de noodzaak van en de behoefte aan woningbouw ter plaatse, aangezien deze niet is gerelateerd aan de groei van de bevolking. Uitbreiding dient volgens hem pas aan de orde te komen wanneer inbreidingslocaties ontbreken.

Verder voert hij aan dat het plan onvoldoende rekening houdt met de uitstraling en de kenmerkende structuren van Tuk onder meer in relatie tot het huidige woongenot. [appellant sub 1] acht de verwijzing van het college en de raad naar een planschaderegeling, dan wel naar het ontbreken van het bestaan van een recht op vrij uitzicht onvoldoende.

Ook zijn de in het plan opgenomen maximale goot- en nokhoogten niet afgestemd op het dorpse karakter van Tuk, aldus [appellant sub 1].

Tevens betoogt hij dat de woonwijk in noordelijke richting dient te worden ontsloten.

2.4. Het college heeft goedkeuring aan het plan verleend. Het college is van mening dat de maximale goot- en nokhoogten zodanig zijn dat er sprake is van een geleidelijke overgang tussen de in het plan voorziene nieuwbouw en de bestaande bebouwing. Het college is van mening dat de kenmerkende structuren van het dorp Tuk zijn verwerkt in het bestemmingsplan en dat van massaliteit in bebouwing geen sprake is.

Nu de in het plan voorziene ontsluiting volgens het college niet tot onaanvaardbare hinder zal leiden, ziet het college in navolging van de raad geen reden om de ontsluiting in noordelijke richting te verplaatsen.

2.5. In het streekplan "Overijssel 2000+" is de kern van Steenwijk, deeluitmakend van de gemeente Steenwijkerland, aangewezen als kern met een regionale functie. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat de woningbouw gelieerd dient te worden aan de groei van de eigen gemeente, overweegt de Afdeling dat gezien de genoemde streekplanaanduiding het college de noodzaak van de in het plan voorziene woningbouw mede heeft kunnen baseren op de functie van Steenwijk, waar het dorp Tuk dicht tegen aan ligt, als kern met een regionale functie.

Ten aanzien van het betoog dat eerst inbreidingslocaties moeten worden benut alvorens uitbreidingslocaties voor woningbouw in aanmerking komen, overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld dat in de gemeente Steenwijkerland geen inbreidingslocaties met een omvang als dat van het onderhavige plangebied, meer voorhanden zijn.

2.6. Ingevolge artikel 6.2.1., onder c en d van de planvoorschriften in samenhang bezien met de plankaart geldt voor de woningen die zijn voorzien achter de bestaande woningen aan de Tukseweg een maximale bouwhoogte van 7 meter en een maximale goothoogte van 4 meter.

Voor de voorziene woningen die direct grenzen aan de Tukseweg geldt een maximale bouwhoogte van 9 meter en een maximale goothoogte van 5 meter.

Voor de woningen, welke meer centraal in de voorziene nieuwbouwwijk zijn gelegen geldt ten hoogste een maximale bouwhoogte van 11 meter en een maximale goothoogte van 7 meter.

Gezien het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voorziet in een geleidelijke opbouw wat betreft goot- en bouwhoogten. Voorts heeft het college de maximale goot- en bouwhoogten ter plaatse aanvaardbaar kunnen achten. Daarbij betrekt de Afdeling dat ter zitting door de raad onweersproken is gesteld dat de goot- en bouwhoogten van de nabij gelegen bestaande bebouwing niet aanzienlijk afwijkt van de in het plan opgenomen maximale hoogten.

Verder vermeldt de plantoelichting dat het plan aansluiting zoekt bij de dorpse sfeer van de kern door het toepassen van een mix van traditionele bebouwing. Uit de plantoelichting blijkt dat de ter plaatse aanwezige karakteristieke houtwal grotendeels behouden zal blijven. Voorts voorziet het plan in een centrale groenzone langs de bestaande houtwal, waarbij deze centrale zone aan de noordzijde overgaat in een groene landschappelijke dorpsrand. Langs de Tukseweg zal de dorpse lintbebouwing worden voortgezet en refereert de bebouwing langs de centrale zone eveneens aan de dorpse lintbebouwing.

Gezien het vorenstaande heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het plan voldoende aansluiting is gezocht bij de karakteristieken van het gebied.

2.7. De ontsluiting van de in het plan voorziene woonwijk vindt plaats vanaf de Tukseweg. De weg langs de centrale zone zorgt voor de verbinding met de woonstraten. Een extra doorgang voor calamiteiten is gesitueerd aan de zuidkant van de centrale noord-zuid lijn. [appellant sub 1] heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de in het plan voorziene ontsluiting in noordelijke richting dient te worden verplaatst.

2.8. In aanmerking genomen dat [appellant sub 1] thans een vrij uitzicht vanuit zijn woning geniet, kan niet worden ontkend dat met de bouw van woningen ter plaatse een verlies aan uitzicht voor hem zal optreden. De kortste afstand tussen de in het plan voorziene woningbouw en de woning van [appellant sub 1] bedraagt ongeveer 30 meter. Voorts hebben de gronden aan de zuidwestzijde van het plangebied, nabij de woning van [appellant sub 1] de bestemming "Groen en Water". Gelet op de afschermende functie van de gronden met deze bestemming en in aanmerking genomen de afstand van ongeveer 30 meter heeft het college evenwel naar het oordeel van de Afdeling het verlies aan woongenot voor [appellant sub 1] niet onevenredig nadelig behoeven te achten in relatie tot de met het plan gediende belangen.

