Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH6339

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
200804967/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 11 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vught (hierna: het college) [appellante sub 1] en [appellante sub 2] op straffe van een dwangsom gelast het op het perceel [gemeente], sectie […] nummer […], aanwezige gronddepot te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804967/1/H1.

Datum uitspraak: 18 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1) [appellante sub 1], gevestigd te Sint-Oedenrode,

2) [appellante sub 2], gevestigd te Helvoirt, gemeente Haaren,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 mei 2008 in zaak nr. 07/30 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Vught.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 11 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vught (hierna: het college) [appellante sub 1] en [appellante sub 2] op straffe van een dwangsom gelast het op het perceel [gemeente], sectie […] nummer […], aanwezige gronddepot te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 9 november 2006 heeft het college de door [appellante sub 1] en [appellante sub 2] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 mei 2008, verzonden op 21 mei 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellante sub 1] en [appellante sub 2] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2009, waar [appellante sub 1] en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Rosmalen, en het college, vertegenwoordigd door T. Schulpen en mr. R.P. Randewijk, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" rust op het perceel [gemeente], sectie […] nummer […] (hierna: het perceel), de bestemming "Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarden". Het is voorts aangewezen als "Landschappelijk Open Gebied" en "Water voor de Landnatuur".

Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de planvoorschriften geldt het in artikel 25, in relatie met het in de artikelen 3 en volgende met betrekking tot ander gebruik van de gronden dan bouwen en het gebruik van opstallen bepaalde niet, voor zover het van de bestemming afwijkend gebruik reeds plaatsvond voor de dag waarop het plan onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, is het verboden de in het plan opgenomen gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangegeven in de doeleinden.

2.2. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] betogen tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat zij in hun belangen zijn geschaad, omdat de opgelegde last onvoldoende duidelijk is, nu daarin perceelnummer 1968 in plaats van perceelnummer 1967 is vermeld, reeds omdat voor haar uitspraak aan de last is voldaan.

2.3. De opslag van grond is in strijd met de aan het perceel toegekende bestemming.

Het bestemmingsplan heeft onherroepelijk rechtskracht in vorenbedoelde zin gekregen op 20 december 2000 (hierna: de peildatum).

2.4. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik van het perceel voor grondopslag geen overtreding oplevert, omdat dat gebruik door het overgangsrecht beschermd wordt. Voorafgaand aan de peildatum vond op het perceel regelmatig zulke opslag plaats, aldus [appellante sub 1] en

[appellante sub 2]

2.4.1. Dit betoog faalt. Het was aan [appellante sub 1] en [appellante sub 2] om desgewenst tegenover het college aannemelijk te maken dat het gestelde gebruik van het perceel op de peildatum plaatsvond en nadien is voortgezet. Uit de door [appellante sub 1] en [appellante sub 2] overgelegde luchtfoto's uit 1995, 1996, 1998, 2000, 2001 en 2003 kan niet worden afgeleid dat op het perceel, voorafgaand aan de peildatum, opslag van grond heeft plaatsgevonden. Uit de overige door

[appellante sub 1] en [appellante sub 2] ter staving van hun stelling dat het gebruik van het perceel ten behoeve van opslag van grond reeds voorafgaand aan de peildatum plaatsvond overgelegde stukken, onder meer facturen, blijkt niet dat het gestelde gebruik van het perceel plaatsvond.

2.5. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 9 november 2006 in strijd met het vertrouwensbeginsel is genomen. Het college heeft op het perceel regelmatig op het perceel controles uitgevoerd, maar is gedurende een lange periode niet tegen het gebruik van het perceel voor grondopslag opgetreden, zodat zij er op mochten vertrouwen dat het college van handhavend optreden tegen het gebruik van het perceel voor grondopslag zou afzien.

2.5.1. Ook dat betoog faalt. Het college heeft in het besluit van 9 november 2006 gesteld dat het gronddepot in maart 2006 is aangelegd; voorheen lag ter plaatse een grondwal. Dat is op zichzelf niet betwist. Reeds om deze reden heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat met het in bezwaar gehandhaafde besluit van 11 april 2006 het vertrouwensbeginsel is geschonden.

2.6. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte [appellante sub 1] als overtreder heeft aangemerkt, nu zij geen zeggenschap heeft over het perceel en wat daar gebeurt.

2.6.1. Het perceel is in eigendom aan [holding] [belanghebbende] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van [holding] [holding] en [bedrijf A] zijn bestuurders van [appellante sub 1] Tevens is [holding] enig aandeelhouder en enig bestuurder van [bedrijf B]., die op haar beurt enig aandeelhouder en enig bestuurder is van [appellante sub 2]

2.6.2. Dat de opdracht tot de opslag van grond door [belanghebbende] is gegeven, is niet in geschil. De rechtbank heeft met juistheid, lettend op de onderlinge bestuurlijke verwevenheid van [appellante sub 1] en [appellante sub 2], in het in beroep aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat [appellante sub 1] geen zeggenschap heeft over de in opdracht van [belanghebbende] op het perceel ontplooide activiteiten, zodat het college [appellante sub 1] in verband daarmee als overtreder mocht aanmerken. Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009

357-476.