Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH6336

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
200803984/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een berging en carport op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803984/1.

Datum uitspraak: 18 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Breda,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 april 2008 in zaak

nr. 07/2263 in het geding tussen:

[wederpartijen], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een berging en carport op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 april 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 10 april 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2008, hoger beroep ingesteld.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

Daartoe in gelegenheid gesteld heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2009, waar het college, vertegenwoordigd door drs. S.J.C. Hovens, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartij] in persoon en vertegenwoordigd door mr. J.A.M. Schoenmakers, advocaat te Breda, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een berging en een carport tegen een bestaande garage.

Ingevolge artikel 3.2.3 van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Prinsenbeek" (hierna: het bestemmingsplan) geldt voor het bouwen van aan- en bijgebouwen een maximale oppervlakte vrijstaand van 50 m² per woning. Niet in geschil is dat het bouwplan deze maximale oppervlakte overschrijdt.

2.2. Het college heeft beleidsregels vastgesteld voor de toepassing van de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: de beleidsregels)

Ingevolge artikel 1.3.2 van de beleidsregels mag het bruto vloeroppervlak van de verleende vrijstellingen niet meer bedragen dan 25 m² per woning.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat, gelet op de beleidsregels, voor het bouwplan geen vrijstelling kon worden verleend omdat het aannemelijk is dat de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen met meer dan 25 m2 wordt overschreden.

Het college bestrijdt dit oordeel. Volgens het college vormt de carport - anders dan de rechtbank heeft overwogen - niet één constructief geheel met de garage en berging en dient deze als een (afzonderlijk) bouwwerk, geen gebouw zijnde, te worden aangemerkt. De totale oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt alsdan ongeveer 55 m2, waardoor de toegestane oppervlakte met minder dan 25 m2, namelijk met ongeveer 5 m2, wordt overschreden. De verleende vrijstelling is, aldus het college, in overeenstemming met de beleidsregels.

2.3.1. In artikel 1 (begripsbepalingen), onder 11, van de voorschriften van het bestemmingsplan wordt "bijgebouw" als volgt gedefinieerd: "een op zich zelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw".

In artikel 1, onder 24, van de planvoorschriften wordt "gebouw" als volgt gedefinieerd: "elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt".

2.3.2. Niet in geding is dat de garage en de berging moeten worden aangemerkt als bijgebouwen en dat deze een gezamenlijke oppervlakte hebben van ongeveer 55 m2. Uit de bouwtekeningen blijkt dat de carport is verankerd in de berging en de garage. Aan één zijde heeft de carport een dichte wand, aan drie zijden is de constructie open. Er is geen sprake van een geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte. Evenmin is de constructieve verbondenheid met de berging en garage zodanig, dat de carport daarvan onderdeel uitmaakt. De Afdeling is dan ook met het college van oordeel dat de carport niet kan worden aangemerkt als een gebouw (en dus evenmin als bijgebouw) als bedoeld in het bestemmingsplan. Gelet hierop wordt de in het bestemmingsplan neergelegde maximale oppervlakte voor bijgebouwen met ongeveer 5m² overschreden, zodat aan de beleidsregels voor het verlenen van vrijstelling wordt voldaan.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van het college van 10 april 2007 alsnog ongegrond verklaren. Daarbij overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat het college bij het verlenen van de vrijstelling en bouwvergunning er van uit is gegaan dat de overschrijding van de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen 20 m2 bedraagt, niet behoeft te leiden tot vernietiging van het besluit van 10 april 2007, aangezien de verleende vrijstelling en bouwvergunning alleen betrekking heeft op het bouwplan en geen recht geeft op een grotere overschrijding dan die uit het bouwplan voortvloeit.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 april 2008 in zaak nr. 07/2263;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009

190.