Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BH6334

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
200802069/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2006 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) de controle van de besteding van subsidie in het kader van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer voor het project Haagweg fase 7-1 te Rijswijk afgesloten, en de subsidie met een bedrag van € 100.183,04 verminderd en dit bedrag teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802069/1

Datum uitspraak: 18 maart 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (Zuid-Holland),

appellant,

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2006 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) de controle van de besteding van subsidie in het kader van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer voor het project Haagweg fase 7-1 te Rijswijk afgesloten, en de subsidie met een bedrag van € 100.183,04 verminderd en dit bedrag teruggevorderd.

Bij besluit van 12 februari 2008 heeft de minister het door het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (hierna: het college) hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2009, beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam, en F. Gosens, E. Goudriaan en V. van Oudenhoven, allen werkzaam bij de gemeente, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P.C. Cup, werkzaam bij het ministerie, en B.A.M. Venneman en P.S. Verdouw, werkzaam bij het Bureau sanering verkeerslawaai, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college betoogt dat de minister ten onrechte in het, in het besluit op bezwaar gehandhaafde, besluit heeft geconcludeerd dat de woningen met adressen Haagweg 131 en Haagweg 133 niet in aanmerking hadden mogen komen voor geluidsanering, omdat bij toepassing van de juiste kierterm geen geluidgevoelige ruimte een geluidbelasting ondervindt van meer dan 45 dB(A). Het college bestrijdt dat het een onjuiste kierterm heeft gehanteerd. Het betoogt dat de ingeschakelde akoestisch deskundigen hebben geoordeeld dat sprake was van een bijzonder geval waarvoor een lage kierterm kan worden gehanteerd. Het college wijst er in dit verband op dat het oudere woningen betreft uit het begin van de vorige eeuw. Volgens het college wordt pas in een publicatie uit 2004 (Nieuwsbrief Sanering Verkeerslawaai nr. 14 juni 2004) door de minister een beperking aangebracht in het begrip bijzondere situatie, in die zin dat daarvan slechts sprake zou kunnen zijn bij schuif-, kantel-, stolp- en stalen ramen. Ten tijde van het verschijnen van deze nieuwsbrief waren de werkzaamheden reeds uitgevoerd en de kosten al gemaakt.

2.1.1. De minister betoogt dat niet de ouderdom van woningen, maar de constructie van de kozijnen bepalend is voor de mate waarin de kieren gedicht kunnen worden. De omschrijving van bijzondere gevallen, die volgens de minister reeds in 1997 in de brochure "Vragen en antwoorden met betrekking tot de sanering verkeerslawaai" is bekend gemaakt, heeft dan ook betrekking op de constructie. Volgens de minister worden in de brochure van 1997 dezelfde bijzondere situaties genoemd als de in de brochure van 14 juni 2004 genoemde. Deze laatste brochure is volgens de minister daarom niet aan te merken als bekendmaking van nieuwe beleidsregels.

2.1.2. Ingevolge artikel 8c, eerste lid, onder b, sub 1, van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer komen geluidwerende maatregelen slechts in aanmerking voor subsidie indien zij worden getroffen ten behoeve van een woning waarvan ten minste één geluidsgevoelige ruimte een geluidsbelasting ondervindt van meer dan 45 dB(A).

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 6 juni 2006 in zaak nr. 200505271/1) volgt uit voorschrift 1.5 van bijlage 1 van het Meet- en rekenvoorschrift geluidbelasting binnen gebouwen, dat voor de bepaling van de geluidwering van de gevel uitgegaan dient te worden van de situatie dat kieren zijn afgedicht. In de door de minister genoemde "Vragen en antwoorden met betrekking tot de sanering verkeerslawaai", vraag en antwoord 12.3, is dit nader toegelicht. Bij normale, volledig af te dichten, kieren dient voor de bepaling of op grond van de Wet geluidhinder geluidwerende maatregelen nodig zijn een kierterm van 45 dB(A) te worden aangehouden. Alleen bij bijzondere situaties, zoals bij schuif-, kantel-, stolp of stalen ramen kan een lagere kierterm van bijvoorbeeld 25 dB(A) worden aangehouden. Niet is gebleken dat sprake is van een van de genoemde raamtypen noch van een ander bijzonder raamtype. Het feit dat het gaat om oudere woningen maakt dat niet anders. De beroepsgrond faalt.

2.2. Het college betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel, omdat tijdens het ambtelijk vooroverleg dat over het project heeft plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van het college en van de minister nooit door het ministerie is aangegeven dat de wijze waarop de geluidbelasting in de woningen is berekend, niet juist zou zijn.

2.2.1. Het college heeft bij brieven van 18 april 2000 en 9 november 2000 advies gevraagd aan het Bureau sanering verkeerslawaai met betrekking tot offertes voor maatregelen aan de woning met adres Haagweg 135. Daarbij is gevoegd een akoestisch advies van bureau Blesgraaf van 29 januari 1999, waarin berekeningen zijn opgenomen waaruit onder meer blijkt welke kierterm is gehanteerd. Bij brieven van 9 mei 2000 en 25 februari 2001 heeft het Bureau sanering verkeerslawaai namens de minister advies uitgebracht, inhoudende dat de voorgestelde maatregelen technisch onvoldoende sober waren, en dat de bedragen in de offertes te hoog waren. Gelet op de aard van de adviesvraag en het uitgebrachte advies kan naar het oordeel van de Afdeling uit het feit dat niet is ingegaan op de gehanteerde kierterm niet worden afgeleid dat met de gebruikte kierterm is ingestemd. De beroepsgrond faalt.