2.9. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.10. [appellant sub 2] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Hij voert hiertoe aan dat met de uitvoering van drie andere, reeds goedgekeurde, bestemmingsplannen in de woningbehoefte kan worden voorzien. [appellant sub 2] wijst erop dat het plan ten opzichte van eerdere plannen ook in meer woningen voorziet en uitgaat van een grotere woningdichtheid. Hij vreest dat bij het opstellen van het plan de financiële belangen van de projectontwikkelaars van doorslaggevende betekenis zijn geweest.

Verder stelt [appellant sub 2] dat het plan een aantasting van de landschappelijke en natuurwaarden tot gevolg zal hebben.

Voorts zal de wijze van ontsluiting van de woonwijk leiden tot een aantasting van zijn woongenot in de vorm van verkeersoverlast, omdat deze ontsluitingsweg direct grenst aan zijn perceel, aldus [appellant sub 2].

Tevens betoogt [appellant sub 2] dat vooruitlopend op het plan een eeuwenoude haag is verwijderd. De stelling van de raad dat dit noodzakelijk was om een nieuw te bouwen woning aan te kunnen sluiten op het riool, onderschrijft [appellant sub 2] niet.

2.11. In de gemeentelijke structuurvisie "Stadsbeeld Steenwijk 2020/2030" is voor de onderhavige locatie uitgegaan van een indicatief gebied van 6 hectare met indicatief 120 woningen.

Zoals reeds overwogen onder 2.5 is de kern Steenwijk, deel uitmakend van de gemeente Steenwijkerland, in het streekplan "Overijssel 2000+" aangewezen als kern met een regionale functie. Gelet op deze streekfunctie heeft de gemeente een taakstelling om onder andere zorg te dragen voor voldoende woningbouw.

De woningbouwopgave, zoals uitgewerkt in een convenant met de provincie Overijssel, strekt ertoe dat in de periode tot 2010 in Steenwijk/Tuk minimaal 1400 woningen worden gerealiseerd.

Op basis van de taakstelling van de gemeente als streekcentrum is het plangebied uitgebreid van 6 naar 9,6 hectare, waarbij de bebouwingsdichtheid van 20 woningen per hectare niet is gewijzigd.

Ook in bijlage 1 bij de gemeentelijke nota "Een Wijde Blik op Steenwijkerland, Woonvisie 2007-2010" wordt gesproken over de bouw van ongeveer 180 woningen.

Met de enkele stelling dat eerder de bouw van een kleiner aantal woningen in het plangebied was voorzien heeft [appellant sub 2] naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de genoemde taakstelling van 1400 woningen is gebaseerd op een onjuiste woningbehoefte.

Niet in geschil is dat de door [appellant sub 2] genoemde drie bestemmingsplannen voorzien in de bouw van totaal 1144 woningen. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het plan noodzakelijk is om te voldoen aan de woningbouwopgave van minimaal 1400 woningen tot 2010.

2.12. Er is onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan voor de natuurwaarden. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de quickscan "Quickscan natuurwaarden, Tuk Noord" van 29 juli 2003. In het rapport wordt geconcludeerd dat omdat de houtwal grotendeels gespaard blijft, geen effecten worden verwacht op het duurzaam voortbestaan van wettelijk beschermde soorten.

[appellant sub 2] heeft niet gesteld dat het college zich niet op dit onderzoek heeft kunnen baseren, omdat het onderzoek gebreken, dan wel leemten in kennis vertoont.

Ook overigens heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de natuur- en landschapswaarden.

2.13. Er is onderzoek verricht naar de invloed van het plan op de verkeersintensiteiten en op het verkeerslawaai. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Verkeersonderzoek plan Bergsteijn te Tuk", van 22 mei 2006. Het rapport vermeldt dat geen problemen met de verkeersafwikkeling worden verwacht aangezien de verkeersintensiteiten laag blijven, ook in verhouding tot de functie en de inrichting van de weg. Niettemin zullen de verkeersintensiteiten ten gevolge van het plan toenemen, waardoor ook het verkeerslawaai toeneemt. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de berekende geluidsbelastingen de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder, benaderen en soms overschrijden. Dit laatste kan volgens het rapport worden voorkomen door op de Bergsteinlaan eenrichtingsverkeer in te stellen of verkeersafremmende maatregelen te nemen. Ter zitting is namens de gemeenteraad toegezegd dat ter plaatse verkeersmaatregelen zullen worden getroffen.

Naar aanleiding van een inspraakreactie is gebleken dat in genoemd verkeersonderzoek een overschatting van de verkeersintensiteiten op de Tukseweg heeft plaatsgevonden. Derhalve heeft opnieuw onderzoek plaatsgevonden op basis van bijgestelde verkeersintensiteiten. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Aanvulling verkeersonderzoek plan Bergstein" van 9 mei 2008. Geconcludeerd wordt dat ook wanneer wordt uitgegaan van de aangepaste verkeersintensiteiten de conclusies met betrekking tot de verkeersafwikkeling, de verkeersveiligheid en het wegverkeerslawaai niet wijzigen.

[appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat laatstgenoemd onderzoek gebreken, dan wel leemten in kennis vertoont.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich dan ook in zoverre in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare verkeersoverlast nabij de woning van [appellant sub 2].

2.14. Wat betreft de vraag of de woning van de voormalige eigenaar van het plangebied op het riool had kunnen worden aangesloten zonder de door [appellant sub 2] bedoelde haag te verwijderen, merkt de Afdeling op dat dit een uitvoeringsaspect betreft, dat in deze procedure niet aan de orde kan komen.

2.14.1. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Tuit

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009

425.