2.3. Het college betoogt dat in het in het besluit op bezwaar gehandhaafde besluit ten onrechte wordt gesteld dat de gunning van het werk via een enkelvoudige ondershandse aanbesteding in strijd is met het gemeentelijk aanbestedingsbeleid. Enkelvoudig ondershands aanbesteden is volgens het college toegestaan in bijzondere gevallen. Volgens het college zouden deze bijzondere gevallen, anders dan de minister stelt, niet alleen daarin kunnen bestaan dat een zeer specifieke deskundigheid is vereist. In dit geval zou sprake zijn van een bijzonderheid omdat voorafgaand aan de aanbesteding al een lang proces was doorlopen, waarbij aan diverse aannemers was gevraagd een aanbieding te doen, zonder dat dit had geresulteerd in uitzicht op gunning. Nu geen sprake zou zijn van strijd met het gemeentelijk aanbestedingsbeleid is de minister volgens het college ten onrechte bij de herziening van de subsidie niet uitgegaan van de door het college opgegeven kosten maar van de toetsbedragen die zijn opgenomen in bijlage II, behorend bij de Uitvoeringsregeling sanering verkeerslawaai.

2.3.1. In het in het besluit op bezwaar gehandhaafde besluit heeft de minister geconcludeerd dat de woning met adres Haagweg 125 terecht is gesaneerd, maar dat de getroffen maatregelen niet financieel sober zijn, gelet op de verhouding tussen de werkelijke kosten en de toetsbedragen. In dit verband wordt in het besluit aangevoerd dat de werkzaamheden, in strijd met de gemeentelijke aanbestedingsprocedure, die ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling sanering verkeerslawaai diende te worden toegepast, door middel van een enkelvoudige ondershandse aanbesteding is gegund. Voorts is geen per maatregel gespecificeerde begroting van de getroffen maatregelen aangeleverd, aldus de minister.

2.3.2. Ingevolge artikel 8c, eerste lid, onder d, van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer komen geluidwerende maatregelen slechts voor subsidie in aanmerking indien de kosten ervan in redelijke verhouding staan tot kwaliteit, aard en gebruik van de woning en tot het geluidwerend effect van de maatregelen. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn in de Uitvoeringsregeling sanering verkeerslawaai regels gesteld voor de toepassing van dit criterium. In Bijlage II bij dit besluit zijn toetsbedragen opgenomen die een aanduiding geven van de gemiddelde kosten van de in de praktijk gangbare geluidwerende maatregelen.

2.3.3. De Afdeling constateert dat, daargelaten of het gemeentelijk aanbestedingsbeleid van de gemeente Rijswijk zich ertegen verzette dat enkelvoudig ondershands werd aanbesteed, geen gespecificeerde calculatie van de maatregelen is aangeleverd, zodat de werkelijke kosten per maatregel niet duidelijk zijn. Gelet daarop is het niet onredelijk te achten dat voor de kosten van deze maatregelen is uitgegaan van de toetsbedragen. De beroepsgrond faalt.

2.4. Het college betoogt dat de minister ten onrechte in het bestreden besluit heeft geconcludeerd dat in een aantal gevallen maatregelen zijn getroffen die kostbaarder zijn dan de maatregelen die gezien de akoestische situatie passend zouden zijn geweest. Voor deze maatregelen is de subsidie herberekend op basis van de toetsbedragen voor de passend geachte maatregelen.

Het college voert in dat verband aan dat de kosten van nieuwe ramen mogelijk gelijk zijn aan de kosten van het aanpassen van bestaande ramen, waarmee volgens de minister had kunnen worden volstaan. Voorts wijst het college op het oordeel van de door hem geraadpleegde deskundigen, die de getroffen maatregelen doelmatig achten. De minister heeft daarom volgens het college ten onrechte deze kosten buiten beschouwing gelaten en de vergoeding beperkt tot de toetsbedragen van de door hem sober en doelmatig geachte maatregelen.

2.4.1. Uit de hiervoor in overweging 2.2.1. genoemde correspondentie tussen het college en het Bureau sanering verkeerslawaai blijkt dat van de zijde van de minister voorafgaand aan de uitvoering van de sanering is vermeld dat de voorgenomen maatregelen als onvoldoende sober werden beoordeeld, en dat daarom niet met de maatregelen werd ingestemd. Tevens werd aangegeven welke maatregelen door het Bureau sanering verkeerslawaai wel als sober en doelmatig werden aangemerkt. In zoverre behoorde het college te weten dat de te treffen maatregelen door de subsidiënt niet als volledig subsidiabel werden beoordeeld. Hetgeen het college naar voren brengt levert voorts onvoldoende aanknopingspunten op om eraan te twijfelen dat de door het Bureau sanering verkeerslawaai voorgestane maatregelen mogelijk zijn. De stelling dat de kosten van aanpassing van bestaande ramen mogelijk even hoog zijn als de kosten van nieuwe ramen, is niet door calculaties of offertes ondersteund. Mede gelet daarop kon de minister in redelijkheid besluiten dat de getroffen maatregelen kostbaarder zijn dan gezien de akoestische situatie passend was. De beroepsgrond faalt.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Melse

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009

191-539.